Einde inhoudsopgave
Vijandige overnames (IVOR nr. 79) 2010/3.5
3.5 Afsluitende opmerkingen
mr. M.J. van Ginneken, datum 23-11-2010
- Datum
23-11-2010
- Auteur
mr. M.J. van Ginneken
- JCDI
JCDI:ADS614099:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Moore (2006), p. 870-872 en 881.
Dit in de woorden van rechters zelf, zie o.a. Allen, Jacobs & Strine (2002a), p. 1079, Allen (2003), p. 561-562. Zie ook Veasey (2003), p. 1015-1016 (` Current Delaware law does not fully accommodate either a shareholder choice or a management discretion regime.').
Lipton stelt dan ook in 2005 dat wat hem betreft het pleit is beslecht. Zie Lipton (2005), p. 1369. Zie ook Moore (2006), waar hij beschrijft hoe het Delaware Supreme Court heel veel van het standpunt van Lipton heeft overgenomen. Zie echter Allen & Strine (2005), p. 1392-1394, die stellen dat de juridische slag misschien heeft gewonnen, maar dat zijn visie op beursvennootschappen (de Insitutionalist View) door andere (economische) ontwikkelingen uiteindelijk niet heeft stand gehouden en heeft verloren van de Finance View
Zie o.a. Loewenstein (2001), Kahan (1994), p. 586, Gilson & Kraakman (1989), p. 249 en Gilson & Kraakman (2005), p. 1428-1429.
Zie Allen, Jacobs & Strine (2002a), p. 1080.
Zie 60 The Business Lawyer 1369 (2005), met bijdragen van Lipton (2005), Allen & Strine (2005), Balotti, Varallo & Czeschin (2005), Gilson & Kraakman(2005), Stout (2005) en Atkins (2005).
Zie Gilson (2001b), Lipton & Rowe (2001), Gilson (2002) en Lipton (2002).
Zie o.a. Bebchuk (2002), Bebchuk (2003a) en Bebchuk (2005a), Bebchuk (2005b) en Bebchuk (2006). Daarnaast zijn er ook nog nieuwe deelnemers aan de discussie. Met name Bainbridge is een grote en invloedrijke medestander van Lipton geworden. Zie o.a. Bainbridge (2002a), Bainbridge (2003a) en Bainbridge (2006c).
Zie voor een overzicht van de director primacy/shareholder primacy discussie o.a. Coates (2001), p. 1326. Zie ook Dent (2008), die binnen de traditionalists nog twee kampen onderscheid, aanhangers van board primacy en van het team production model. Hij stelt dat er geen sprake is van board of shareholder primacy, maar van CEO primacy. Zie voor een overzicht van de discussie uit de jaren '80 Romano (1992).
Zie Allen, Jacobs & Strine (2002a), p. 1071-1072 die spreken over de Property Model, waarbij een vennootschap uitsluitend de belangen van haar huidige aandeelhouders moet dienen, en de Entity Model, waarbij de vennootschap langetermijn waarde dient te creëren, ongeacht of dat in het belang is van haar huidige aandeelhouders. Zie over dit onderscheid al Allen (1992), p. 264-266. Zie ook Allen & Strine (2005), die in gelijke zin spreken over de Finance View en de Institutionalist View.
Zie Lipton (2002), p. 1037 en 1054.
Zie ook Gilson (2001b), p. 500-501 en Strine (2002), p. 877.
Lipton vindt de huidige balans in het ovemamerecht van Delaware de juiste. Enerzijds geeft de poison pull de board van de doelvennootschap voldoende tijd en invloed over het proces. Anderzijds biedt een proxy contest die door een bieder kan worden gelanceerd een veiligheidsklep op dit systeem. De poison pull en een proxy contest zorgen voor een perfecte balans tussen de bieder en de doelvennootschap. Tegen een overnamebod kan een board niet `nooit' zeggen, maar het kan wel 'nee' zeggen teneinde voor aandeelhouders de beste transactie te bewerkstelligen. Zie Lipton (2002), p. 1054. Zie ook positief Gordon (2002) die stelt dat de huidige praktijk prima in evenwicht is. Staggered boards zorgen ervoor dat poison pills daadwerkelijk effectief werken.
Strine stelt dat substantive coercion en proxy contests de twee pijlers zijn waar het ovemamerecht van Delaware op rust. Teneinde te voorkomen dat aandeelhouders worden misleid en ten onrechte hun aandelen verkopen (substantive coercion) mogen boards beschermingsmaatregelen zoals de poison pin nemen. De mogelijkheid van een proxy contest, een zogenoemde proxy out, zorgt ervoor dat deze bevoegdheid niet ongebreideld is. Deze beide concepten hebben de hoeveelheid poison pull litigation verminderd en overnamegevechten verschoven naar verkiezingen van directors. Zie Strine (2002), p. 877. Zie ook Millstone (2005), p. 5. Er is veel kritiek op deze jurisprudentie en er is ook een groot aantal alternatieve voorstellen ontwikkeld voor de huidige jurisprudentiële lijn in Delaware. Zie o.a. Regan (2001), Gilson (2001b), Bebchuk (2002), Bebchuk (2005a), Bebchuk (2006), Bebchuk, Coates & Subramanian (2002a), Thompson & Smith (2001), Gilson & Kraakman (2002), Parades (2003) en Black & Kraakman (1996).
Zie Allen, Jacobs & Strine (2002a), p. 1072. Zie ook Stout (2003b), p. 689.
Veasey (2003), p. 1011. Zie ook Kanda (2004), p. 68: '... there is so much debate among commentators that opinions are quite divided among reasonable people.' En '... normative arguments in academie literature about what measures should be legally permitted or prohibited as takeover defenses, and to what degree, are hopelessly split in the United States, and no one can even discem the dominant view'
Veasey (2003), p. 1011, waarbij hij verwijst naar een soortgelijke parafrase van Stout (2003b), p. 689.
De in dit hoofdstuk beschreven standpunten van Lipton en zijn tegenstanders raken aan een van de kernvragen van het vennootschapsrecht: wie bepaalt de uitkomst van vijandige overnames, de vennootschapsleiding of aandeelhouders (‘who decides')? Het Delaware Supreme Court heeft zich in 1985 in het debat gemengd. De rechters waren zich bij de Unocal uitspraak zeer bewust van de discussie in de literatuur en van het feit dat zij deze met hun uitspraak in feite moesten beslechten.1 Men heeft in zekere zin een middenweg gekozen. Geen van de partijen heeft volledig gelijk gekregen.2 Wel moet worden geconcludeerd dat de voorstanders van een prominente rol voor de board duidelijk hebben gewonnen.3 De passiviteitsgedachte is onmiskenbaar afgewezen. Daarbij heeft het Delaware Supreme Court niet alleen de strikte passiviteit van Easterbrook & Fischel afgewezen, maar ook de iets gematigdere variant zoals bepleit door Gilson en Bebchuk. Beschermingsmaatregelen, waaronder de zeer effectieve poison pill, zijn in de VS toegestaan, en de board heeft een ruime bevoegdheid om deze maatregelen ook daadwerkelijk te nemen. Maar ook Lipton heeft niet volledig zijn zin gekregen. De bevoegdheid om beschermingsmaatregelen te nemen is immers enigszins ingeperkt. Deze beslissingen vallen niet automatisch onder de business judgment rule, maar worden onder een striktere standaard beoordeeld. Bovendien heeft het Delaware Supreme Court geoordeeld dat deze standaard niet geldt in Revlon-situaties. Desondanks zal Lipton tevreden zijn. Aan de striktere standaard moet niet al te zwaar worden getild. Mede gezien de latere invulling in de rechtspraak, is het voor een board in de praktijk niet al te moeilijk om aan de redelijkheids- en proportionaliteitstoets van Unocal te voldoen.4 Unitrin kan worden gezien als een bevestiging van de Unocol-uitspraak en een behoorlijk versteviging van de daaraan ten grondslag liggende gedachten over de rol van de board. Bovendien is geoordeeld dat de Revlon-norm, die de bewegingsvrijheid voor de board inperkt, slechts op een beperkt aantal situaties van toepassing is.5
Met de uitspraken van het Delaware Supreme Court uit 1985 is het debat tussen voor- en tegenstanders van een actieve rol van de vennootschapsleiding bij vijandige overnames niet geëindigd. De discussie is onverminderd doorgegaan en duurt tot de dag van vandaag in alle hevigheid voort. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de bijdragen aan een symposium dat in 2005 werd gehouden ter gelegenheid van het feit dat Lipton de discussie 25 jaar daarvoor met de publicatie van zijn beroemde artikel `Takeover Bids in the Boardroom' was begonnen.6 De meeste deelnemers aan de discussie van het eerste uur spelen nog steeds een invloedrijke rol. Zo hebben Gilson en Lipton in 2002 in vier artikelen een polemiek gevoerd over de juistheid van de Unocal beslissing en de jurisprudentie van het Delaware Supreme Court7 en heeft Bebchuk de laatste jaren in een voortdurende stroom artikelen zijn oude standpunten nog eens kracht bijgezet.8 De discussie blijft in de kern dezelfde en wordt langs dezelfde lijnen voortgezet die destijds door Lipton, Easterbrook & Fischel, Gilson en Bebchuk zijn uitgezet, hetgeen door de deelnemers zelf uitdrukkelijk wordt onderkend. Er bestaat nog steeds een klassieke tweedeling tussen twee kampen, met aan de ene kant de aanhangers van 'board primacy', ook wel `traditionalists' genoemd, en aan de andere kant de aanhangers van `shareholder primacy'.9 Het gaat uiteindelijk om een fundamenteel verschil van inzicht over het doel van de vennootschap. Tussen een beperkte, aandeelhouders-gerichte opvatting over de vennootschap en een bredere opvatting over de vennootschap. Bij deze laatste opvatting spelen meer belangen dan alleen de belangen van aandeelhouders.10
Toch zijn wel verschuivingen waar te nemen. De discussie gaat bijvoorbeeld niet meer zozeer over de legitimiteit van de poison pull, maar over de vraag of aandeelhouders voorstellen kunnen doen om de by-laws te wijzigen, waardoor het gebruik van de poison pill aan banden wordt gelegd. Vaak wordt gesteld dat deze kampen de vraag `who decides' op geheel verschillende wijze beantwoorden. De klassieke opvatting is dat board primacists vinden dat de board moet beslissen (volledig beschermd door de business judgment rule) en dat shareholder primacists vinden dat aandeelhouders moeten beslissen (hetgeen passiviteit van de board inhoudt). Dat was begin jaren '80 wellicht zo, maar het ligt nu iets genuanceerder. Het is niet meer absoluut vóór boards en tegen aandeelhouders. Ook Lipton stelt dat uiteindelijk aandeelhouders beslissen; er is dus wel degelijk `shareholder choice'. Alleen gaat de beslissing in zijn visie via verkiezingen en niet via het accepteren van een tender offer. Als board ter afwering van een vijandig bod een poison pill in stelling brengt, en aandeelhouders daarmee ontevreden zijn, dan moeten ze de board via een proxy contest ontslaan.11 Partijen zijn het in wezen dus eens dat boards overnames niet tot in het oneindige kunnen tegenhouden. Het gaat er nu in feite om voor welke safety valve wordt gekozen, proxy contests of tender offers.12 De positie van het Delaware Supreme Court lijkt ook op dit punt het meeste op dat van Lipton.13 Deze positie houdt in feite in een voorkeur voor verkiezingen als safety-valve. De board mag heel ver gaan met het nemen van beschermingsmaatregelen, maar mag een verkiezingstrijd niet illusoir maken.14 Ondanks deze toenadering zullen beide kampen het nooit helemaal eens worden. Men praat voor een groot deel langs elkaar heen, aldus ook een aantal rechters van het Delaware Chancery Court.15 Voormalig Chief Justice van het Delaware Supreme Court Veasey beschrijft de discussie als `.. an extraordinary symphony, with half the orchestra playing in A major and the other half playing simultaneously in B-flat minor... It fans to the Delaware courts to articulate and apply economically coherent resolutions on a case-by-case basis.' 16 Hij parafraseert de beroemde uitspraak van Winston Churchill over democratie: `... the Delaware model may be inadequate — except when compared to all the alternatives.' 17