Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/2.3.3.2
2.3.3.2 Definitieve bewijsbeslissing en asymmetrie ten voordele van verdachte
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Nijboer 2011, § 10.4.2.
Wel bestaat in veel stelsels de mogelijkheid tot herziening van een strafzaak op het moment dat sprake is van een nieuw feit.
Het staat een wetenschapper immers vrij om, indien gegevens opduiken die nopen tot herinterpretatie van zijn eerdere bevindingen, zijn conclusies aan te passen. Zie meer uitvoerig Nijboer 2011, § 1.3.2.
Zie op dit punt (lites finiri oportet) uitvoeriger Crijns 2008, p. 29 e.v.
Een jury in Anglo-Amerikaanse stelsels heeft de keuze uit ‘guilty or not guilty’.
Broeders 2005, p. 14. Zie ook Ho 2008, p. 66.
Hij zal echter niet zeggen dat de verdachte het strafbare feit niet heeft gepleegd.
Zie over de bewijsstandaarden meer uitvoerig § 4.2.5.
Nijboer 2011, § 1.3.3; Laudan 2006, p. 136.
Nijboer 2011, § 1.3.3.
Laudan 2006, p. 123. Laudan baseert zijn analyse op de bewijsregels zoals die gelden in de Verenigde Staten. Zoals in hoofdstuk 4 nog duidelijk zal worden hebben de bewijsregels in Anglo-Amerikaanse stelsels een iets andere functie dan in continentale stelsels zoals het Nederlandse.
Het adagium van Blackstone luidde: ‘Better that ten guilty persons escape, than that one innocent suffers’. Zie over de relatie met de onschuldpresumptie Van Sliedregt 2009, p. 21-22.
Zie voor een bespreking Volokh 1997, p. 173-211.
Als verschil met andere domeinen van kennisverwerving wordt ook wel genoemd de finaliteit van het uiteindelijke oordeel en de verplichting om binair te beslissen.1 De rechter moet een oordeel geven. Dit oordeel is bindend en zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan in beginsel definitief.2 Anders dan in de wetenschap waar bevindingen in beginsel voorlopig zijn,3 moet een strafzaak op een zeker moment tot een einde komen.4 De rechter heeft daarbij maar twee opties: ofwel hij verklaart het feit bewezen ofwel hij spreekt vrij.5 Zoals we in § 2.3.2.2 zagen is deze beslissing gebaseerd op een inductieve redenering. Mede daarom is het voor de rechter onmogelijk om een dwingende conclusie te trekken over de juistheid van hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd. Er wordt van hem echter wel een categorische beslissing verwacht.6 De rechter spreekt zich namelijk niet uit over hoe waarschijnlijk het is dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, maar oordeelt – in geval van een positieve bewijsbeslissing – dát de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd.7 Het (impliciete) waarschijnlijkheidsoordeel wordt omgezet in een categorisch oordeel.
De rechter dient in elke zaak een bindend oordeel te geven. Hij moet uitspraak doen en het tenlastegelegde feit al dan niet bewezen achten. Kenmerkend voor bewijzen in het strafproces is dat twijfel wordt beslecht ten gunste van de verdachte (in dubio pro reo). Er wordt een hoge bewijsstandaard aangelegd. Zo mag de rechter in veel continentale rechtsstelsels pas tot een bewezenverklaring komen indien hij overtuigd is van de juistheid van het ten laste gelegde. In het Anglo-Amerikaanse recht geldt de eis van beyond reasonable doubt, wat betekent dat in geval van redelijke twijfel moet worden vrijgesproken.8 Kenmerkend voor het strafproces ten opzichte van andere rechtsgebieden is in dit opzicht wat Nijboer noemt het ‘asymmetrisch beslissingsprincipe’ of wat Laudan bestempelt als de pro-defendant bias.9 Beiden betogen (vrij vertaald) dat in het strafrechtelijk bewijsstelsel een asymmetrie tot uitdrukking wordt gebracht ten voordele van de verdachte. Zo laat Nijboer aan de hand van de overtuigingseis en de eis dat strafuitsluitende omstandigheden slechts aannemelijk behoeven te zijn om veroordeling te verhinderen, zien dat in geval van redelijke twijfel de verdachte het voordeel van de twijfel krijgt (in dubio pro reo).10 Laudan gaat uit van eenzelfde vooronderstelling. Hij stelt dat waar het de distributie van fouten betreft, men in het strafrecht de voorkeur geeft aan de vrijspraak van schuldigen (vals negatieven) boven de veroordeling van onschuldigen (vals positieven). Dit vanuit de gedachte ‘beter tien schuldigen op vrije voeten, dan één onschuldige in de cel’. In zijn optiek is de (impliciete) functie van veel Anglo-Amerikaanse bewijsregels, zoals de bewijsstandaard beyond reasonable doubt, het verschuiven van de balans tussen vals positieve beslissingen en vals negatieve beslissingen ten voordele van die laatste, ook als dit ten koste gaat van de accuratesse van rechterlijke uitspraken in zijn algemeenheid.11 Deze asymmetrie zien we ook terug in het denken over rechterlijke dwalingen: aan het veroordelen van onschuldigen wordt binnen het strafrecht zwaarder getild dan een vrijspraak van een mogelijk schuldig persoon. De verhouding tussen het aantal vals negatieven en vals positieven wordt in de literatuur aangeduid als de Blackstone-ratio (naar Engelse jurist William Blackstone).12 Blackstone noemde zelf een numerieke verhouding van 10:1, maar dit is onderwerp van veel debat.13 De onderliggende gedachte is echter helder: het veroordelen van onschuldigen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen, hetgeen zijn weerslag vindt in het bewijsrecht.