Wijziging van beperkte rechten
Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/4.3.5:4.3.5 Eerst vuistpandrecht, daarna vuistloos pandrecht
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/4.3.5
4.3.5 Eerst vuistpandrecht, daarna vuistloos pandrecht
Documentgegevens:
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254159:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
526. De laatste mogelijkheid in het kader van een botsing van pandrechten is die tussen een eerste vuistpandrecht en een tweede vuistloos pandrecht. Het verschil met de vorige paragraaf is dat in dit geval niet van begin af aan het tweede pandrecht een vuistpandrecht is.
527. In de eerste plaats moet voor bescherming het tweede vuistloze pandrecht worden omgezet in een vuistpandrecht. Op grond van art. 3:237 lid 3 BW is de pandhouder bevoegd te vorderen dat de zaak in zijn macht of in die van een derde wordt gebracht als de pandgever in zijn verplichtingen tekortschiet of goede grond geeft te vrezen dat hij in die verplichtingen gaat tekortschieten. Twee situaties moeten worden onderscheiden. De zaak bevindt zich ofwel bij de pandhouder ofwel bij een derde, die het goed houdt voor de pandhouder. Omzetting zal niet plaatsvinden doordat het pandobject wordt afgegeven aan de tweede pandhouder (of een derde). Het goed bevindt zich immers niet bij de pandgever en de eerste pandhouder (of een derde) zal (doorgaans) niet (zomaar) meewerken aan afgifte van het pandobject.
528. Vergelijkbaar met de in de vorige paragraaf besproken situatie is denkbaar dat de (eerste) vuistpandhouder later een rol krijgt bij de omzetting van een tweede vuistpandrecht. Bij de omzetting van het tweede pandrecht wordt de eerste pandhouder bijvoorbeeld de derde die ervoor zorgt dat de zaak in de macht van de tweede pandhouder komt.1 Op grond van art. 3:237 lid 2 BW is de pandgever verplicht in de akte te verklaren hetzij dat op het goed geen beperkte rechten rusten, hetzij welke rechten op het goed rusten. Ik verwijs voor het invullen van de goede trouw naar paragraaf 4.3.2 en 4.3.4.