Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.3.3:6.3.3 Sterke aanwijzingen
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.3.3
6.3.3 Sterke aanwijzingen
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200772:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Volgens Van Koppen (2011: 52) moet een ‘redelijk alternatief scenario’ uit het strafdossier naar voren komen of moet het daarbij ‘aangeknoopt’ kunnen worden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een deel van de rechters stoort zich weleens aan collega-rechters die zij te voorzichtig vinden bij de bewijsbeoordeling. Deze voorzichtigheid zou zich met name voordoen wanneer de verdachte zwijgt en de rechter het gepresenteerde bewijsmateriaal ervaart als slechts bestaand uit ‘sterke aanwijzingen’. Andere rechters zijn juist van opvatting dat het goed is om zeer terughoudend met het interpreteren van bewijsmiddelen om te gaan. Een rechter gebruikte de beeldspraak van een puzzel om dit duidelijk te maken. Wanneer vanwege het zwijgen van de verdachte een ‘gat’ blijft bestaan in de bewijsconstructie, stelt deze rechter zich dat voor als een puzzel waarvan te veel stukken ontbreken om goed te kunnen bepalen hoe de complete puzzel eruit zal zien. In een dergelijk geval vindt hij het verkeerd om tot het vormen van een beeld over te gaan op basis van de wel aanwezige bewijsmiddelen in het strafdossier. Volgens hem neemt de druk toe om strafdossiers te interpreteren volgens de lezing van het OM, hetgeen volgens hem wordt veroorzaakt doordat verdachten in toenemende mate zouden zwijgen, zowel tegenover de politie als in de rechtszaal:
‘Doordat de verdachte steeds [vaker] zwijgt wordt de puzzel niet meer gelegd en dan moet [de rechter] het doen. Als de politie met een aantal stukjes [aanwijzingen] komt en wij moeten daarin dan een beeld herkennen: “Nou ja, dat zal wel een schip zijn daar.” Dan is het denk ik goed om je daar heel kritisch in op te stellen [als rechter].’
Zelfs als de verdachte bekent, kan het gebeuren dat de rechter niet overtuigd is van zijn schuld, of menen dat een alternatief scenario mogelijk is. Besef van de feilbaarheid van de strafrechtelijke instituties bij de problematische taak te reconstrueren wat er in het verleden precies is gebeurd, maakt een deel van de rechters voorzichtig. Zij menen dat veel rekening moet worden gehouden met een mogelijk verkeerde voorstelling van zaken door het OM. De term ‘falsificeren’ wordt tijdens de interviews echter zelden letterlijk gebruikt. Eerder wordt genoemd dat de rechter ‘ook moet kijken naar ontlastende dingen’, moet ‘tegendenken’ en moet ‘redeneren zoals de verdediging’.
‘Wij kunnen nooit kritisch genoeg zijn over het bewijs. Ik snap wel dat het beeld bestaat en dat [politiemensen en officieren] soms denken jeetje mina, dit is mierenneukerij van A tot Z, maar ik zal altijd propageren naar mijn collega’s dat je heel erg kritisch moet zijn op het bewijs. Geen van de togadragers is bij het incident aanwezig geweest. Als we oordelen dat het feit overtuigend is bewezen, dan denken wij dat het zo is. Maar we weten het nooit zeker, ook niet als een verdachte bekent. Die kan motieven hebben om dat te doen, maar het toch niet gedaan hebben. Officieren die hierover klagen krijgen van mij geen gelijk.’
Eén rechter lijkt direct bewijs te vereisen om tot veroordeling van een verdachte over te kunnen gaan:
‘In ontnemingszaken wordt de redenering “het kan niet anders, dan dat dit geld uit criminele activiteiten afkomstig is” wel gevolgd. In het commune strafrecht moet men daar volgens de Hoge Raad zeer terughoudend mee zijn en is dat in veel gevallen dodelijk [voor de zaak]. “Het kan niet anders”, die redenering, daar maak ik als rechter in beginsel geen gebruik van.’
Sommige rechters menen dat collega’s weleens te kritisch oordelen en te terughoudend zijn met het ‘optellen’ of ‘in combinatie waarderen’ van bewijsmiddelen. In deze opvatting zou een combinatie van sterke aanwijzingen zonder direct bewijs vaker tot een bewezenverklaring moeten leiden. De onderlinge verschillen die rechters zien in de beoordeling van bewijs, komen overeen met de door officieren van justitie veronderstelde verschillen. Hier zal er nogmaals kort op worden ingegaan.
Rechters denken verschillend over het zoeken van gaten in de gehanteerde bewijsconstructie. Zo kan het daarbij volgens sommige rechters gaan om het betrekken van theoretische mogelijkheden. Ook wordt gemeend dat alternatieve verklaringen een rol kunnen spelen bij de bewijsbeoordeling, zolang die niet apert onjuist gebleken zijn.1 Een geïnterviewde rechter zet zich hier echter tegen af:
‘Ik heb wel meegemaakt hoe een collega-rechter [in de raadkamer] een kant op ging die niet de mijne was. Ze zei: “Misschien heeft hij wel dit gedacht, of misschien was er wel dat aan de hand.” Maar dat had [de verdachte] niet gezegd, dus dan ga ik daar geen rekening mee houden.’
In deze opvatting moet het strafdossier, de verklaring van de verdachte of het verweer van de verdediging aanleiding geven te twijfelen aan de bewijsconstructie; niet een vraag of twijfel die bij de rechter zelf ontstaat.
‘Je kunt wel zeggen: ik heb twijfel. Dat kan, maar [de reden om te twijfelen] moet dan wel zijn aangedragen. Er moet verweer op gevoerd zijn. Ik kan me niet voorstellen dat ik dat zelf zou inbrengen, niet bij mezelf [als politierechter] en ook niet in de raadkamers van de laatste jaren.’
Collega-rechters die (afzonderlijk gezien niet overtuigende) individuele bewijsmiddelen niet ‘combineren’ of ‘interpreteren’ worden door sommige geïnterviewde rechters als te voorzichtig aangemerkt. Wanneer bewijsmiddelen in combinatie worden aangeboden door het OM, kan dat volgens de opvatting van deze rechters hun (totale) bewijswaarde verhogen. Een rechter:
‘Bewijsmiddelen moeten we in combinatie bekijken. Dat betekent dat als er iets gaat missen, je dat kan compenseren met andere onderdelen. Dat kunnen ook losse eindjes [aanwijzingen] zijn. Die bieden een totaalplaatje waardoor je overtuigd bent.’
De ‘overdreven voorzichtige’ rechters zouden door de grote aandacht binnen de rechtspraak voor gerechtelijke dwalingen ‘waarheidsvinding letterlijk nemen’, hetgeen volgens een rechter niet juist is. Niet alleen telt in zijn opvatting bewijs dat de verdachte direct bij het gepleegde strafbare feit brengt, ook bewijsmiddelen die op betrokkenheid van de verdachte lijken te wijzen zijn van belang, omdat de ‘kleine beetjes bewijskracht’ daarvan samen ook tot overtuigend bewijs kunnen leiden.
‘Ik weet dat ik collega’s heb die zoeken naar iets als vaststelling van “de” waarheid. Die willen waarheidsvinding letterlijk nemen. Die zijn wat mij betreft onvoldoende geïnstrueerd en hebben niet goed meegekregen wat hun denkkader zou moeten zijn. Als Kamervoorzitter is één van mijn taken om beginnende rechters te coachen en precies dit is waar ik vaak tegenaan loop.’
‘Je treft weleens een hele hoop bewijsmiddelen [aan in een strafdossier], maar geen smoking gun. Geen DNA-materiaal op het lichaam van de verdachte [bijvoorbeeld], maar wel hele sterke aanwijzingen. Dan is het zaak om niet in de valkuil te trappen dat je alle bewijsmiddelen afzonderlijk gaat bekijken. Dat overkomt collega’s nog weleens, dat ze bewijsmiddelen afzonderlijk beoordelen. [Telkens wordt dan geconcludeerd] “het is wel een aanwijzing, maar niet genoeg. Wel een aanwijzing, maar niet overtuigend.” Ze werken het allemaal af en dan is de conclusie: geen enkel bewijs is overtuigend, dus het bewijs zit er niet in. Daar varen advocaten heel sterk op. Maar dan vergeten [deze rechters] de laatste stap te zetten. Als alle bewijsmiddelen niet overtuigend zijn, dan moet je het totaal bekijken en kan je tot de conclusie komen: het kan niet anders meer, of [de verdachte] heeft het wel gedaan.’
Er is dus verschil van mening over de vraag of bewijsmiddelen die afzonderlijk niet sterk genoeg zijn, in combinatie wel voldoende bewijs kunnen opleveren. In die laatste opvatting is zwakke bewijskracht van individuele bewijsmiddelen niet altijd een reden om deze ‘onderuit te halen’ in het vonnis. In het volgende voorbeeld was de geïnterviewde rechter het niet eens met de vrijspraak in een zedenzaak, op basis van in zijn ogen een verkeerde redenering van zijn collega-rechters in de raadkamer.
‘In deze zaak zegt de advocaat: “Het DNA-materiaal is heel zwak, dat stelt helemaal niks voor. Dat mag u niet gebruiken als bewijs. Wat houden we dan over? De verklaring van mijn cliënt tegenover die van [het slachtoffer] en die van de buurvrouw. Maar die heeft geen seks gezien. Zij heeft alleen aangebeld en die man naar buiten zien komen. Dat zegt hij zelf ook.” Zo wordt een DNA-spoor weg gemanoeuvreerd, de buurvrouw wordt weg gemanoeuvreerd en eigenlijk zegt de advocaat, het verhaal van [het verstandelijk beperkte slachtoffer], ondanks dat ze in een studio gehoord is, dat kan niet worden geloofd. (…) Ik constateer dat [het slachtoffer] op veel punten gelijk heeft. [De verdachte], die bij haar in huis was, had daar niks te zoeken, (…) en vanuit mijn totaalvisie leg ik de verklaring van de buurvrouw waar deze zwakzinnige dame ook over verklaard heeft, naast het feit van het minimale DNA-spoortje en ik zou tot een bewezenverklaring zijn gekomen. Ik pak alle puzzelstukjes, schuif ze in elkaar, interpreteer het geheel en dat levert [opgeteld] mijn overtuiging op.’
Een klein deel van de rechters ziet, overeenkomstig een deel van de officieren van justitie, het element overtuiging in het bewijsrecht als een oordeelsruimte op basis van common sense. Zo haalt een rechter een voorbeeld aan van een meervoudige moordzaak die hij zelf als lid van de raadkamer had behandeld en waarbij de verdachte werd veroordeeld, maar waarin in hoger beroep het gerechtshof vervolgens de verdachte vrijsprak. Deze rechter begrijpt dit als het gevolg van een verschil in beoordelingswijze, waarbij niet met zekerheid vastgesteld zou kunnen worden welke afweging de juiste is. Opvallend daarbij is dat hij vindt dat binnen zijn eigen afdeling op dergelijke twijfelgevallen geanticipeerd moet worden. Hij is van mening dat rechters geselecteerd moeten worden op de mate waarin ze ‘het sprongetje durven maken naar een bewezenverklaring’. In zijn optiek dienen rechters niet uitsluitend op direct bewijs af te gaan maar in beginsel ook bereid te zijn een bewezenverklaring te baseren op een waarschijnlijk scenario. De rechter dient zich met andere woorden met een probabilistische beoordeling van bewijs bezig te houden (vgl. Skolnick, 1966; Schauer, 2013) volgens deze opvatting.
‘Per saldo was er toch te veel onzekerheid [voor het gerechtshof] en was het misschien toch iemand anders. Er werden allerlei andere mogelijke daders en rookgordijnen opgeworpen [door de verdediging] en kennelijk was er onvoldoende zekerheid om die scenario’s te kunnen verwerpen. Dan blijft een te grote waaier aan mogelijkheden over om te kunnen veroordelen. Dat begrijp ik best wel. Zo’n afweging maken is echt mensenwerk. Dat vergt wel dat je goed kijkt naar de samenstelling van de [meervoudige] kamer. Je hebt een goede mix nodig, niet drie beginnelingen. Niet iemand waarvan je weet die veroordeelt alleen maar bij een smoking gun. Ik overdrijf een beetje, maar kijk goed naar de samenstelling en dat het ook mensen zijn die het sprongetje durven maken naar een bewezenverklaring.’
Opmerkelijk tot slot, is de overtuiging van een geïnterviewde rechter dat opvattingen van collega’s over bewijsbeoordeling beïnvloed zouden worden door de manier waarop strafadvocaten hun werk doen:
‘Bewijsmiddelen neem je altijd in samenhang. Je voegt stukjes uit bewijsmiddelen toe en zo ontstaat het totaalplaatje: dat is je overtuiging. Dat is het werk van de rechter. Je stelt niks vast, bent niet pas tevreden wanneer je de echte waarheid boven tafel hebt, maar reconstrueert wat er is gebeurd en als je daardoor voldoende overtuigd raakt, dan veroordeel je. Wat advocaten sinds jaar en dag proberen is bewijs uit elkaar te rafelen. Ze pakken de ene verklaring na de andere, of een technisch stukje bewijs en proberen dat te ontkrachten. Dan zeggen ze: “Kijk, dat deugt niet. Dat halen we weg. Dat stukje deugt niet, halen we ook weg. En rechter, nu houd je maar één stukje over en dat is echt niet genoeg.” Ik merk bij jonge rechters de laatste tijd de neiging om daarin te ver te gaan en dan doe je geen recht aan de hele zaak. (…) Dat heeft te maken met een gebrek aan ervaring en dat ze zich nog niet realiseren dat het een variant is van manipulatie. Immers, het [bewijsmateriaal] zit wel allemaal in het dossier.’