Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.3:4.3 Bewijs
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.3
4.3 Bewijs
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200745:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de interviews blijkt dat veel politiemensen van oordeel zijn dat de rechterlijke macht vaak onnodig hoge eisen stelt aan het bewijs in strafzaken. Deze opvatting lijkt grotendeels te herleiden tot het feit dat politiemensen veelal op hun eigen wijze oordelen over de schuld van een verdachte. Het volgende voorbeeld van een brigadier in de surveillancedienst kan dit illustreren. Hij vertelt dat een door hem aangehouden verdachte naar zijn mening veroordeeld had moeten worden voor moord en niet voor doodslag:
‘We weten allemaal dat hij jaloers was en haar [het slachtoffer] had mishandeld. Hij stalkte haar ook. Hij kon er niet mee leven dat hun relatie uit was en heeft willens en wetens zitten wachten [in zijn auto]. Het vuurwapen heeft hij ook niet zomaar gevonden. Dat had hij bij zich. De feiten die mij bekend zijn, zijn wel duidelijk. Het is duidelijk dat deze man erop uit was om haar te vermoorden, maar dat komt er niet uit [bij de rechter]. Daar is zoveel voor nodig. Ik neem dat niet zozeer de rechter kwalijk, het is gewoon het hele systeem.’
Uit de omstandigheden dat de verdachte in de buurt van de plaats delict werd aangehouden, een vuurwapen op zak had, lange tijd in zijn auto had gewacht op het slachtoffer (de autoruiten waren volgens de brigadier beslagen), zich al eerder had misdragen en ook een motief had, leidt deze politieman af dat het meest waarschijnlijke scenario moord is. De verdachte werd uiteindelijk ‘slechts’ schuldig bevonden aan doodslag op zijn ex-vriendin. Tussen de opvatting van de geïnterviewde brigadier en de uiteindelijke uitspraak van de rechter in deze zaak, zit in zijn optiek een strafrechtsysteem dat hindernissen opwerpt en te hoge eisen stelt:
‘Ik vind de eisen te hoog om iemand veroordeeld te krijgen. Er moet zoveel aangedragen worden om het te bewijzen. Ik begrijp best, er zitten ook mensen onterecht in de gevangenis en ik kan wel begrijpen dat de zorg ook bij justitie groeit, maar bij zo’n moordzaak is het erg frustrerend. Zo’n advocaat adviseert om de moord niet te bekennen. Je kunt beter twintig jaar zitten dan dertig. Verklaar dan: “Ik zag haar weer en schoot.” Waarom men niet op moord uitkomt, terwijl het verhaal er omheen zo duidelijk is, is ook voor de nabestaanden onbegrijpelijk.’
De brigadier baseert zijn oordeel op een in zijn ogen waarschijnlijk scenario. Daarbij baseert hij zich op aanwijzingen. Echter deze vormen hier kennelijk niet het bewijs voor moord. Uit de frustratie van deze politiemedewerker met de strafrechtelijke uitkomst in deze zaak, blijkt dat hij van de strafrechtspleging verwacht meer onzekerheid toe te laten bij de beoordeling van bewijs. De feiten dienen volgens hem niet terughoudend te worden geïnterpreteerd, maar de betekenis daarvan komt in zijn ogen overeen met wat aannemelijk of waarschijnlijk lijkt.
Politiemensen blijken ook in andere gevallen vaak uit te gaan van de in hun ogen ‘feitelijke’ schuld van een verdachte. Zij achten zichzelf daarbij niet alleen in staat om een goede inschatting te maken van de schuld van verdachte, zoals het crime control model van Packer veronderstelt (1964, 1968; zie hoofdstuk 2), maar gebruiken ook vaak een probabilistische redenering, zoals in dit voorbeeld. Zoals ook Skolnick (1966) aangeeft (zie hoofdstuk 2) kan dat tot gevolg hebben dat politiemensen niet uitgaan van ‘juridische’ schuld, geredeneerd vanuit het strafrecht. In navolgende hoofdstukken zal op de hier gesuggereerde verschillen in beoordeling nog worden teruggekomen.
Veel van de geïnterviewde politiemensen blijken ambivalent over het strafrechtsysteem. Enerzijds blijken ze het regelmatig niet eens met de beslissingen van officieren van justitie en rechters. Anderzijds onderschrijven ze wel het principe van de scheiding der machten,– waarbij de politie als onderdeel van de uitvoerende macht, door de rechterlijke macht wordt getoetst en deze een eventuele sanctie oplegt. In de praktijk is deze scheiding niet zo strikt (vgl. McConville, Sanders & Leng, 1991). Immers, een voorlopig oordeel over de schuld van verdachte hoort ook tot de professionele rol van de politie: ‘Als wij niet overtuigd zijn dat we de dader hebben gevonden, dan sturen we de zaak niet naar het OM.’
Al steunen politiemensen het principe dat de rechterlijke macht over strafzaken oordeelt en de straffen bepaalt, in de praktijk vinden zij het toch vaak frustrerend en onbegrijpelijk als het oordeel van de rechterlijke macht afwijkt. Het blijkt soms moeilijk voor politiemensen te accepteren dat hun oordeel niet overeenkomt met de definitieve beslissing: als opsporingsambtenaar achten zij zich ook en in zekere zin zelfs beter in staat een zaak te beoordelen. Politiemensen voelen zich gehinderd hun ‘vakmanschap’ uit te oefenen wanneer van hun oordeel wordt afgeweken door de rechterlijke macht (Skolnick, 1966: 233). Hun opvattingen staan op grote afstand van het due process model van Packer (zie ook hoofdstuk 2), dat de feilbaarheid van de strafrechtelijke instituties, waaronder de politie, erkent.
Bij een woninginbraak was een rechercheur op basis van een waarschijnlijk scenario overtuigd van de schuld van de verdachte. Volgens haar kan het geen toeval zijn dat drie mannen in de auto van een bij de politie bekende inbreker worden gezien en dat kort daarna, twee straten verderop, wordt ingebroken. Ook al zijn er sterke aanwijzingen, (direct) bewijs was niet voorhanden. Eén van de verdachten legt volgens de rechercheur leugenachtige verklaringen af. Uiteindelijk wordt de zaak door de officier van justitie geseponeerd wegens gebrek aan bewijs, tot grote onvrede van deze rechercheur:
‘Een jongen parkeert een auto die op naam staat van een hele bekende inbreker. Er stappen twee jongens uit en één van die jongens laat een breekijzer uit zijn broek vallen. Vervolgens wordt twee straten verderop ingebroken. De collega’s vinden de inbrekers niet maar wel de jongen in die auto. De inbrekers hebben we nooit gevonden. De bestuurder stond nog te wachten en die is door collega’s aangehouden wegens medeplichtigheid. (…) Aan alle kanten blijkt dat hij die gasten heeft gereden. (...) Dat is een sepot geworden. Maar het was zo duidelijk en dan komt iemand ermee weg door gewoon drie dagen lang te gaan zitten liegen.’
Een teamchef bij de districtsrecherche geeft een soortgelijk voorbeeld van een mishandeling waarbij het oordeel van de politie ook was gebaseerd op een waarschijnlijk scenario:
‘We kunnen zien dat de gsm [van verdachte] op de plaats delict is geweest, terwijl [de verdachte elders] woont en hier nooit komt. Dan had hij nog ruzie met het slachtoffer, maar niemand heeft gezien dat hij is geslagen. Drie heel toevallige dingen, dat noem ik drie keer nul is één. Onze interpretatie van drie keer nul is niet altijd sluitend bewijs. De frustratie is dan dat je zo’n zaak niet bewezen krijgt, [terwijl] de intuïtie zegt het kan niet anders...’
Politiemensen baseren hun overtuiging van schuld niet uitsluitend op het beschikbare bewijs. Hun overtuiging is ook afhankelijk van de waarschijnlijkheid van een bepaald scenario. Daarbij speelt beeldvorming een belangrijke rol. Hierbij kan het zoals in de twee voorgaande voorbeelden gaan om parallelle gebeurtenissen, naar zowel plaats, als tijd. De kans op toeval wordt daarbij gering geacht. Daarnaast is het beeld dat men heeft van de verdachte en diens gedrag van invloed op het oordeel dat politiemensen zich vormen over de verdenking en de schuld van een verdachte. Een rechercheur van de lokale recherche:
‘Ik heb ook zaken, dan ben ik ervan overtuigd dat iemand iets gedaan heeft maar ik kan het niet bewijzen. Door het onderzoek dat je instelt, maar ook door hoe de verdachte praat bijvoorbeeld. Stel, de verdachte is gezien op de plaats delict. Voor de rechter is dat onvoldoende en dan is het terecht dat de verdachte wordt vrijgesproken, maar mijn overtuiging blijft.’
Ook een eerdere veroordeling kan bijdragen aan de overtuiging van de politiemedewerker dat een verdachte schuldig is. Om die reden waren een hoofdagent en zijn collega’s het niet eens met de vrijspraak in een afpersingszaak:
‘Een half jaar eerder was [verdachte] al een keer veroordeeld voor hetzelfde feit. Wij moeten natuurlijk voldoende bewijs aanleveren maar je mag ook weleens kijken naar de staat van dienst [van verdachte]. Er zijn aangevers die zijn naam noemen en dat moet je combineren met zijn verleden.’
Een soortgelijk voorbeeld geeft een rechercheur uit een woninginbrakenteam:
‘Justitie heeft me al verteld dat ik de verdachte moet laten gaan als ik er in het laatste getuigenverhoor niks bij krijg. [Verdachte] heeft antecedenten tot en met, maar ik moet hem laten gaan. Niemand heeft gezien dat hij een portemonnee heeft weggenomen. Dat is frustrerend aan politiewerk: Het kan niet anders, maar omdat niemand het gezien heeft moet ik zo iemand laten gaan.’
Zwijgen of (in de ogen van de politie) liegen, zoals in het voorbeeld met de verdachten die een breekijzer bij zich droegen, kan ertoe bijdragen dat een politiefunctionaris juist overtuigd raakt van de schuld van verdachte. Een ploegchef bij de lokale recherche geeft een voorbeeld van een moordzaak waarin de verdachte volgens hem uiteindelijk onterecht zou zijn vrijgesproken:
‘De verdachte was altijd rustig en beriep zich op haar zwijgrecht. Als ze tegen mij zeggen dat ik [iemand] heb vermoord, ga ik echt wel roepen dat ik het niet gedaan heb als dat echt zo is. Zij heeft dat nooit gedaan.’
Met betrekking tot zwijgende verdachten wijzen tijdens de interviews politiemensen regelmatig op door hen veronderstelde gevolgen van het Salduz-arrest. Als gevolg van dit arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, moet in Nederland sinds 2010 een verdachte voor het eerste politieverhoor in bepaalde gevallen de gelegenheid krijgen een advocaat te spreken. Dit zit politiemensen nogal eens dwars. Verschillende van de geïnterviewde politiemensen zijn ervan overtuigd dat dit recht op rechtsbijstand er in de praktijk toe leidt dat op advies van hun advocaat, veel meer verdachten zwijgen:
‘Sinds het Salduz-arrest kan de verdachte al een advocaat krijgen bij zijn eerste verhoor. Naar ons idee adviseert deze vrijwel altijd: ‘hou je mond tot ik de stukken heb’. Dat merken we. Advocaten die hun cliënten voorhouden dat ontkennen geen zin heeft, die kom je niet veel tegen.’
Genoemde frustratie bij politiemensen heeft vermoedelijk ook iets te maken met de wijze waarop zij zich een oordeel vormen over verdachten. Dit oordeel is niet, zoals strafrechtelijk vereist, uitsluitend gebaseerd op de beschikbaarheid in een zaak van voldoende bewijs. Het morele beeld dat politiemensen ontwikkelen van bepaalde personen en gedragingen, lijkt van invloed op hun beoordeling van de juridische vraag of een verdachte schuldig is of niet. In dit verband kan ook het eerder genoemde negatieve morele oordeel over zwijgende verdachten worden begrepen: ‘Als je niets te verbergen hebt, dan kun je ook verklaren.’
Beeldvorming of verschil van inzicht over de schuld van verdachte levert ook veel ergernis op als een officier van justitie of rechter een verdachte ‘op zijn woord gelooft’, of wanneer niet het proces-verbaal of de verklaring van de politiemedewerker wordt gevolgd, bijvoorbeeld omdat de verdachte het tegenovergestelde verklaart van wat daarin is gesteld en er verder geen getuigen zijn. Politiemensen ervaren dit als een gebrek aan ondersteuning door officieren van justitie en rechters. Zij krijgen het gevoel dat hun woord net zo zwaar weegt als dat van een ontkennende of volgens hen liegende verdachte, waardoor ze denken in de steek te zijn gelaten:
‘Een motoragent spreekt een wildplasser aan. Dan wordt er iets gezegd, ‘kankerpinda’ ofzo. Dat zegt de agent en de verdachte beweert iets anders te hebben gezegd. Er zijn geen directe getuigen. De man wordt aangehouden voor belediging en overgebracht door twee collega’s. Op het moment dat hij in de auto zit, zegt hij tegen een andere collega dat hij ‘pindarots’ heeft gezegd. Dat is opgeschreven door die politieman. Het OM gaat vervolgens uit van het verhaal van de verdachte: datgene hij in tweede instantie tegen de andere collega heeft gezegd. Dan lust ik er nog wel een paar. OM, ga nou gewoon achter je politie staan en laat de rechter maar oordelen.’
Politiemensen zijn zich waarschijnlijk vaak niet bewust van de invloed van beeldvorming op hun oordeel over de schuld van verdachten. In hun werk maken ze, vaak onbewust, veel gebruik van ‘typificaties’ (Van Maanen, 1978; Terpstra, 2008) om de alledaagse werkelijkheid te interpreteren, een term die oorspronkelijk is geïntroduceerd door Schütz (1932; zie ook Ritzer, 2000: 73). Net als ieder ander, stelt dit hen in staat de sociale werkelijkheid (zoals personen, situaties of interacties) te interpreteren. Daarbij hebben typificaties een pragmatisch en voorlopig karakter, dat wil zeggen dat zij ‘voldoende’ houvast moeten bieden voor het dagelijks handelen. Door hiervan uit te gaan ‘weet’ de betrokkene wat hij of zij kan verwachten, tot er aanleiding is om het beeld van een bepaald type bij te stellen. Zolang dat niet gebeurt lijken deze interpretaties zich in de loop der tijd telkens opnieuw te bevestigen (Terpstra, 2008). Diverse onderzoeken (onder meer Skolnick, 1966; Terpstra, 2008; Çankaya, 2013) wijzen op de grote invloed van beelden, interpretaties en betekenissen die politiemensen ontwikkelen in hun werk en in relaties met collega’s.
De ‘straatkennis’ van politiemensen is eveneens opgebouwd uit typificaties en geeft aan welke verschijnselen of problemen zich op een locatie of in een bepaalde situatie kunnen voordoen (Rubinstein, 1973; Van Maanen, 1978; Terpstra, 2008). Deze typificaties hebben betrekking op bepaalde sociale kringen, families of personen en verwijzen naar reputaties en gevaar. Ook worden ze door politiemensen gebruikt om problemen te verklaren. Hun in typificaties opgebouwde kennis speelt vaak een grotere rol dan gesystematiseerde, ‘objectieve’ informatie uit opsporingsonderzoek en wordt door hen dagelijks gebruikt om gevaren en potentiële daders te herkennen. Daarbij stelt ‘straatkennis’ hen in staat snel situaties te herkennen, waardoor ze ook onder tijdsdruk kunnen bepalen hoe te handelen. Hoewel de empirische basis van deze ‘kennis’ onzeker is en de toepassing ervan tot vergissingen kan leiden, wordt ze door politiemensen hoog aangeslagen en als onmisbaar ervaren.
Voorgaande wordt bondig samengevat door Skolnicks eerder aangehaalde conclusie dat politiemensen het strafrecht veelal beschouwen vanuit hun eigen ‘vakmanschap’. Daarmee wordt bedoeld dat politiemensen op basis van hun eigen en onderling uitgewisselde ervaringen, tot een beoordeling komen van de schuld van verdachten en tevens over de strafrechtelijke sanctie die aangewezen zou zijn. Dit laatste is het onderwerp van de volgende paragraaf.