Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.4.2:5.4.2 Minderjarige en jeugdige delinquenten
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.4.2
5.4.2 Minderjarige en jeugdige delinquenten
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200828:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Slechts een klein deel van de geïnterviewde officieren had recente ervaring met jeugdzaken. Echter, meerdere van hen zeggen vaak ontevreden te zijn met door de kinderrechter opgelegde sancties. De kritiek heeft betrekking op het optreden van de kinderrechter in individuele gevallen: soms zou steviger op recidive gereageerd moeten worden, ook bij minderjarigen. Daarnaast zou de rechter beter in staat moeten zijn om onderscheid te maken tussen verschillende typen minderjarige verdachten. Evenals politiemensen verwijten ook officieren van justitie de kinderrechter gebrek aan inzicht in het feit dat bij minderjarige verdachten soms sprake is van ‘leidersfiguren’ en ‘doorgewinterde crimineeltjes’.
‘Ik doe incidenteel jeugdzittingen. Ik loop daar ook wel tegenaan: ik vind de straffen die worden opgelegd aan minderjarigen te laag. Je moet terughoudend zijn bij een first offender, maar je ziet juist bij de jeugd bepaalde gevallen zo vaak terugkomen, daar kun je de gedachte van heropvoeden zoals dat leeft in het jeugdstrafrecht toch iets eerder loslaten dan bij 18 jaar.’
Overeenkomstig de opvatting van politiemensen menen ook sommige officieren van justitie dat de rechter zich bij een first offender niet tot het (vaak blanco) strafblad zou moeten beperken bij de straftoemeting. De rechter zou ook moeten kijken naar andere informatie, zoals over eerdere opsporingsonderzoeken, eerdere politiecontacten en het gedrag van de verdachte. Informatie die vaak wordt aangeduid als ‘contextinformatie’ en door de officier tijdens het requisitoir kan worden vermeld, maar ook door de politie in een proces-verbaal kan worden aangeleverd.
‘Als officier breng je zoveel informatie in, maar die wordt door rechters heel mild beoordeeld. Ze maken onvoldoende onderscheid tussen jongeren die grenzen opzoeken of erbij willen horen [en criminele jongeren]. De eerste categorie jongens moet je niet afstraffen, die moet je begeleiding geven of gewoon zeggen dat ze het niet meer moeten doen. Maar een jongere die al verhard is en waarvan je weet, die is er al een aantal keren goed mee weg gekomen, daar gaan [rechters] hetzelfde mee om en zeggen dat ook: “Jou gaan we eerst nog maar eens op de vingers tikken.” Maar in die gevallen is waarschuwen dat ze het niet meer moeten doen niet meer gepast, want bij hen loopt het helemaal uit de hand.’
Een officier vertelt dat ze eerder als jeugdofficier had gewerkt en destijds ‘afknapte’ omdat het jeugdrecht volgens haar in een deel van de gevallen niet goed functioneert. Ze is daarom gestopt als jeugdofficier. Volgens haar is het ‘pedagogische’ uitgangspunt van de kinderrechter wel juist, maar zou de kinderrechter te weinig oog hebben voor gevallen die het stadium van ‘behandeling of begeleiding van de jeugdreclassering al ver voorbij zijn’. Met name gevallen waarin de rechter geen vrijheidsbeperkende maatregel oplegde aan een recidivist maar bijvoorbeeld een taakstraf, achtte zij niet langer acceptabel. Evenals door veel politiemensen (zie hoofdstuk 4) wordt door deze officier verwezen naar het isolement waarin veel rechters zouden verkeren.
‘Ik zie ook een enorme naïviteit. Toen ik nog jeugdzaken deed knapte ik af. Jeugdigen wil je niet vastzetten maar bij wijze van spreken heropvoeden. (…) Ik heb zelf kinderen en die geef je niet zes laatste kansen. Deze rechters deden dat wel elke keer. Ik zag veel jongeren zo vaak langskomen en weer een laatste kans krijgen dat ik dacht: “Laat maar, ik wil hier niet meer aan meewerken.” Dat ging over overvallen, straatroven, dat soort dingen. Die laatste kans had de verdachte het jaar daarvoor al gekregen, weet je nog?’
Regelmatig wordt tijdens interviews genoemd dat minderjarigen de politie na afloop van een strafzaak provoceren met de voor hen gunstige uitkomst daarvan. Soms ook wordt de frustratie over het optreden van rechters bij de politie en de officier van justitie gevoed door informatie die binnenkomt via de ‘telefoontap’.
‘Het was een keer zo, tijdens een onderzoek liepen er telefoontaps. Toen was een minderjarige jongen door de kinderrechter vrijgelaten en je hoorde over de tap die jongens tegen elkaar zeggen: “Ja, de rechter is er weer lekker ingetrapt.” Dat steekt bij de politie, die denken dan echt dat het een Mickey Mouse club is waar ze hun zaken moeten aanbrengen. Ik vind het zelf ook verschrikkelijk.’
Ook de bejegening van de jeugdige verdachte door de rechter leidt soms tot frustratie bij zowel politie als officier van justitie. Aan die frustratie lijkt dan een gemeenschappelijke behoefte ten grondslag te liggen om het gezag te herstellen (zie ook hoofdstuk 4). Rechters voorzien hier vaak helemaal niet in, zo meent een officier:
‘Criminele jeugdgroepen, dat is iets dat er erg in hakt. Ze opereren vaak in een specifieke wijk. Jongens van 16-17 jaar zijn al door de wol geverfd en komen vaak niet voor de eerste keer voor. De leidersfiguren in zo’n groep zijn al doorgewinterde crimineeltjes. Als je dan als agent op zitting zit en je hoort zo’n rechter zeggen: “Je zat toen de hele nacht op het politiebureau en hoe voelde jij je toen?” Dan kun je als politie wel inpakken. Zelfs al volgt dan [plaatsing in een jeugdinrichting], dat beeld zet je bij politie, ouders en die jongere niet meer recht.’
Sommige officieren van justitie vinden dat kinderrechters zich te sterk identificeren met hun pedagogische rol. Deze kinderrechters zouden in vrijwel geen enkele zaak aan ‘stevig afstraffen’ denken. Daarbij zou het ‘perspectief’ van kinderrechters tekort schieten. Hoe de verdachte zich in het ‘echte leven’ gedraagt, zou de rechter niet kunnen of willen weten. Ook zouden minderjarige verdachten anticiperen op de als overdreven vriendelijk ervaren behandeling van kinderrechters.
‘Ze lijken zich verplicht te voelen alle zaken vanuit de oriëntatie van een kinderrechter te moeten behandelen. Misschien moeten ze wat vaker rouleren of moeten ze niet alleen jeugdzaken doen. Ik zou graag iets minder de houding hebben: “Mohammed, we zijn blij dat je gekomen bent.” Het zit ook in de bejegening. Als officier krijg je van de politie vaak te horen hoe brutaal [sommige verdachten] in de omgang zijn en hoe ze zich op straat gedragen. De timide houding op zitting mag beter doorgeprikt worden. Ik kan me ook best voorstellen dat rechters vaker [met de politie] gaan meelopen op straat.’