Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/372
372 De soepele benadering
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS365380:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Van Slooten & Zaal 2008, casus 4.
Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 251. Hij maakt overigens onderscheid tussen het ontbreken van een bezoldigingsbeleid in welk geval ieder bezoldigingsbesluit nietig is en een bezoldigingsbesluit dat afwijkt van het bezoldigingsbeleid, welke besluit niet snel nietig is. Zie de kritiek daarop van Huizink 2015, nr. 14.
Art. 2:135 lid 5 BW behelst een goedkeuringsbepaling ten aanzien van besluiten van de RvC over variabele beloningsvormen die rechtstreeks op aandelen en/of opties gebaseerd zijn. Deze goedkeuringsbepaling ziet dus niet op virtuele op aandelen of opties gebaseerde variabele beloningsvormen zoals Stock Appreciation Rights of Phantom Stocks. In de regel zullen dergelijke variabele beloningsvormen vallen onder de lange termijn variabele beloningsvormen (LTI’s) vanwege het lange termijn karakter van optie- en aandelenplannen. Zie ook Verburg 2015, p. 70; Verburg 2011; Lokin 2014; Lemmers 2014.
Overigens merkt De Groot op dat onder het goedkeuringsrecht niet alle optie- en aandelenregelingen vallen. Volgens hem ziet art. 2:135 lid 5 BW niet op opties tot het verkrijgen van aandelen die de vennootschap aan de bestuurders overdraagt uit aandelen die zij zelf in haar kapitaal houdt. De Groot 2005, p. 468. Deze gedachte is volgens hem gerechtvaardigd nu art. 2:383d BW expliciet spreekt van rechten tot het nemen of verkrijgen van aandelen, terwijl art. 2:135 lid 5 BW slechts spreekt over rechten tot het nemen van aandelen.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 329 sub d. Zie ook Groffen, de Monchy & Schoonbrood 2004, p. 25; Van Slooten & Zaal 2008, casus 4. Bulten 2014, p. 115. Anders: Van Veen 2005, p. 209; Verburg 2015, p. 73.
Meijer-Wagenaar stelt overigens ook dat wanneer het bezoldigingsbeleid niet in acht is genomen en er toch een besluit wordt genomen, er naar haar mening wel geldig vertegenwoordigd is vergelijk art. 2:135 lid 4 BW (het huidige art. 2:135 lid 5 BW). Volgens haar is het besluit dat in strijd is met het bezoldigingsbeleid echter alsnog nietig wegens strijd met de wet. Meijer-Wagenaar 2006, p. 687.
Bulten 2014, p. 115.
Kamerstukken I, 28 179, 2003-2004, B (MvA), p. 15/16. Anders: Bennaars 2015, p. 182.
Bulten stelt zelfs dat dit geldt voor zowel een besluit dat in strijd is met het beleid als een besluit terwijl het beleid geheel ontbreekt. Bulten 2014, p. 115.
Van Slooten & Zaal 2008, casus 4.
Naar het oordeel van aanhangers van de meer soepele benadering van art. 2:135 BW is de sanctie nietigheid lastig te verenigen met de termen ‘beleid’ en ‘met inachtneming van’ in art. 2:135 BW. Beide termen impliceren immers een afwijkingsmogelijkheid, aldus Van Slooten en Zaal.1 Ook Dortmond zou willen verdedigen dat een besluit dat strijdig is met zoiets vaags als ‘beleid’ niet snel nietig is.2
Daarnaast wijzen diverse auteurs die voor de meer soepele benadering kiezen op de slotzin van art. 2:135 lid 5 BW.3 Daarin is opgenomen dat het ontbreken van de goedkeuring van de algemene vergadering voor regelingen die betrekking hebben op het bezoldigen met aandelen en opties de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het op grond van art. 2:135 lid 5 BW bevoegde orgaan niet aantast.4 Een soortgelijke regeling ontbreekt in art. 2:135 lid 4 BW. Van Solinge & Nieuwe Weme zijn desalniettemin van mening dat het in strijd met het bezoldigingsbeleid vaststellen van andere bezoldigingselementen dan aandelen en opties, de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het tot vaststelling bevoegde orgaan evenmin aantast.5 Evenals Van Slooten en Zaal vinden zij, dat de slotzin van art. 2:135 lid 5 BW analoog van toepassing is op het vaststellen van een bezoldiging dat in strijd is met het bezoldigingsbeleid.6 Deze gedachte wordt voornamelijk gevoed, doordat – zoals Bulten aangeeft – het voorstel van lid 5 een specifiek onderdeel van het meer algemene bezoldigingsbeleid betreft.7 Het voorstel heeft immers betrekking op het geaggregeerde niveau en niet op een regeling voor een individuele bestuurder.8 De slotsom van de soepele benadering is derhalve dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het daartoe bevoegde orgaan intact blijft, ook al is de vastgestelde bezoldiging niet in overeenstemming met het bezoldigingsbeleid.9 De vennootschap is aan de bezoldiging gebonden. Ter onderbouwing van deze gedachte wordt erop gewezen dat, indien de algemene vergadering van oordeel is dat het desbetreffende orgaan zijn bevoegdheden heeft overschreden, de algemene vergadering uiteraard wel andere sanctiemogelijkheden ter beschikking staan, zoals schorsing, ontslag, aansprakelijkheid en wanbeleid. Wanneer de algemene vergadering wil voorkomen dat individuele bezoldigingsbesluiten worden genomen in strijd met het bezoldigingsbeleid, zal ze deze bevoegdheid niet moeten delegeren.10