Tegen deze verontschuldigbare termijnoverschrijding richt zich het eerste middel, zie ook onder randnummer 16.
HR, 27-05-2025, nr. 23/01955
ECLI:NL:HR:2025:800
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-05-2025
- Zaaknummer
23/01955
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Fiscaal strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:800, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑05‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:457
ECLI:NL:PHR:2025:457, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑04‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:800
- Vindplaatsen
Uitspraak 27‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Economische zaak. Opzettelijk voeren van ondeugdelijke administratie (art. 69.1 AWR) en (medeplegen) opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting eenmanszaak, meermalen gepleegd (art. 69.2 AWR). Hof heeft verdachte n-o verklaard in hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408.1.b Sv. 1. Beroep op verontschuldigbare termijnoverschrijding. Kon hof oordelen dat termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is, nu verdachte in eerste aanleg zonder rechtsbijstand is verschenen? 2. Verzuim te beslissen op (voorwaardelijk) verzoek tot schorsing van onderzoek ttz. ten behoeve van opmaken van p-v van tz. in e.a. HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01955
Datum 27 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 mei 2023, nummer 23-002931-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D. Duijvelshoff bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
3.1
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.
3.2
De klacht tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de verdachte in het ingestelde hoger beroep leidt niet tot cassatie. De Hoge Raad acht ook geen grond aanwezig waarop dat oordeel ambtshalve zou moeten worden vernietigd. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het hof de verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Bij deze stand van zaken kan de omstandigheid dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2025.
Conclusie 22‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. M1) Falende klacht dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. M2) Klacht dat het hof niet heeft beslist op het aanhoudingsverzoek, is terecht voorgesteld, maar behoeft niet tot cassatie te leiden wegens gebrek aan belang. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 RO).
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01955
Zitting 22 april 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. De verdachte is bij arrest van 9 mei 2023 door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de economische meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2022.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D. Duijvelshoff, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
De middelen
3. Het eerste middel heeft betrekking op de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek van de raadsman tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
4. Ik begin met de bespreking van het tweede middel nadat ik het relevante procesverloop heb weergegeven.
Het procesverloop
5. Het verkorte proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 22 september 2022 houdt, voor zover relevant, in:
“De oudste rechter merkt op dat verdachte zonder advocaat is gekomen en vraagt hem wat de reden daarvoor is, terwijl hij als verdachte wordt aangemerkt.
Verdachte verklaart:
Dat is een bewuste keuze. Ik denk dat hetgeen een advocaat gaat vertellen hetzelfde is als hetgeen ik ga zeggen. Ik heb het in de verhoren met de FIOD ook al gedaan. Het is het verhaal hoe het is, daar kan ik over vertellen. Ik zal dat open en eerlijk doen en dat was ook de afweging om hier alleen te zitten.
De oudste rechter wijst verdachte erop dat een advocaat juridische kennis heeft over hoe het proces gaat en dat zonder advocaat de juridische kant van het verhaal niet wordt verteld. Zij zegt dat dat nadelige gevolgen kan hebben en dat zij verdachte daar op moet wijzen. Zij zegt verdachte dat hij het ook tijdens de behandeling van de zaak op de zitting nog mag aangeven als het hem toch te ingewikkeld wordt en hij alsnog een advocaat wil. Hij mag daar dan dus nog op terug komen.
Verdachte verklaart:
Ik heb veel brieven over de zitting in een laat stadium gekregen. Ik heb overwogen om te vragen om de zitting te verplaatsen, maar ja.
De oudste rechter vraagt verdachte hoe hij van de zitting op de hoogte is geraakt.
Verdachte verklaart:
Er lag een brief bij de post en die heb ik twee weken geleden van de buren gekregen. Veel brieven komen in de trappenhal terecht en een slechtziende buurvrouw neemt ze mee en dan krijg je de post pas veel later.
De oudste rechter vraagt verdachte of hij wel voorbereid is voor de zitting.
Verdachte verklaart:
Ja, ik weet waar het over gaat en kan erover vertellen.
(…)
De oudste rechter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 6 oktober 2022 om 12.45 uur.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffiers is vastgesteld en ondertekend.”
6. De verdachte is op 6 oktober 2022 door de rechtbank Amsterdam veroordeeld. Op 28 oktober 2022 is aan de verdachte de ‘Mededeling Voorwaardelijke Veroordeling’ uitgereikt. Daarna heeft hij blijkens de daarvan opgemaakte akte op 9 november 2022 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 mei 2023 houdt, voor zover relevant, in (met onderstrepingen mijnerzijds):
“De verdachte
(…)
is niet verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Amsterdam, die mededeelt dat de verdachte op de hoogte is van de zitting en dat hij wel uitdrukkelijk is gemachtigd als raadsman de verdachte te verdedigen.
(…)
Desgevraagd deelt de raadsman zijn standpunt omtrent de ontvankelijkheid van de verdachte in zijn hoger beroep mede en licht in dat verband toe:
Mijn cliënt is op de zitting van 22 september 2022, van de rechtbank Amsterdam, op het verkeerde been gezet. Na afloop van de behandeling ter terechtzitting is tegen mijn cliënt gezegd dat de uitspraak over twee weken volgt en dat hij daarbij niet aanwezig hoeft te zijn. Hierbij is echter niet tegen mijn cliënt gezegd dat hij de termijn voor het instellen van het hoger beroep in de gaten dient te houden. Mijn cliënt heeft in eerste aanleg geen gebruik gemaakt van rechtsbijstand. Nadat mijn cliënt een brief van 28 oktober 2022 van het openbaar ministerie heeft ontvangen waarin hij de mededeling kreeg over de voorwaardelijke veroordeling, is mijn cliënt in hoger beroep gegaan omdat hij zich niet kan verenigen met het onvoorwaardelijk opgelegde strafdeel.
Ik realiseer mij dat de termijnen van openbare orde zijn en dat mijn cliënt op tegenspraak is veroordeeld. Dit zou feitelijk gezien betekenen dat cliënt niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep is. Ik stel mij evenwel op het standpunt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, namelijk dat de voorzitter in eerste aanleg mijn cliënt niet heeft medegedeeld dat de beroepstermijn loopt vanaf het moment van de uitspraak en niet, zoals mijn cliënt dacht, vanaf het moment waarop hij hiervan bericht zou ontvangen. Mijn cliënt is daarom ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
(…)
De jongste raadsheer merkt op dat op de achterzijde van de dagvaarding een toelichting van de procedure is te vinden waarin wordt uitgelegd wanneer er hoger beroep kan worden ingesteld en wat de termijnen hiervoor zijn.
De raadsman deelt vervolgens mede:
Ik kan er alleen maar naar gissen, maar mijn cliënt is geen doorgewinterde strafklant dus ik kan mij voorstellen dat hij enkel de tenlastelegging heeft gelezen van de dagvaarding en niet de bijsluiters ervan. Verder weet ik ook niet wat er op de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg is gebeurd aangezien er geen proces-verbaal is opgesteld. Ik zou graag een subsidiair verzoek willen doen, inhoudende het aanhouden van de onderhavige zaak zodat er een proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg kan worden opgesteld. Aan de hand van het uitgewerkte proces-verbaal kan worden opgemaakt wat er wel of niet is gezegd.
De oudste raadsheer vraagt aan de raadsman:
Begrijp ik het goed dat het erom gaat dat iets niet gezegd zou zijn? In dat geval hebben we namelijk niet veel aan een uitgewerkt proces-verbaal.
De raadsman antwoordt:
Dat klopt, het zou niet tegen mijn cliënt gezegd zijn dat hij bericht zou krijgen van het vonnis, maar zo heeft mijn cliënt dat wel opgevat. Ik kan mij voorstellen dat mijn cliënt na veel informatie op zo’n inhoudelijke behandeling het verkeerd kan begrijpen.
(…)”
8. Het bestreden arrest d.d. 9 mei 2023 van het hof Amsterdam houdt, voor zover relevant, in:
“De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 22 september 2022 te verschijnen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam. De verdachte is op die terechtzitting in persoon verschenen. De rechtbank heeft op 6 oktober 2022 naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 september 2022 op tegenspraak vonnis gewezen.
Bij die stand van zaken had de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 408, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering binnen veertien dagen na 6 oktober 2022 in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft op 9 november 2022, en dus te laat, hoger beroep ingesteld. Niet blijkt van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden op grond waarvan de overschrijding van de termijn verschoonbaar kan worden geacht.
Dat op de zitting van 22 september 2022 tegen de verdachte zou zijn gezegd dat hij niet bij de uitspraak op 6 oktober 2022 aanwezig hoeft te zijn, kan niet als een dergelijke omstandigheid worden aangemerkt. Het lag hoe dan ook op de weg van de verdachte om zich zo spoedig mogelijk na de uitspraak op de hoogte te stellen van het vonnis. Ook de omstandigheid dat de verdachte in eerste aanleg niet is bijgestaan door een raadsman leidt niet tot een ander oordeel.”
Een nadere omschrijving van het tweede middel
9. Het middel klaagt dat het hof het verzoek van de verdediging tot aanhouding van de behandeling van de zaak ten onrechte, zonder enige kenbare motivering (en dus impliciet) heeft afgewezen.
10. Aan het middel is, blijkens de toelichting daarop, ten grondslag gelegd dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 mei 2023 om aanhouding van de zaak had verzocht. Dit verzoek was gedaan omdat de raadsman kennis wenste te nemen van het ‘verkorte proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg d.d. 22 september 2022’ (zoals thans weergegeven onder randnummer 5) dat ten tijde van die zitting in hoger beroep (kennelijk) nog niet was opgemaakt. Kennisneming daarvan achtte hij essentieel voor de beoordeling van de vraag of er sprake was van een verontschuldigbare termijnoverschrijding bij het instellen van hoger beroep door de verdachte.1.Volgens de steller van het middel heeft het hof echter geen overweging gewijd aan het bedoelde aanhoudingsverzoek, waardoor het arrest niet in stand kan blijven.
De bespreking van het tweede middel
11. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 mei 2023 heeft de raadsman aldaar, in zijn woorden, “een subsidiair verzoek gedaan” strekkende tot “het aanhouden van de onderhavige zaak zodat er een proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg kan worden opgesteld”. Deze woorden kunnen bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een (voorwaardelijk) verzoek om schorsing van het onderzoek ter terechtzitting teneinde een proces-verbaal te laten opmaken.
12. Het door de verdediging gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak, betreft een verzoek waaromtrent het hof krachtens het bepaalde in artikel 330 Sv (dat ook in hoger beroep van toepassing is) op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een gemotiveerde beslissing moet geven.2.Een dergelijke beslissing dient te zijn vervat in het (verkorte) arrest, voor zover op het verzoek niet reeds ter terechtzitting is beslist.3.
13. Nu noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, noch het arrest op dit punt een uitdrukkelijke beslissing inhoudt, lijden het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak in beginsel aan nietigheid.
14. Tot cassatie hoeft het voorgaande echter niet te leiden, en wel vanwege het volgende. Het verzoek van de verdediging tot aanhouding van de zaak strekte tot het doen opmaken van een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 22 september 2022 teneinde te kunnen constateren (i) dat aan de aldaar aanwezige verdachte wél was meegedeeld dat hij niet bij de uitspraak op 6 oktober 2022 aanwezig hoefde te zijn, en (ii) dat aan hem niet was meegedeeld dat de beroepstermijn loopt vanaf het moment van de uitspraak (en dus niet pas vanaf het moment waarop hij van de uitspraak bericht zou ontvangen). In de motivering van de ontvankelijkheidsbeslissing (zie randnummer 8) ligt echter besloten dat het hof – omwille van de discussie – is uitgegaan van de juistheid van het gestelde onder (i) en (ii). “Dat op de zitting van 22 september 2022 tegen de verdachte zou zijn gezegd dat hij niet bij de uitspraak op 6 oktober 2022 aanwezig hoeft te zijn,” kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een omstandigheid die de overschrijding van de beroepstermijn verschoont. Het lag naar het oordeel van het hof “hoe dan ook” – dus ook als de verdachte ter terechtzitting niet is meegedeeld dat de appeltermijn op de uitspraakdatum ingaat – op de weg van de verdachte om zich zo spoedig mogelijk na de uitspraak op de hoogte te stellen van het vonnis en tijdig te beoordelen of hoger beroep aangewezen was. Het voorgaande wijst uit dat en waarom de verzochte aanhouding overbodig c.q. nutteloos zou zijn geweest: ook al zou het proces-verbaal van de terechtzitting de stellingen van de verdediging bevestigen, voor de niet-ontvankelijkheidsbeslissing maakte het geen verschil. Als gevolg daarvan heeft het ontbreken van een uitdrukkelijke, gemotiveerde beslissing op het aanhoudingsverzoek de verdachte redelijkerwijze niet in enig rechtens te respecteren belang geschaad.4.
15. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
Het eerste middel
16. Het eerste middel strekt ten betoge dat het hof onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is geweest van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden die de overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep verontschuldigbaar doen zijn. De steller van het middel wijst er in dit verband op dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg op het verkeerde been is gezet door de mededeling van de voorzitter dat hij, de verdachte, niet aanwezig hoefde te zijn bij de uitspraak die over twee weken zou volgen, en dat hem toen niet is gewezen op de aanvangsdatum van de appeltermijn. Hierbij had het hof, aldus de steller van het middel, in aanmerking moeten nemen dat de verdachte aldaar zonder rechtsbijstand is verschenen.
17. Anders dan de steller van het middel ingang wil doen vinden, meen ik echter dat de niet-ontvankelijkheidsbeslissing toereikend is gemotiveerd. Ik wijs er in dit verband op dat de dagvaarding als mededeling bevat: “Bent u het oneens met de beslissing van de rechter dan kunt u binnen veertien dagen in hoger beroep (…) gaan.”5.
Slotsom
18. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.6.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑04‑2025
Vgl. HR 23 november 1999, NJ 2000/128; HR 23 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3254; HR 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7658;; HR 24 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0429; HR 1 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8549; HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2824, en HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1875.
Vgl. bijvoorbeeld HR 11 september 2001, NJ 2002/218; HR 18 januari 2005, NbSr 2005/61; HR 17 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0490, NJ 2007/252, en HR 4 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3395.
Vgl. bijv. HR 9 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8779, NJ 2003/726; HR 5 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5727, NJ 2005/366; HR 11 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4460, NJ 2008/174; HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7257, NJ 2008/542, en HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1875.
Tussen de stukken van het geding bevindt zich immers de dagvaarding d.d. 6 september 2022, waarin de verdachte wordt opgeroepen om op 22 september 2022 voor de rechtbank Amsterdam te verschijnen. Ik wijs in het bijzonder op de ‘Toelichting op de procedure’ op de achterkant van deze dagvaarding (zie ‘Beroepsmogelijkheden’, onder 10, p. 4).Zie daarnaast ook ‘Hoe?’, onder 11: “Door zelf naar de griffie van het gerecht te gaan en daar een formulier in te vullen dat u zelf ondertekent, of door uw advocaat te vragen voor u in hoger beroep te gaan, of door een brief te sturen naar de griffier van het gerecht.”
Ik wijs er in dit verband op dat het cassatieberoep is ingesteld op 10 mei 2023.