Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/138
138 De continue stijging van de bezoldiging van bestuurders
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS369053:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Voor een overzicht van de trends in het bezoldigingsniveau in de VS, zie Frydman & Jenter 2010. Frydman en Jenter laten zien dat tussen 1935 en de jaren ’70 de bezoldiging van bestuurders gematigd was en er bijna geen stijgende trend is waar te nemen. Na 1970 begon de bezoldiging aan een continue groei. Gedurende de jaren ’90 groeide de mediaan van de bezoldiging van bestuurders jaarlijks met ongeveer 10%: van $2.3 miljoen in 1992 tot $7.2 miljoen in 2001. Uit onderzoek van het Centraal Plan Bureau blijkt dat de gemiddelde bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen in Nederland tussen 1999 en 2005 jaarlijks met 9% toegenomen is, terwijl de gemiddelde toegevoegde economische waarde en winst gedurende dezelfde periode niet zijn toegenomen. Volgens het CPB kan 4,8% van de 9% verklaard worden door zaken als inflatie, toename in schaalomvang en toename in leeftijd. De overige jaarlijkse toename van 4,2 % kan niet worden verklaard. Zie B. Straathof, S. Groot en J. Möhlmann, Hoge bomen in de polder: Globalisering en topbeloningen in Nederland, CPB, nr. 199, februari 2010 (hierna: CPB 2010).
De fakkeldragers van deze stroming zijn onder andere Kevin Murphy en Steven Kaplan (zie ook Fama, Jensen, Zabojnik, Gabaix, Landier etc.).
De prominenten van de stroming zijn onder andere Bebchuk & Fried 2004. Zie tevens Elson & Ferrere 2012.
Zie Jordan Otten voor een overzicht van de verschillende theorieën: Otten 2007. Zie ook Dorff 2014, hoofdstuk 4: Market Mythology, waar hij de diverse theorieën bespreekt en afserveert.
In de wetenschappelijke discussie zijn de meningen verdeeld over de vraag of bestuurders te veel betaald krijgen of niet. De discussie concentreert zich voornamelijk op de sinds de jaren ’70 ingezette continue stijging van bestuurdersbeloningen die zowel in de Verenigde Staten als in Nederland en de hem omringende landen plaatsvindt.1
Aan de ene kant van het spectrum bevinden zich wetenschappers met een financieel-economische achtergrond die van mening zijn dat de huidige beloningsniveaus een resultante zijn van de werking van de markt en dat ze – enkele uitzonderingen daargelaten – gerechtvaardigd zijn.2 Aan de andere kant bevinden zich wetenschappers met diverse achtergronden die van mening zijn dat alle bestuurders – behoudens enkele uitzonderingen – structureel overbetaald worden en er wel degelijk sprake is van een probleem.3
Er zijn diverse theorieën die in meer of mindere mate een rol spelen met betrekking tot de hoogte van de bezoldiging van bestuurders.4 In de wetenschappelijke discussie over de continue stijging van de bezoldiging van bestuurders nemen twee theorieën een dominante plaats in: (i) de ‘optimaal contracttheorie’ en (ii) de ‘managerial powertheorie’. In beide theorieën staat de totstandkoming van de bezoldiging centraal.