Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.3.3.2
5.3.3.2 Reactieve of proactieve informatieverstrekking?
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972040:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Van der Korst (diss.) 2007, p. 167 e.v.; Schoenmaker-Tijsseling 2011; en Oosterhoff (diss.) 2017, p. 267 e.v.
Zie onder meer Hof Amsterdam (OK) 31 oktober 2019, ARO 2019/193 (Bosal), r.o. 3.18; Hof Amsterdam (OK) 27 februari 2020, JOR 2020/203 (Fuelplants), r.o. 3.15; en Hof Amsterdam (OK) 13 maart 2020, ARO 2020/87 (Brouwer Bloembollen), r.o. 3.9.
Zie par. 2.4 en par. 2.5 hiervoor.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 6 april 2023, JOR 2023/182 m.nt. A.F.J.A. Leijten (i3), r.o. 4.58; en Hof Amsterdam (OK) 18 oktober 2013, ARO 2013/160 (Slotervaart), r.o. 3.8: “Zeker bij een vennootschap waarin een beperkte kring van aandeelhouders deelneemt, brengt het gewicht van een dergelijk, voor Meromi ingrijpend besluit tot – in wezen – overdracht van (het voornaamste deel van) de indirect aan haar verbonden onderneming naar het oordeel van de Ondernemingskamer echter mee dat (het bestuur van) Meromi ten minste vooraf en uit zichzelf (…) openheid van zaken had dienen te geven aan (…) Merdan, als niet in het bestuur van Meromi vertegenwoordigde minderheidsaandeelhouder.”
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 8 juni 2023, ARO 2023/91 (Watson), r.o. 3.19: “Daarbij komt nog dat informatieverschaffing voorafgaand aan de Herstructurering ontegenzeggelijk problematisch zou zijn vanwege de gevoeligheid van dat proces en de overeengekomen vertrouwelijkheid met de betrokken Senior Debt Lenders. Dat Verzoekers niet voorafgaand aan de Herstructurering zijn geïnformeerd kan daarom geen gegronde redenen opleveren om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken.”
Zie in het kader van het recht op inlichtingen ter vergadering ook Van den Ingh & Nowak 2003, p. 639 e.v., onder 3: “Dat de ava een wettelijk recht heeft om informatie te vragen, doet daaraan niet af want het is moeilijk vragen naar iets waarvan men geen weet heeft.”
Zie ook par. 5.2.3.2 hiervoor.
In de literatuur is een onderscheid gemaakt tussen een proactieve informatieplicht en een reactieve informatieplicht c.q. een informatierecht.1 Bij een proactieve informatieplicht zou het initiatief uitgaan van de vennootschap; zij dient dan uit eigen beweging informatie te verstrekken aan haar aandeelhouders. Bij een reactieve informatieplicht zou de vennootschap ‘slechts’ hoeven te reageren op informatieverzoeken van de aandeelhouder. De Ondernemingskamer gaat voorbij aan dit onderscheid en overweegt dat de vennootschap in voorkomende gevallen zowel uit eigen beweging als naar aanleiding van vragen van de aandeelhouder de relevante informatie diende te verstrekken.2
Deze keuze komt mij pragmatisch voor. Het gaat erom dat bepaalde informatie tijdig met de aandeelhouder wordt gedeeld; waar het initiatief ligt, is vervolgens van ondergeschikt belang. Als gevolg van de informatieasymmetrie tussen de vennootschapsleiding en de aandeelhouders,3 ligt het bovendien voor de hand dat het initiatief in het algemeen uitgaat van de vennootschap,4 tenzij het belang van de vennootschap daardoor onevenredig zou worden geschaad.5 Van de aandeelhouder kan immers niet worden verwacht dat hij zal vragen naar informatie waarmee hij niet bekend is.6 Door het onderscheid tussen proactieve en reactieve informatieverstrekking in het midden te laten, laat de Ondernemingskamer bovendien uitdrukkelijk ruimte voor de aandeelhouder om – waar nodig – door te vragen. De Ondernemingskamer lijkt hiermee aan te sturen op een dialoog tussen de vennootschap(sleiding) en de aandeelhouder.
Deze pragmatische aanpak leidt bovendien tot billijke uitkomsten. Zoals informatieverzoeken in de praktijk regelmatig – al dan niet ten onrechte – werden afgeslagen onder verwijzing naar ASMI,7 zo is ook denkbaar dat de vennootschapsleiding enerzijds achterover zou leunen onder het mom van een louter reactieve informatieplicht of anderzijds juist ieder informatieverzoek of verzoek tot opheldering zou afdoen onder verwijzing naar een louter proactieve informatieplicht. De Ondernemingskamer laat geen ruimte voor een dergelijke formalistische opstelling.