Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.5.1:4.5.1 Capaciteit en capaciteitsverdeling
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.5.1
4.5.1 Capaciteit en capaciteitsverdeling
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200830:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Eén van de redenen waarom in de ogen van een belangrijk deel van de politiemensen de strafrechtelijke reactie onvoldoende blijft, is het ervaren gebrek aan beschikbare capaciteit (menskracht) binnen de politie. Het aanbod van zaken voor de politie om te onderzoeken is groter dan zij aankan (De Poot, e.a., 2004: 39), met de huidige manier van werken. Daardoor bestaat voor de politie de permanente noodzaak de beschikbare capaciteit te verdelen. Gevolg is dat keuzes moeten worden gemaakt, waardoor aan een (soms groot) deel van de zaken onvoldoende aandacht kan worden besteed. Ook zaken die goede vooruitzichten bieden op een succesvolle opsporing blijven liggen, soms zonder ooit nog te worden opgepakt.
‘Capaciteit is een groot probleem. Ik heb woninginbraken met opsporingsindicatie op de plank liggen. We halen een oplossingspercentage van ongeveer 5%. Met vijftien extra mensen kan dat naar 15 á 20 procent. (…) Heterdaad feiten, die handelen we af. Chronische winkeldieven, daar doen we niets aan. Alle VVC [veelvoorkomende criminaliteit] met een aangifte: als er weinig importantie is, dan valt het af. Als er geen opsporingsindicaties zijn geldt hetzelfde. Middencriminaliteit, de inzet op aangiftezaken wordt door het keuzeoverleg met het OM bepaald.’
Ten tijde van dit onderzoek doet een gebrek aan capaciteit zich niet alleen voor bij de politie, maar ook bij het OM (diverse ontwikkelingen waaronder ZSM hadden toen nog niet plaatsgevonden). Zaken die te lang moeten wachten bij politie of OM, kunnen uiteindelijk worden geseponeerd. Bij een belangrijk deel van de sepots gaat het om zogenaamde ‘oude feiten’ of in het jargon ‘plankzaken’ (Algemene Rekenkamer, 2012: 18). Politiemensen realiseren zich dat het laten liggen van zaken vanwege capaciteitsproblemen aan burgers of slachtoffers vaak moeilijk is uit te leggen. Zij worden er door slachtoffers op aangesproken als na een strafbaar feit een strafrechtelijke reactie achterwege blijft:
‘Voor ons is het vaak al moeilijk om te zien hoe een zaak voortgaat, maar voor een burger is dat nog moeilijker. Zij denken dat de politie het oppakt, de verdachten verhoort en daarmee naar de rechter gaat. Probeer die mensen maar eens uit te leggen dat zeventig procent nooit een rechter te zien krijgt. Voor een burger is het tussentraject tussen een verdachte oppakken en de gang naar de rechter onbekend.’
Politiemensen zijn sterk bezig met de vraag welke keuzes moeten worden gemaakt in antwoord op het gebrek aan capaciteit. Verschillende suggesties worden daarvoor tijdens de interviews gedaan, onder meer minder aandacht voor verkeer en voetbal, het terugdringen van onnodige bureaucratie, of het beperken van de TGO’s die te veel capaciteit zouden opslokken gelet op hun opbrengst.
In verschillende interviews wordt er bovendien op gewezen dat vanwege gebrek aan capaciteit onderzoeken vaak ‘smal’ moeten worden gehouden. Er zou vooral worden gelet op het aantal veroordelingen, waarbij de kans om ook andere zaken op te lossen (die bekend worden uit bijvoorbeeld bijvangst uit een opsporingsonderzoek) moeten blijven liggen. Verschillen in opvatting over hoe moet worden omgegaan met het gebrek aan capaciteit spelen hier op de achtergrond een rol. Moet bijvoorbeeld worden gekeken naar het oplossingspercentage of naar de meeropbrengst in strafmaat, als men voor de keuze staat opsporingsonderzoek te doen naar nog meer delicten door dezelfde verdachte?