HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, na conclusie Bleichrodt, NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer.
HR, 08-07-2025, nr. 24/02468
ECLI:NL:HR:2025:1096
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-07-2025
- Zaaknummer
24/02468
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Strafrecht algemeen (V)
Fiscaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1096, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑07‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:1784
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:446
ECLI:NL:PHR:2025:446, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑04‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1096
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0242
NLF 2025/1567
NLF 2025/1141
Uitspraak 08‑07‑2025
Inhoudsindicatie
BTW-fraude m.b.t. levering schrootmateriaal vanuit Nederland naar Verenigd Koninkrijk (pre-Brexit). Medeplegen doen van onjuiste aangiften omzetbelasting, begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd), art. 69.2 AWR. Vrijspraak in eerste aanleg. Heeft verdachte aangiften omzetbelasting “onjuist of onvolledig” gedaan? V.zv. middel ervan uitgaat dat hof heeft geoordeeld dat aangiften onjuist of onvolledig zijn gedaan op enkele grond dat “in keten [van afnemers] uiteindelijk ergens (opzettelijk) geen btw wordt afgedragen” of dat “werkelijke afnemer van goederen buiten beeld raakt/grotendeels is verhuld”, berust het op verkeerde lezing van ’s hofs arrest. Hof heeft immers geoordeeld dat verdachte en mededaders btw-fraude zelf hebben gepleegd, in die zin dat zij wisten dat verschillende Britse vennootschappen aan wie verdachte met toepassing van nultarief factureerde, niet aan hun daaruit voortvloeiende btw-verplichtingen zouden voldoen, zodat verdachte en mededaders dit tarief niet hadden mogen toepassen. V.zv. middel klaagt over begrijpelijkheid van dit oordeel, geldt het volgende. Hof heeft vastgesteld dat verdachte, terwijl zij tevoren bekend was met (risico van) btw-fraude met schroot in Verenigd Koninkrijk, in periode van ruim 2 jaren tientallen miljoenen euro’s aan vele verschillende Britse vennootschappen heeft gefactureerd voor metaalschroot. Daarbij was opvallend dat btw-identificatienummers van vennootschappen na verloop van tijd (vrijwel) steeds werden ingetrokken en dat vennootschappen werden ontbonden. Uit nader onderzoek naar 12 vennootschappen is gebleken dat geen van hen heeft voldaan aan fiscale verplichtingen, dat zij veelal namen en/of doelstellingen hadden die niet in verband kunnen worden gebracht met handel in schroot en dat Britse belastingdienst in 10 gevallen geen contact heeft kunnen krijgen met hen. In 2 overige gevallen heeft bestuurder van vennootschap aangegeven een paar jaar niets met zijn bedrijf te hebben gedaan of niet te weten van handel met Nederlandse bedrijven, wat naar ’s hofs oordeel bijzonder is, gelet op omzet die in korte tijd zou moeten zijn gerealiseerd. Mededader A’s verklaring dat verdachte zaken heeft gedaan met “bekende ondernemingen die al langer bestaan, waar we directeuren van kennen en waarvan deze directeuren ook langs kwamen bij [verdachte]”, valt volgens hof niet te rijmen met constateringen die over deze ondernemingen zijn gedaan. Verder heeft hof vastgesteld dat verdachte na verloop van tijd zonder zakelijke argumenten eerst mededader B B.V. en daarna mededader C B.V. als tussenschakels naar voren heeft geschoven. Verdachte had met die bedrijven ongebruikelijk vergaande, niet bij zakelijke relatie passende bemoeienis en alle betalingen die deze bedrijven van Britse vennootschappen hebben ontvangen zijn (bijna) één-op-één overgeboekt naar verdachte, wat niet uit zakelijke relatie te verklaren is. O.g.v. dit alles heeft hof conclusie getrokken dat “voor totaalbeeld van Britse vennootschappen” geen andere logische verklaring bestaat dan dat zij vehikels zijn geweest voor plegen van btw-fraude. Doordat zij “lege hulzen” c.q. katvangers waren aan wie schroot niet kan zijn geleverd, is grotendeels verhuld wie werkelijke afnemers zijn geweest. Gelet op dit alles kon het volgens hof niet anders dan dat verdachte en mededaders hebben geweten van btw-fraude, maar dat zij desondanks facturen hebben uitgereikt aan anderen dan onbekend gebleven werkelijke afnemers. Daardoor hebben zij zelf btw-fraude gepleegd. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met 24/02411, 24/02412, 24/02413, 24/02469, 24/02470, 24/0290 en 24/0291.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02468
Datum 8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 juni 2024, nummer 23-001176-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.S. Nan bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.J. Wattel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Bewezenverklaring en bewijsvoering
2.1.1 Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging onder 1 bewezenverklaard dat:
“zij in de periode van 27 augustus 2015 tot en met 22 december 2017 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten elektronische aangiften voor de omzetbelasting (ten name van [verdachte] B.V.), betreffende:
- de aangifte omzetbelasting over de maand juli 2015, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand september 2015, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand maart 2016, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand mei 2016, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand juni 2016, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand juli 2016, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand augustus 2016 en
- de aangifte omzetbelasting over de maand oktober 2016, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand november 2016, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand december 2016, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand maart 2017, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand april 2017, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand mei 2017, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand juni 2017, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand juli 2017, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand augustus 2017, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand september 2017, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand oktober 2017, en
- de aangifte omzetbelasting over de maand november 2017
telkens onjuist of onvolledig heeft gedaan en/of heeft laten doen bij de Inspecteur der belastingen, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting wordt geheven, welke onjuistheid of onvolledigheid telkens hierin bestond dat op de aangiften telkens een onjuist bedrag inzake leveringen binnen de EU (belast met 0%), althans een onjuist bedrag aan te betalen omzetbelasting werd opgegeven.”
2.1.2 De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:
“Algemene inleiding
Het strafrechtelijk onderzoek Hive richt zich op de Nederlandse rechtspersonen [verdachte] , [A] en [D] en de bij die bedrijven betrokken natuurlijke personen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . De zaak ziet op de levering van schrootmateriaal vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk in de periode voor de Brexit. Er zou bij deze transacties ten onrechte gebruik zijn gemaakt van het nultarief voor de omzetbelasting (btw) door [verdachte] , [A] en [D] , en de bedrijfsadministratie van [verdachte] en [A] zou zijn vervalst door daarin facturen betreffende schijntransacties tussen [verdachte] en [A] op te nemen.
(...)
Standpunten van partijen
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair (...) tenlastegelegde kan worden bewezen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Daartoe is het volgende aangevoerd. Wat betreft feit 1 is primair betoogd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de Britse vennootschappen btw-fraude hebben gepleegd in de handelsketen met [verdachte] . Subsidiair ontbreekt bewijs van wetenschap daarvan bij [verdachte] of haar vertegenwoordigers. Op het moment van het doen van aangifte waren daar onvoldoende signalen voor. [verdachte] trof voorzorgsmaatregelen en externe (overheids)partijen zagen geen red flags. (...)Ten aanzien van beide feiten is ten slotte aangevoerd dat de verweten gedragingen niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend, omdat de benodigde wetenschap als pleger ontbreekt.
Oordeel van het hof
I Inleiding
In Nederland is de ondernemer zelf verantwoordelijk voor het op een juiste wijze aangeven en voldoen van de omzetbelasting die is verschuldigd over zijn leveringen en diensten. Bij prestaties tussen ondernemers onderling is de omzetbelasting die de één verschuldigd is, in de regel bij de ander weer aftrekbaar als ‘voorbelasting’ in de aangifte omzetbelasting als deze ondernemer over een factuur beschikt. De verschuldigde omzetbelasting dient op de aangifte periodiek te worden voldaan.
De aangifte omzetbelasting is in wezen een geleideformulier bij de voldoening van de omzetbelasting tot het bedrag dat de ondernemer zelf heeft moeten berekenen. Anders dan bijvoorbeeld een aangifte inkomstenbelasting strekt de aangifte omzetbelasting niet ertoe de inspecteur van de Belastingdienst informatie te verstrekken waarmee hij, zo nodig na nader onderzoek, een juiste aanslag kan opleggen. De aangifte omzetbelasting is daarom (ook) onjuist gedaan als het (per saldo) te betalen bedrag volgens het (elektronische) aangiftebiljet te laag is dan wel, indien de aangifte strekt tot een teruggaaf, het terug te vragen bedrag te hoog.
Indien een ondernemer aan een afnemer in het buitenland levert is er onder bepaalde voorwaarden recht op toepassing van het nultarief. De levering aan ondernemers binnen de Europese Unie (EU) wordt doorgaans een intracommunautaire levering (ICL) genoemd. Voorwaarde voor toepassing van dit nultarief is dat de goederen worden vervoerd naar een andere lidstaat en dat deze goederen aldaar zijn onderworpen aan de heffing van omzetbelasting ter zake van een intracommunautaire verwerving (ICV), de tegenhanger van de ICL. De heffing vindt plaats in het land van de ondernemer voor wie de goederen zijn bestemd. Een ICL kan dus alleen plaatsvinden, als er een ICV tegenover staat. De over de ICV verschuldigde omzetbelasting kan in dezelfde aangifte omzetbelasting als voorbelasting in aftrek worden gebracht voor zover de ondernemer de goederen bezigt voor belaste handelingen en niet op frauduleuze wijze aanspraak maakt op het recht op aftrek.
Met betrekking tot de intracommunautaire prestaties (ICP) kent de EU een systeem voor de uitwisseling van data tussen de lidstaten: het VAT Information Exchange System (VIES). In het VIES wordt de informatie uitgewisseld die ondernemers, door middel van een opgaaf ICP (listing), aanleveren.
II Juridisch kader
Geen recht op voordelen
Voorop staat dat een belastingplichtige die zelf (actief) btw-fraude pleegt ter zake van zijn aan- en/of verkopen in dat kader geen recht heeft op aftrek van voorbelasting respectievelijk op toepassing van het nultarief voor intracommunautaire leveringen. Voor de belastingplichtige die weet of had moeten weten dat hij (passief) deelneemt aan een handeling die onderdeel is van een btw-fraude, geldt hetzelfde.
Vormen van btw-fraude
Btw-fraude kan fiscaalrechtelijk in het bijzonder worden aangenomen wanneer een belastingplichtige opzettelijk nalaat de door hem verschuldigde btw in een lidstaat van de EU aan te geven of wanneer hij die btw aangeeft met de bedoeling haar niet te voldoen. Ook is het nalaten van het doen van btw-aangifte in voorkomende gevallen als btw-fraude aan te merken. Bij het niet (volledig) doen van btw-aangiften, zeker wanneer het langere tijd voortduurt en substantiële bedragen aan btw moeten worden aangegeven, is doorgaans sprake van opzet.
Daarnaast is het opzettelijk in het gedrang brengen van de goede werking van het gemeenschappelijk btw-stelsel in de Europese Unie als btw-fraude te beschouwen. Het in het gedrang brengen van het gemeenschappelijke btw-stelsel kan vorm krijgen door valse of onjuiste facturen uit te reiken of door andere manipulaties te verrichten, vooral als daardoor de werkelijke afnemer van goederen die in een andere lidstaat een intracommunautaire verwerving moet aangeven en btw is verschuldigd bij de eventuele doorlevering van goederen, buiten beeld raakt.
(...)
Bewijsmaatstaf
Voor het bewijs van het plegen van btw-fraude dan wel van het weten of moeten weten van deelname aan btw-fraude elders in de keten, gelden de nationaalrechtelijke bewijsregels. Dat betekent dat ook de nationaalrechtelijke bewijsmaatstaven gelden.
Voor een strafrechtelijke veroordeling moeten alle bestanddelen van het strafbaar gestelde feit wettig en overtuigend worden bewezen.
Strafrechtelijke vervolging in het buitenland is geen vereiste
Naar het oordeel van het hof geldt geen regel dat een strafrechtelijk onderzoek moet zijn ingesteld naar (alle) betrokkenen in binnen- en buitenland om in een strafzaak btw-fraude (elders) in een handelsketen te kunnen aannemen. Daarbij moet worden bedacht dat de natuurlijke personen achter een btw-fraude in voorkomende gevallen niet-traceerbaar zullen zijn. De opportuniteit om door hen ‘gebruikte’ rechtspersonen te vervolgen kan ontbreken, bijvoorbeeld als zij geen verhaal bieden of al niet meer bestaan. Dat een strafrechtelijk onderzoek moet zijn ingesteld, in dit geval naar fraude bij Britse vennootschappen, gaat daarom te ver.
III Redengevende feiten en omstandigheden
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende naar voren gekomen.
III.1 Ontstaan [verdachte] , [A] en [D]
[verdachte] is op 9 augustus 2013 opgericht met als doel - samengevat - de handel in oude metalen. [medeverdachte 1] is vanaf die datum enig bestuurder geweest en tevens, eerst onmiddellijk en later middellijk, enig aandeelhouder.
In eerste instantie heeft [verdachte] , vanaf begin 2014, een plek gehuurd op het terrein van [E] BV ( [E] ) in [plaats] . Aldaar was toen ook [F] BV actief, een vennootschap die in 2012 is opgericht door [medeverdachte 2] en zijn toenmalige compagnon [medeverdachte 9] . Bij [F] BV was ook [medeverdachte 3] werkzaam. Toen de verhoudingen tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 9] verzuurden, is [medeverdachte 2] per 1 juni 2014 gevolmachtigde van [verdachte] geworden, met als titel commercieel directeur, en is ook [medeverdachte 3] in dienst getreden van [verdachte] . Bij [verdachte] is [medeverdachte 2] zich vanaf 2014 gaan bezighouden met de inkoop van alle soorten en de verkoop van non-ferro; hij onderhoudt contacten met Engelse afnemers. [medeverdachte 3] , die de boekhouding van zowel [F] BV als [verdachte] verzorgde, heeft verklaard dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de ondernemers waren bij [verdachte] . [getuige] , administratief medewerker bij [verdachte] , heeft verklaard dat [medeverdachte 2] een commercieel kanon is en dat hij ( [getuige] ) in opdracht van [medeverdachte 2] facturen uit naam van [verdachte] opstelt in verband met de koperhandel. Uiteindelijk legt [getuige] verantwoording af aan de eigenaar van [verdachte] , [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij verantwoordelijk is voor alles, dat hij het personeel aanstuurt, zelf ook de inkoop van alle soorten (het hof begrijpt: metaal) doet en de facturen controleert. De aangiften omzetbelasting worden vanaf 2014 door administratiekantoor ‘ [G ] ’ maandelijks gedaan, waarbij de aangifte altijd werd geaccordeerd met een handtekening door [medeverdachte 1] .
Van januari 2016 tot en met mei 2016 heeft [verdachte] ( [medeverdachte 1] ) een werf gehuurd in [plaats] . In mei 2016 heeft [verdachte] die werf gekocht. [verdachte] is op die plaats uitgegroeid tot een bedrijf met iets meer dan 20 medewerkers.
[A] is opgericht op 10 maart 2014. [medeverdachte 4] is vanaf de datum van oprichting middellijk enig aandeelhouder en bestuurder van [A] . Hij is ook de enige persoon die werkzaamheden voor [A] verricht. Vanaf 2014 is [A] althans [medeverdachte 4] begonnen om werkzaamheden te verrichten voor [verdachte] . Vanaf het eerste kwartaal van 2016 heeft [A] voor miljoenenbedragen aan omzet (per kwartaal) uit leveringen naar het buitenland in aangiften omzetbelasting aangegeven.
[D] BV is opgericht op 14 maart 2017 en [medeverdachte 5] is vanaf de datum van oprichting bestuurder en enig aandeelhouder van deze onderneming. Hij is ook de enige persoon die werkzaamheden voor [D] verricht. [D] deed vooral zaken met [verdachte] . [medeverdachte 5] zat daarvoor in het transport, als chauffeur van zware vrachtwagens en als planner, en werkte vanaf januari 2016 tot augustus 2017 voor [NN] , voor welk bedrijf hij schroot vervoerde.
III.2 Problemen met Britse afnemers bij [F] BV in 2012/2013
[F] BV handelde, in de periode dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] daar werkzaam waren, in oude metalen die naar het Verenigd Koninkrijk werden vervoerd. Die handel heeft destijds geleid tot vragen van de Belastingdienst. In een brief aan [F] BV van 6 maart 2013, ter attentie van [medeverdachte 2] , heeft de inspecteur geschreven dat is gebleken dat “in Europa op grote schaal btw-fraude plaatsvindt met zogeheten koper kathoden. Daarnaast vindt ook fraude plaats met nikkel, zilver en platina.” Onder meer uit aantekeningen van een medewerker van de Belastingdienst blijkt verder dat op 15 augustus 2013 een bespreking met de Belastingdienst heeft plaatsgevonden waarbij [medeverdachte 3] namens [F] BV aanwezig was. Ook volgt uit die aantekeningen dat de bespreking is gevoerd in vervolg op door de Belastingdienst geweigerde teruggaven omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2012 en over de eerste twee kwartalen van 2013. Aan die weigering lagen twijfels ten grondslag over de toepasselijkheid van het nultarief voor intracommunautaire leveringen van schroot. Aan het slot is vermeld: “Wij [het hof begrijpt: de Belastingdienst] hebben gezegd nu informatie te verzamelen en dit te laten beoordelen door onze techneuten die uitspraak moeten doen over het standpunt van de Belastingdienst. Uit onderzoek van de stukken blijkt dat het vervoer naar Engeland niet meer ter discussie staat. Echter uit info van de Engelse BD [het hof leest: de Britse fiscus; HMRC] blijkt dat veelal aan ploffers wordt geleverd.” [medeverdachte 3] heeft daarnaast verklaard dat de Britse klanten waarop het onderzoek van de Belastingdienst betrekking had, werden aangeleverd door [medeverdachte 9] , dat de Britse klanten aanleiding hebben gegeven tot de ruzie tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 9] en dat men “alleen maar gezeik met deze klanten [heeft] gehad”, zonder overigens de aard van dat ‘gezeik’ te willen toelichten.
Conclusie
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [verdachte] , gelet op voormelde ervaringen van haar commercieel directeur en gevolmachtigde [medeverdachte 2] en werknemer [medeverdachte 3] met de belastingdienst bij [F] B.V. inzake btw-fraude en leveringen aan Britse ploffers, op de hoogte moet zijn geweest van btw-fraude met schroot in het Verenigd Koninkrijk en de risico’s op dat vlak van leveringen van schroot naar het Verenigd Koninkrijk.
III.3 Verloop handel in koperschroot bij [verdachte] in periode 2015 – 2018
2015
[verdachte] is gaan handelen in koper- althans metaalschroot met Britse vennootschappen, vanaf 2015. In eerste instantie heeft [verdachte] de leveringen van schroot direct gefactureerd aan diverse Britse vennootschappen, zo volgt onder meer uit de opgaven ICP bij haar aangiften omzetbelasting. In het jaar 2015 was de omzet per kwartaal € 1.158.752, € 5.388.364, € 4.736.431 respectievelijk € 4.102.693, derhalve in totaal € 15.386.240.
Van dit totaal gefactureerde bedrag in 2015 van € 15.386.240 betreft € 5.888.592 facturen gericht aan de vennootschap [H] Ltd., € 3.101.364 facturen gericht aan [I] , € 63.396 facturen gericht aan [J] Ltd., € 276.275 facturen aan [K] Ltd., € 1.296.894 facturen aan [L] Ltd., € 3.968.390 facturen gericht aan [O] Ltd., van [N] , en € 931.294 facturen gericht aan [JJ] Ltd.
Met uitzondering van [J] Ltd. was reeds op 10 mei 2019 van al deze vennootschappen het btw-identificatienummer ingetrokken, in drie gevallen zelfs al in 2015, en waren al deze vennootschappen op genoemde datum ofwel ontbonden ofwel verkeerden zij in liquidatie.
2016 tot en met het eerste kwartaal van 2017
Vanaf het eerste kwartaal van 2016 tot en met het eerste kwartaal van 2017 varieerde de door [verdachte] aan Britse vennootschappen gefactureerde bedragen tussen € 3,4 en € 5,2 miljoen, in totaal € 20.434.066 (waarvan € 16.974.181 in 2016).
Vanaf 2016 is [verdachte] ook aan [A] gaan factureren voor schroot met als bestemming het Verenigd Koninkrijk. [A] heeft op haar beurt – ongeveer – een op een dezelfde bedragen (door)gefactureerd aan diverse Britse vennootschappen. Dat gebeurde tot en met het eerste kwartaal van 2017 vooral aan [P] Ltd. (in de eerste twee kwartalen uitsluitend aan [P] Ltd.). Het betreft een omzet variërend van € 9,7 miljoen tot € 13 miljoen per kwartaal bij [A] , in totaal bijna € 52,8 miljoen (waarvan € 43,05 miljoen in 2016). De totale omzet van [verdachte] uit koperhandel nam vanaf het eerste kwartaal van 2016 dus spectaculair toe, namelijk van bijna € 15,4 miljoen in 2015 naar ruim € 58,4 miljoen in 2016.
Van alle Britse vennootschappen aan wie [verdachte] en [A] in deze periode hebben gefactureerd, zeventien in totaal, was reeds op 10 mei 2019 het btw-identificatienummer ingetrokken, in een geval al in 2015 ( [JJ] Ltd.) en in vijf gevallen in 2016, en waren al deze vennootschappen op genoemde datum ofwel ontbonden ofwel verkeerden zij in liquidatie.
Tweede en derde kwartaal van 2017
In het tweede en derde kwartaal van 2017 zijn de door [verdachte] aan Britse vennootschappen gefactureerde bedragen substantieel hoger dan daarvoor (€ 7,3 miljoen en € 8,2 miljoen, ten opzichte van bijvoorbeeld maar € 3,4 miljoen in het eerste kwartaal van 2017). Grote bedragen zijn toen vooral aan [Q] Ltd. (€ 4.531.872 in Q2 2017) en [P] Ltd. (€ 7.851.348 over beide kwartalen) gefactureerd. De toename in de door [verdachte] zelf aan Britse vennootschappen gefactureerde bedragen valt in de tijd gelijk met een terugval van de aan/door [A] gefactureerde bedragen. Na het eerste kwartaal van 2017 waren deze bedragen bij [A] niet meer hoger dan € 2,6 miljoen in enig kwartaal (onder meer € 2.575.752 in het tweede kwartaal van 2017, gefactureerd aan [P] Ltd. en [Q] Ltd.)
Na het derde kwartaal van 2017 factureren [verdachte] en [A] niet meer aan [P] , na dat ruim anderhalf jaar lang wel te hebben gedaan voor bedragen van in totaal € 9.609.299 ( [verdachte] ) respectievelijk € 46.751.913 ( [A] ).
Op drie na was van alle Britse vennootschappen aan wie [verdachte] en [A] in deze periode hebben gefactureerd, negen in totaal, reeds op 10 mei 2019 het btw-identificatienummer ingetrokken, in vier gevallen zelfs al in de periode zelf (waaronder [P] Ltd. en [Q] Ltd.), en op drie na waren al deze vennootschappen op genoemde datum ofwel ontbonden ofwel verkeerden zij in liquidatie.
Vierde kwartaal 2017 tot en met eerste kwartaal 2019
De omzet die [verdachte] zelf aan Britse vennootschappen heeft gefactureerd, bedraagt vanaf het vierde kwartaal van 2017 nog hooguit € 2,2 miljoen per kwartaal, zij het over de gehele periode van anderhalf jaar in totaal wel ruim € 7,5 miljoen (aan acht Britse vennootschappen).
Na een voorzichtige aanloop in het derde kwartaal van 2017 (€ 767.782), wordt vanaf het vierde kwartaal van 2017 vooral voor grote bedragen aan van [verdachte] afkomstig (koper-)schroot aan Britse vennootschappen gefactureerd door [D] (€ 4.451.771 (Q4 2017), € 7.047.509 (Q1 2018), € 6.357.714 (Q2 2018), € 3.979.859 (Q3 2018), € 4.090.332 (Q4 2018) en € 6.041.782 (Q1 2019). Over de gehele periode van anderhalf jaar betreft het dus bijna € 32 miljoen. [D] was niet geregistreerd en ook niet bevoegd om metaalschrootafval te transporteren. [verdachte] heeft voor een deel aan dezelfde Britse vennootschappen gefactureerd als [D] .
In deze periode heeft [A] alleen in het tweede en derde kwartaal van 2018 bedragen aan een Britse vennootschap ( [R] Ltd.) gefactureerd, in totaal voor een bedrag van € 3.159.268.
Van acht van de Britse vennootschappen aan wie [verdachte] , [D] en [A] in deze periode hebben gefactureerd, dertien in totaal, was reeds op 10 mei 2019 het btw-identificatienummer ingetrokken, en drie waren op genoemde datum ofwel ontbonden ofwel in liquidatie.
Na ruim € 15,4 miljoen in 2015 en ruim € 58,4 miljoen in 2016 (zie hiervoor), hebben [verdachte] , [D] en [A] samen in 2017 ruim € 38,1 miljoen gefactureerd aan Britse vennootschappen en in 2018 ruim € 30,4 miljoen.
Conclusie
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [verdachte] , na eerst rechtstreeks te hebben gefactureerd aan Britse vennootschappen, vooral vanaf het eerste kwartaal 2016 tot en met het eerste kwartaal 2017 grote bedragen factureert aan [A] , welke vennootschap in die periode een omvangrijke omzet behaalt die om en nabij gelijk is aan de aan haar door [verdachte] gefactureerde bedragen. Een zakelijke reden hiervoor ontbreekt, evenals een verklaring waarom de omzet van [A] direct vanaf aanvang zo hoog is. [verdachte] factureert ook zelf voor een deel aan dezelfde Britse vennootschappen als [A] zonder dat hiervoor een relevante verklaring bestaat. Vanaf het derde kwartaal 2017 tot en met het eerste kwartaal 2019 factureert [verdachte] aan [D] , die aan Britse vennootschappen factureert en die (vrijwel) vanaf het begin van de activiteiten omvangrijke omzetten behaalt. [verdachte] heeft daarbij (deels) aan dezelfde Britse vennootschappen gefactureerd als [D] , wederom zonder dat daarvoor een relevante verklaring bestaat. Een zakelijke verklaring, waarom aan [D] wordt gefactureerd, in plaats van rechtstreeks aan de Britse vennootschappen, ontbreekt wederom.
Opvallend is dat de btw-identificatienummers van de Britse vennootschappen aan wie [verdachte] , [A] en [D] hebben gefactureerd na verloop van tijd (vrijwel) steeds worden ingetrokken en dat die vennootschappen ook worden ontbonden. De vennootschappen van wie op 10 mei 2019 nog een btw-identificatienummer actief was en/of die toen nog niet waren of werden ontbonden, zijn overwegend vennootschappen aan wie [verdachte] , [A] en [D] later in de tijd zijn gaan factureren. De Britse vennootschappen aan wie [verdachte] in de beginperiode van het onderzoek heeft gefactureerd (2015), waren medio 2019 op één na zelfs al allemaal verdwenen.
(...)
III.4 De Britse vennootschappen waaraan is gefactureerd
In het strafrechtelijk onderzoek HIVE is het onderzoek beperkt tot de facturatie van en levering aan twaalf Britse vennootschappen, althans daarop toegespitst.
Van deze twaalf vennootschappen heeft [verdachte] gefactureerd aan [P] Limited, [BB] Limited, [Q] Limited, [KK] Limited, [S ] Limited, [HH] Limited en [JJ] Limited.
[A] heeft gefactureerd aan [P] Limited, [BB] Limited, [Q] Limited, [T ] Limited, [U ] Limited, [LL] Limited en [W ] Limited.
Voor [D] zijn dit de Britse vennootschappen [KK] Limited en [B] .
[P] Limited (hierna: [P] ) is onder een andere naam opgericht op 21 juli 2014. Op het vestigingsadres van [P] hebben 395 ondernemingen ingeschreven gestaan. De directeur, [medeverdachte 11] , is in de periode van 6 juni 2006 tot en met 12 november 2018 betrokken geweest bij tien verschillende ondernemingen, waarvan 6 ondernemingen op 7 respectievelijk 12 juli 2010 zijn ontbonden/in liquidatie zijn gegaan.
[verdachte] heeft in de periode van 2 december 2016 tot en met 25 augustus 2017 in totaal GBP 7.332.637,80 ontvangen van [P] . [verdachte] heeft ook via [A] aan [P] gefactureerd. De betalingen van [P] aan [A] zijn nagenoeg geheel overgeboekt naar [verdachte] , zoals hiervoor is overwogen. [P] heeft op zes onderzochte vrachten in die keten in de periode van 9 december 2015 tot en met 29 februari 2016 verlies gemaakt. De verkoopprijs per ton van [P] ligt overwegend structureel lager dan de inkoopprijs per ton. De prijsval ligt op 12,5% (bij een handel in miljoenen).
De HMRC heeft [P] aangemerkt als een zogenoemde “buffer type trader” (buffervennootschap) die betrokken was bij btw-fraude in het Verenigd Koninkrijk. De HMRC meldt dat [P] niet voldaan heeft aan de fiscale verplichtingen. Het btw-identificatienummer van [P] is op 31 augustus 2017 ingetrokken vanwege misbruik.
Volgens de inschrijving verricht de Britse vennootschap [BB] Limited (hierna: [BB] ), opgericht op 9 februari 2015, werkzaamheden in de bouw en is zij geen schroothandelaar.
Op 22 juni 2016 ontving [A] de eerste betaling van [BB] , terwijl [A] pas op 19 augustus 2016 de bedrijfsinformatie van [BB] ontving. De verkoopfacturen van [A] zijn daarnaast gedateerd op 31 augustus 2016, terwijl de eerste betaling dus, zoals uit het voorgaande blijkt, al eerder is ontvangen. De betalingen van [BB] aan [A] zijn bijna één op één door [A] overgeboekt naar [verdachte] . [A] heeft slechts één kwartaal aan [BB] gefactureerd. [BB] maakte daarbij gebruik van verschillende e-mailadressen. Ook was de werkelijke fysieke vestigingslocatie van [BB] niet te traceren voor HMRC.
[BB] heeft niet voldaan aan de verplichtingen voor de btw in het Verenigd Koninkrijk en is zodoende door de HMRC als missing trader aangemerkt. De HMRC kon niet in contact komen met iemand van [BB] . Het btw-identificatienummer van [BB] is ingetrokken op 27 september 2016. Na deze datum ontvangt [A] nog betalingen van [BB] . [BB] heeft aan [A] per e-mail van 24 februari 2017 correspondentie van de HMRC toegezonden, waarin staat dat de HMRC bij een bezoek aan [BB] niemand aantrof en dat het btw-identificatienummer wordt ingetrokken per 27 september 2016.
De Britse vennootschap [T ] Limited (hierna: [T ] ) is op 15 oktober 2014 onder een andere naam opgericht en stond ingeschreven als een onderneming die werkzaamheden verricht in de groothandel van meubels, tapijten en verlichting en derhalve niet als handelaar in schroot.
Volgens de facturen heeft [A] schrootmateriaal geleverd aan [T ] . Het e-mailadres waarmee [T ] e-mailberichten heeft verzonden wijkt af van het e-mailadres zoals dat is vermeld op het ‘VAT certificate’. De e-mails van [T ] aan [A] hebben - met uitzondering van de introductiemail van 20 september 2016, waarin de naam van directeur [betrokkene 1] van [T ] is genoemd - als aanhef “dear Sir” en onder “regards” staat alleen [T ] en geen contactpersoon. De correspondentie ziet enkel op betalingen en gaat niet over leveringsvoorwaarden of bestellingen.
[T ] heeft niet voldaan aan haar belastingverplichtingen in het Verenigd Koninkrijk. De HMRC kon op het vestigingsadres niet in contact komen met [T ] . [betrokkene 2] , de persoon die op papier directeur was van [T ] , heeft verklaard van niets te weten en gewerkt te hebben voor de eigenaar van [T ] en dat haar gegevens mogelijk gebruikt zijn. Het btw-identificatienummer van [T ] is op 31 augustus 2016 doorgehaald. De HMRC heeft [T ] aangemerkt als missing trader.
De Britse vennootschap [U ] Limited (hierna: [U ] ) is opgericht op 15 december 2015 en is geregistreerd als groothandel in kantoormachines en -apparatuur, derhalve niet in schroothandel.
[A] heeft door middel van vijf verkoopfacturen een bedrag van bijna € 500.000,- in rekening gebracht aan [U ] , maar volgens de bankafschriften geen betalingen van [U ] ontvangen. Een derde partij, te weten [C] Limited heeft betalingen namens [U ] aan [A] gedaan, hetgeen per e-mail is bevestigd door [U ] . [U ] heeft gebruik gemaakt van meerdere e-mailadressen die allen afwijken van het e-mailadres genoemd op het ‘VAT certificate’. Op de verkoopfacturen van [A] aan [U ] en de bijbehorende verzendbescheiden (CMR’s) staat het vestigingsadres van [U ] vermeld, [a-straat 1] . Dit adres is volgens Google Maps een woonadres waar geen schrootmateriaal gelost kan worden.
[U ] heeft niet voldaan aan de verplichtingen voor de btw in het Verenigd Koninkrijk. [U ] heeft geen intracommunautaire verwervingen opgegeven. De HMRC kon niet in contact komen met de directeur. Het btw-identificatienummer van [U ] is op 12 april 2017 ingetrokken. De HMRC heeft [U ] aangemerkt als missing trader.
De Britse vennootschap [LL] Limited (hierna: [LL] ) is opgericht op 22 november 2016 en staat ingeschreven als een onderneming die administratieve en management werkzaamheden verricht, derhalve geen schroothandel.
[LL] heeft zichzelf in een e-mail van februari 2017 bij [A] geïntroduceerd als “ [DD] ”, een bedrijf dat werkzaamheden verricht in de IT-telecom en elektronica, onder andere op het gebied van “consumer electronics and household products”, derhalve evenmin schroothandel. Het e-mailadres waarmee [LL] heeft gecommuniceerd wijkt af van het e-mailadres dat genoemd is op het ‘VAT certificate’.
In de opgaaf intracommunautaire prestaties van [A] is opgegeven dat [A] voor € 750.494 heeft geleverd aan [LL] . [LL] heeft op 6 februari 2017 verzocht schroot af te leveren bij [EE ] Limited. [A] heeft betalingen van [EE ] Limited ontvangen, terwijl [A] niet heeft gehandeld met deze onderneming.
[LL] heeft niet aan de verplichtingen voor de btw voldaan in het Verenigd Koninkrijk. [LL] heeft geen intracommunautaire verwervingen opgegeven. De HMRC heeft niet in contact kunnen komen met [LL] . De HMRC heeft [LL] aangemerkt als missing trader.
De Britse vennootschap [Q] Limited (hierna: [Q] ) is opgericht op 25 november 2015 en is ingeschreven als onderneming die werkzaamheden verricht binnen de telecommunicatie, derhalve geen schroothandel. [Q] is gevestigd op een woonadres.
In de opgave intracommunautaire prestaties is opgegeven dat [A] over het eerste en het tweede kwartaal van 2017 heeft geleverd aan [Q] . Op 21 februari 2017 ontving [A] bedrijfsinformatie en een introductiebrief van [Q] en een dag later, op 22 februari 2017, ontving [A] meteen de eerste betaling van [Q] . Het door [Q] gebruikte e-mailadres wijkt af van het e-mailadres dat op het ‘VAT certificate’ staat. [verdachte] heeft ook direct met [Q] gehandeld. [verdachte] heeft op 28 maart 2017 de eerste betaling van [Q] ontvangen, terwijl de eerste factuur van [verdachte] aan [Q] dateert van daarna, 7 april 2017.
[Q] heeft niet voldaan aan de verplichtingen voor de btw in het Verenigd Koninkrijk. Op 9 juni 2017 is het btw-identificatienummer van [Q] ingetrokken. De directeur van [Q] , [betrokkene 3] , heeft op 2 juli 2019 aangegeven dat hij vanwege ziekte enkele jaren niets met [Q] zou hebben gedaan (“that he had not operated [Q] due to ill health for a few years”).
De Britse vennootschap [W ] Limited (hierna: [W ] ) is opgericht op 28 september 2016 en staat ingeschreven als onderneming die werkzaamheden verricht in de bouw, derhalve geen schroothandel.
In de opgave intracommunautaire prestaties is opgegeven dat [A] over het vierde kwartaal van 2016 en het eerste kwartaal van 2017 heeft geleverd aan [W ] . [A] heeft op 24 november 2016 de eerste betaling van [W ] ontvangen, terwijl [A] pas op 2 december 2016 de bedrijfsinformatie ontving van [W ] en de oudste factuur gedateerd is op 28 december 2016. [W ] maakte bij toezending van de bedrijfsinformatie aan [A] gebruik van een ander e-mailadres dan op het (aan [A] toegezonden) ‘VAT Certificate’ stond vermeld.
[W ] heeft niet voldaan aan de verplichting voor de btw in het Verenigd Koninkrijk. Het btw-identificatienummer is ingetrokken op 4 april 2017. De HMRC heeft [W ] aangemerkt als missing trader.
De Britse vennootschap [B] is opgericht op 5 september 2015. [B] is blijkens de inschrijving een onderneming die zich bezighoudt met het herstel van gesorteerde materialen, sloop en transport ondersteunende activiteiten. [D] heeft slechts één kwartaal (01-2018) aan [B] gefactureerd. De HMRC heeft [B] als een missing trader aangemerkt.
[B] is op 9 mei 2017 onderdeel gemaakt van het Trader Monitoring Programme dat toezicht hield op de onderneming om er zeker van te zijn dat de onderneming zich aan de regels hield. Het btw-identificatienummer van [B] is ingetrokken op 17 januari 2018.
De Britse vennootschap [KK] Limited (hierna: [KK] ) is opgericht op 21 juli 2015. In de opgaaf intracommunautaire prestaties heeft [D] opgegeven over de periode september 2017 tot en met januari 2018 te hebben geleverd aan [KK] .
[KK] heeft niet voldaan aan zijn fiscale verplichtingen in het Verenigd Koninkrijk. De HMRC heeft [KK] aangemerkt als missing trader. Het btw-identificatienummer is ingetrokken op 17 januari 2018.
De Britse vennootschap [S ] Limited (hierna: [S ] ) is opgericht op 19 februari 2016. [verdachte] heeft in de opgaaf intracommunautaire prestaties opgegeven in het vierde kwartaal 2016 voor in totaal 1.576.071 euro te hebben geleverd aan [S ] . In het digitale beslag is geen enkele communicatie aangetroffen tussen de directeur van [S ] en [verdachte] . Hetgeen door [verdachte] is gefactureerd aan [S ] komt niet overeen met de opgaaf ICP van [verdachte] . De facturen van [verdachte] aan [S ] zijn gedateerd in de periode 23 september 2016 tot en met 15 december 2016, terwijl de betalingen van [S ] aan [verdachte] zijn verricht in de periode augustus 2016 tot en met oktober 2016. In deze keten zijn derdenbetalingen gedaan door vier andere ondernemingen (onder meer met handelsnamen die geen verband houden met schroothandel zoals [FF] Limited en [GG] ) en [S ] deed ook derdenbetalingen voor [HH] . De directeur van een van de bedrijven die facturen betaalt voor [S ] , [II] , is [betrokkene 4] en deze persoon is volgens vervoersbescheiden ook contactpersoon van de Britse vennootschappen [JJ] en [HH] .
[S ] heeft niet voldaan aan de verplichtingen voor de btw in het Verenigd Koninkrijk. De HMRC heeft het btw-identificatienummer van [S ] ingetrokken op 26 november 2016. De directeur van [S ] heeft tegenover de HMRC verklaard niet te weten van transacties met Nederlandse bedrijven.
De Britse vennootschap [HH] Limited (hierna: [HH] ) is opgericht op 17 september 2014 en blijkens de inschrijving is [HH] een groothandel in groente en fruit, derhalve geen schroothandelaar.
In de opgaaf intracommunautaire prestaties is aangegeven dat [verdachte] in het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2016 heeft geleverd aan [HH] . Het door [verdachte] gefactureerde bedrag aan [HH] komt niet overeen met de opgaaf ICP aan [HH] .
[HH] heeft niet voldaan aan de verplichtingen voor de btw in het Verenigd Koninkrijk en wordt gezien als een missing trader. De HMRC kon niet in contact komen met iemand van [HH] . Op 31 augustus 2016 is het btw-identificatienummer van [HH] ingetrokken.
De Britse vennootschap [JJ] Limited (hierna: [JJ] ) is opgericht op 17 maart 2015. Blijkens de inschrijving verrichtte [JJ] werkzaamheden in “combined office administrative service activities”. In de opgaaf intracommunautaire prestaties van [verdachte] is opgegeven dat [verdachte] in het derde kwartaal van 2015 en in het eerste kwartaal van 2016 heeft geleverd aan [JJ] . Het door [verdachte] gefactureerde bedrag aan [JJ] komt niet overeen met hetgeen is opgegeven in de opgaaf ICP. Uit de bankafschriften blijkt dat [verdachte] slechts één betaling heeft ontvangen van [JJ] .
[JJ] heeft niet voldaan aan de verplichtingen voor de btw in het Verenigd Koninkrijk. [JJ] heeft geen opgaaf intracommunautaire leveringen gedaan. De HMRC heeft niet in contact kunnen komen met [JJ] en heeft op 10 december 2015 het btw-identificatienummer ingetrokken. [JJ] is aangemerkt als missing trader.
Uit raadpleging van een publiek register op 30 oktober 2019 bleek dat [JJ] , [HH] , [T ] , [BB] , [S ] , [W ] , [U ] , [V ] , [Q] en [B] niet zijn geregistreerd als metaalschroothandelaar of verwerker. [P] en [KK] waren aanvankelijk evenmin geregistreerd op het moment dat betalingen werden gedaan aan [verdachte] , [A] en/of [D] . [P] is pas vanaf 19 oktober 2017 geregistreerd en [KK] vanaf 18 oktober 2017.
Conclusie
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat [verdachte] heeft gefactureerd aan 7 van de 12 onderzochte Britse vennootschappen, derhalve in korte tijd aan verschillende Britse vennootschappen, waarbij geldt dat:
- geen van deze vennootschappen aan haar fiscale verplichtingen voldoet;
- deze vennootschappen veelal namen en/of doelstellingen hebben die niet in verband kunnen worden gebracht met handel in metalen en/of schroot ( [BB] zit in de bouw, [Q] in telecommunicatie, [HH] in groente en fruit en [JJ] in administratieve dienstverlening);
- de Britse belastingdienst veelal geen contact krijgt met deze vennootschappen ( [BB] , [HH] en [JJ] ) dan wel de bestuurder van die vennootschap aangeeft een paar jaar niets met zijn bedrijf te hebben gedaan ( [Q] ) of niet te weten van handel met Nederlandse bedrijven ( [S ] ), hetgeen bijzonder is gelet op de omzet die in korte tijd zou moeten zijn gerealiseerd.
Ook [A] heeft gefactureerd aan 7 van de 12 onderzochte Britse vennootschappen, derhalve in korte tijd aan verschillende Britse vennootschappen, waarbij eveneens geldt dat:
- geen van deze vennootschappen aan haar fiscale verplichtingen voldoet;
- deze vennootschappen veelal namen en doelstellingen hebben die niet in verband kunnen worden gebracht met handel in metalen en/of schroot ( [BB] zit in de bouw, [Q] in telecommunicatie, [T ] in meubels, tapijt en verlichting, [U ] in kantoormachines en apparatuur, [V ] [LL] in IT en telecommunicatie en [W ] in de bouw);
- de Britse belastingdienst geen contact krijgt met deze vennootschappen ( [BB] , [T ] , [U ] en [V ] ) en/of de bestuurder van die vennootschap enkele jaren niets met zijn bedrijf heeft gedaan ( [Q] ) of aangeeft niet te weten van handel met [verdachte] ( [T ] ), hetgeen bijzonder is gelet op de omzet die in korte tijd zou moeten zijn gerealiseerd.
Wat betreft [D] geldt dat is gefactureerd aan 2 van de 12 onderzochte Britse vennootschappen ( [KK] en [B] ), waarbij [KK] niet aan haar fiscale verplichtingen heeft voldaan en als missing trader is aangemerkt. [B] is onder toezicht gesteld en als missing trader aangemerkt. Het BTW-nummer van beide vennootschappen is ingetrokken.
Dat [verdachte] zaken heeft gedaan met “bekende ondernemingen die al langer bestaan, waar we de directeuren van kennen en waarvan deze directeuren ook langskwamen bij [verdachte] BV”, zoals medewerker [medeverdachte 3] heeft verklaard, valt naar het oordeel van het hof niet te rijmen met de hiervoor gedane constateringen, vooral dat in belangrijke mate niet kan worden vastgesteld welke natuurlijke personen daadwerkelijk betrokken waren bij de Britse vennootschappen (en met wie zijdens [verdachte] contacten werden onderhouden) dan wel die personen niet konden worden getraceerd.
III.5 Verhouding [verdachte] - [A] en [verdachte] - [D]
Zoals hiervoor vermeld, heeft [verdachte] zowel (rechtstreeks) gefactureerd aan Britse vennootschappen als aan [A] en [D] , waarbij laatstgenoemde twee (Nederlandse) vennootschappen weer hebben (door)gefactureerd aan Britse vennootschappen. [verdachte] en [A] , althans de [familienaam medeverdachten] en [medeverdachte 4] , maken deel uit van gemeenschappelijke whatsappgroepen, en ook [medeverdachte 5] is in één van deze whatsappgroepen opgenomen. Uit de berichten in deze groepen, waarin de namen van Britse vennootschappen voorbij komen, evenals gewichten en geldbedragen in Britse ponden (GBP), leidt het hof af dat deze zien op de handel die aan de Britse vennootschappen is gefactureerd.
Uit diverse berichten volgt dat door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] van [verdachte] aan [medeverdachte 4] van [A] wordt gedicteerd wanneer hij een factuur moet sturen aan de Britse vennootschappen en wat daarin moet worden opgenomen. In dit verband wijst het hof op de navolgende berichten van 26 en 27 november 2015 in de whatsappgroep ‘Swifts [A] ’, waarin naast [medeverdachte 4] (R) en [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 7] ) ook een zekere [medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] ) deelneemt:
26/11/2015
R: So let me know about invoices. And I Immediately send invoice.
[medeverdachte 6] : Load 31 EM8239 Weight 26,240 @ £3047 Total £79,953.28 Any reject to be agreed and deducted from the next load Did you send this one [medeverdachte 4] ?
[medeverdachte 6] : This was payment made just now
R: Tomorrow I look if I have sent this invoice. Otherwise, I make that tomorrow morning
[medeverdachte 6] : Thanks mate
27/11/2015
[medeverdachte 6] : Load 35 EM8218 26,460 - R 150 from EM8239 net weight 26,310 @ £3073 total £80,850.63
[medeverdachte 7] : Ok mate thx .
[medeverdachte 6] : Please invoice
[medeverdachte 7] : Is [medeverdachte 4] awake to invoice
(...)
R: I send invoice to [P] And [MM] in 5 min
[medeverdachte 3] 2: Ok
[medeverdachte 6] : 1st payment done swift in 15 mins
[medeverdachte 7] : So today I more payment is coming?
[medeverdachte 6] : Yes mate
[medeverdachte 7] : Check also Cu try to fix another 150 mt.
[medeverdachte 7] : 200 also good @ 3100 GBP (het hof begrijpt hier en hierna: Britse ponden)
[medeverdachte 6] : 2nd payment only 24MT paid
[medeverdachte 6] : I put details later when I’m at home
R: Let me know. So I can make invoice Monday
[medeverdachte 6] : Yes mate no invoice until I discuss with [medeverdachte 2] thanks have nice weekend
Op 30 november 2015 stuurt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 8] : “Mate, because of accounting reasons we need to invoice all the loads today that we've send in November. (..) So I will let [A] (het hof begrijpt: [A] ) invoice all [e-mailadres] and then afterwards we can make claim invoices and price adjustments.” Ook hieruit volgt naar het hof de instructie van [verdachte] richting [A] wat betreft het opmaken en versturen van facturen: [medeverdachte 3] geeft immers aan dat hij [A] zal laten factureren (“So I will let [A] invoice”).
Vanaf 19 september 2016 maken [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] deel uit van een door [medeverdachte 2] aangemaakte whatsapp groep met de naam ‘ [...] ’. Ook in deze whatsappgroep wordt [A] door [verdachte] geïnstrueerd wat betreft de inhoud van door [A] te verzenden facturen aan Britse vennootschappen. Tevens vindt instructie door [verdachte] plaats omtrent de inhoud van e-mailberichten die [A] aan Britse vennootschappen dient te verzenden.
Zo vermeldt [medeverdachte 3] in een chatbericht van 19 september 2016 een emailadres van de Britse vennootschap [T ] en in een bericht daarna vraagt hij: ‘Kan jij een mailtje sturen met: Dear sir, This is my emailaddress. Regards [medeverdachte 4] .’ [medeverdachte 2] bericht: ‘Ja en dan deze invoice gelijk erbij’. [medeverdachte 4] vraagt daarna: ‘Gelijk company details vragen in de mail?’ [medeverdachte 2] geeft het aantal kilo’s, de prijs en het totaalbedrag door. [medeverdachte 2] vraagt ook een foto te maken van de facturen en deze in de app te sturen, ‘Dan kunnen we goed bijhouden.’
Op 20 september 2016 vindt in deze gemeenschappelijke appgroep overleg plaats over een betaling. Uit de berichtenwisseling volgt dat [medeverdachte 4] de (nauwkeurige) instructies opvolgt van [medeverdachte 2] :
R: Nog niks binnen
[medeverdachte 3] 2: Houd ff in de gaten
R: ja
[medeverdachte 3] 2: Betaling komt eraan
R: Nog niks
[medeverdachte 3] 2: Nee is nog niet gestuurd
[medeverdachte 3] 2: Zijn ze nu mee bezig
R: Oke
[medeverdachte 2] 3: Deel maar door 1.165
[medeverdachte 3] 2: Ok
R: Oke dan antwoord ik 1.165
[medeverdachte 2] 3: Ja
[medeverdachte 2] 3: Btr zelf delen en de prijs doorsturen
R: Heb al geantwoord
R: Volgende beter in EUR doen
R: Welke koers?
[medeverdachte 2] 3: Zou 1.17 pakken
R: Oke stuur ik zo EUR factuur
(...)
Op 28 september 2016 wordt [medeverdachte 5] door [medeverdachte 2] toegevoegd aan de whatsappgroep [...] .
Op 28 en 29 september 2016 geeft [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] de instructies voor [medeverdachte 4] door; [medeverdachte 4] vraagt ook zelf instructies met betrekking tot het opmaken van de facturen. De marge die [medeverdachte 4] ontvangt, wordt niet door hemzelf bepaald, maar door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] onderling:
28/09/2016
[medeverdachte 2] 3: [medeverdachte 3] wel even goed bijhouden want gister is die dan gegaan vandaag dat electro en dan zo door en tegen [medeverdachte 4] zeggen weegtickets etc voor gelijk de ga facturen te make
[medeverdachte 3] 2: Ja is goed
[medeverdachte 2] 3: Want die elctro gaat zo weg en dan morgen weer laden en die officials goed met Bil en fotos met laden en weegbon en gelijk factureren
[medeverdachte 3] 2: Ok os goed
[medeverdachte 2] 3: En goed bijhouden in sheet
R: [medeverdachte 3] geef mij ff die mt prijs voor die 19.78 birch. Het je daar nog tp code ofzo van
[medeverdachte 2] 3: 4110 kom je op
[medeverdachte 2] 3: 81.309
R: Ja
[medeverdachte 3] 2: Ik maak morgen overzicht
[medeverdachte 3] : Stuur k t op
R: Ja ik hou excel bij. Maar dan kan ik zo ff factuur maken
29/09/2016
[medeverdachte 2] 3: Wat er naar opa gaat
[medeverdachte 2] 3: Kan [A] (het hof begrijpt [A] ) facturen maken
(...)
[medeverdachte 3] 2: Ja, wat is [medeverdachte 4] z’n marge? Want heb verkocht aan hun voor 4325
R: Doe maar 100 p mt (smiley)
[medeverdachte 3] 2: Haha
[medeverdachte 2] : 4325 factureren
[medeverdachte 3] : Ja [A] naar hun maar wat wij
[medeverdachte 2] : 4315
[medeverdachte 2] : en hun betalen dit x tp
[medeverdachte 3] 2: ja
[medeverdachte 3] 2: Ik zal wat we voor hun laden ook voortaan de weegbonnen in deze app sturen
R: Geef je net als in die andere app. Tp nr. Gewicht en prijs door. Maak ik factuur
R: En materiaal
Op 19 en 20 oktober 2016 vindt onderling overleg plaats over de ontvangst van betalingen van de Britse vennootschappen; ook [medeverdachte 5] ( [D] ) is daarin betrokken en houdt de groep op de hoogte van binnenkomende betalingen:
19/10/2016
[medeverdachte 5] : There should be a total of £140 be made today. I will send confirmations to group as they come to me. Has my invoice been paid?
R: Nothing yet in account
[medeverdachte 5] : No, not been sent from uk yet, waiting on landing uk to uk. I should have confirmation within next hour sent to eu
R: Received GBP 60k
[medeverdachte 3] 2: Jonk?
R: Yes
[medeverdachte 3] 2: 80 also coming [medeverdachte 5] ?
[medeverdachte 5] : They put [T ] on 100k limit. So another 40today and balanced tomoz
[medeverdachte 3] 2: Ok
20/10/2016
[medeverdachte 3] 2: Morning [medeverdachte 5] , what can we expect today?
[medeverdachte 5] : What is balance?
R: If I am right. GBP 167.051,60
[medeverdachte 5] : 2 payment should of landed yesterday
R: Made mistake. Received 30.000 35.000 60.000. So balance is 102.051,60. [medeverdachte 3] is that right
R: Just received also 35.000
R: Balance 67.051,60
Naast de gemeenschappelijke groepen wordt ook in één-op-één appberichten met elkaar gecommuniceerd over facturen. Zo informeert [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 4] in (onder andere) de volgende berichten nadrukkelijk naar de betalingen van de facturen.
17 maart 2016:
[medeverdachte 1] : Heb je een foutje gemaakt met die spoedopdracht
(...)
R: Was restant van 2 facturen
R: Dan zijn die volledig betaald
(...)
[medeverdachte 1] : Er moet toch wel veel geld aankomen?
R: Ja
R: [medeverdachte 9] stuurt zo nog ff factuurtjes
R: Kan ik van gister restant over maken
[medeverdachte 1] : Okee
R: En is nu ook geld onderweg naar me
(...)
R: Maar ik wil die betalingen gewoon gelijk goed doen met exacte factuur bedragen
R: Anders word chaos
[medeverdachte 1] : Ja hou ‘t maar ff strak
(...)
R: Dus zit ff op [medeverdachte 9] te wachten. Dan kan ik weer wat overmaken. Als van [MM] binnen is
[medeverdachte 1] : Okee!
(...)
23 maart 2016:
[medeverdachte 1] : Denk jij dat we vandaag nog geld krijgen
R: Ja ik hoop het wel
R: Ben al vanaf vanmorgen bezig met die gozer
[medeverdachte 1] : Stalk die gasten dan de hele dag
[medeverdachte 1] : Gaat anders niet goedkomen
R: Ja heb al die betaal bewijzen door gestuurd
(...)
[medeverdachte 1] : Nog wat gehoord?
R: Ja van alles en nog wat
R: Maar nog geen geld
(...)
[medeverdachte 1] : Maar jij weet wel zkr dat dat geld is overgemaakt
[medeverdachte 1] : Niet dat die Engelsman ons dalijk zwaar erin hangt
R: Ja
R: Wat ik zie. Zie jij ook
[medeverdachte 1] : Ja dus je denkt wel dat ’t overgemaakt is
R: Ja daar ga ik vanuit
(...)
18/05/2016:
R: Had gister middag nog GBP 100.000 binnen gehad. Maak ik zo over
R: Vanochtend was er verder nog niks binnen
R: Heb net nog keertje GBP 255 overgemaakt
[medeverdachte 1] : Okee fijn
(...)
27/06/2016
[medeverdachte 1] : Verwacht jij nog wat geld?
R: Heb toevallig vanochtend wat overgemaakt 102
R: Weet niet of dat al binnen is
[medeverdachte 1] : Ja is binnegekomen
04/11/2016
[medeverdachte 1] : Verwacht jij nog iets vandaag
R: Denk het wel als goed is
[medeverdachte 1] : Okee
R: Rooie 119 GBP overgemaakt met
[medeverdachte 1] : Dankje
19/12/2016
[medeverdachte 1] : Heb jij nog geld binnen gehad
R: Nee nog niks. Niet veel
R: Heb bij elkaar van vrijdag en vandaag van verschillende. 90 binnen gehad
R: Maak ik straks over
[medeverdachte 1] : Okee
15/03/2017:
[medeverdachte 1] : Kun jij nog ff kijken voor betalingen
(...)
R: Maak met 118 gbp over
R: En doe nu 75
[medeverdachte 1] : Okee Dankje
Ook in één-op-één whatsapp berichten tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] wordt over de handel en betalingen met Britse vennootschappen gesproken.
Op 29 december 2016 instrueert [medeverdachte 3] [medeverdachte 4] omtrent een betaling van [P] :
[medeverdachte 3] 2: Als geld van [P] binnenkomst niks tegen [medeverdachte 10] zeggen
R: Ok
Op 15 januari 2017 wordt [medeverdachte 4] opgedragen al zijn facturen naar [P] en zijn bankafschriften vanaf juli (het Hof begrijpt: 2016) naar [verdachte] te brengen/mailen zodat deze kunnen worden vergeleken met de facturen van [verdachte] :
[medeverdachte 3] 2: Hey vriend
[medeverdachte 3] 2: Jij komt morgen naar ons?
(...)
R: Maar kan [medeverdachte 9] niet eerst is kijken wat er nou echt openstaat
[medeverdachte 3] 2: OK hoe laat ben jij bij ons?
[medeverdachte 3] 2: We moeten al jou facturen naar [P] hebben
[medeverdachte 3] 2: En jou bank
R: Want van de week was beetje uit de lucht gegrepen
[medeverdachte 3] 2: [medeverdachte 9] gaat vanaf juli alle swifts noteren
[medeverdachte 3] 2: Die leggen we dan naast de facturen en de betalingen
[medeverdachte 3] 2: En dan ook kijken onze facturen ten op zichte van de facturen naar [P]
R: Weet je [medeverdachte 9] pakt ook al andere facturen
(...)
[medeverdachte 3] 2: Kan jij me wel alvast jou bankafschriften mailen morgenochtend?
[medeverdachte 3] 2: Vanaf juli
R: Ja ik heb die vrijdag met [medeverdachte 10] doorgenomen
Op 16 januari 2017 vraagt [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 3] of er nog iets naar [T ] is gegaan, omdat hij een betaling van [T ] heeft ontvangen; kennelijk weet [medeverdachte 4] zelf niet weet wat hij (lees: [A] ) aan [T ] heeft geleverd. [medeverdachte 4] geeft verder aan [medeverdachte 3] door een betaling te hebben ontvangen van EMR en wordt opgedragen ook zijn bankafschriften van januari tot juni te sturen; ook wil [medeverdachte 3] de facturen van [medeverdachte 4] komen ophalen zodat hij alles naast elkaar neer kan leggen.
R: Is er nog wat naar [T ] gegaan?
[medeverdachte 3] 2: Wanneer?
R: Vorige week ofzo
R: Is 45 binnen gekomen
R: Stond nog +-25 open
[medeverdachte 3] 2: nee, niks geleverd
R: Oke
R: Emr is ook binnen
R: 89.788,00
[medeverdachte 3] 2: OK mooi
[medeverdachte 3] 2: Kan jij mij ook bank van jan-jun sturen aub
[medeverdachte 3] 2: En ik kom vanmiddag of morgen ff jou facturen ophalen dan kan ik alles naast elkaar neerleggen
Op 16 januari 2017 stuurt [medeverdachte 4] , zoals verzocht in voornoemde whatsappberichten van [medeverdachte 3] van 15 en 16 januari 2017, per e-mail afschriften van de bankrekening van [A] met af- en bijschrijvingen inzake [P] aan [verdachte] over de periode juli 2016 tot en met 16 januari 2017.
In berichten van 17 januari 2017 informeert [medeverdachte 4] naar een ‘credit’ omtrent rechtstreekse handel:
R: En dat ik nog een credit krijg van die mt die we gedaan hebben vanaf juli/aug dat alles rechstreeks is gegaan
R: Dus als dat ook nog rond de 40/50 is gaat het al hard
[medeverdachte 3] 2: Ja daarom
R: En als er 1 of 2 van opa dubbel zijn gedaan bijvoorbeeld
[medeverdachte 3] 2: Nee kan niet
[medeverdachte 3] 2: In principe...
Op 18 januari 2017 berichten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] elkaar over een te veel gefactureerd bedrag over half juli tot en met december:
R: Vanaf half juli tm december. Zit er een verschil van +-€45000 wat ik teveel heb gefactureerd. Dat kunnen koers verschillen zijn over 16.5 milj. Vind ik dat best netjes
R: Dat is nog geen half procent
[medeverdachte 3] 2: Ja das netjes
Op 19 januari 2017 instrueert [medeverdachte 3] [medeverdachte 4] omtrent een bericht dat [medeverdachte 4] naar [medeverdachte 11] (hof: van [P] ) moet verzenden, waarbij eerst de toestemming van [medeverdachte 2] wordt gevraagd en verkregen:
[medeverdachte 3] 2: Dear [medeverdachte 11] , In reply to your email regarding the invoice of load X52 I state following:
This load was advised and agreed on the following outcome:
1. 97% Content cu 14.760 x £4474 = £66,036.24
2. Copper Candy 4.000 x £4736 = £ 18,944
3. Tinned brass stampings 5.900 x £3320 = £19,588
4. This totals to the amount of £104,568.24 and therefor the correct invoice value.
In closing I would like to kindly remind you there are still outstanding invoices and would be grateful if this could be balanced accordingly without further delay.
Thank you in advance for your help in this matter.
Best regards,
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 3] 2: Ik kopieer dit ff naar [medeverdachte 2] of die het ermee eens is
[medeverdachte 3] 2: [medeverdachte 2] zegt is goed dus antwoord dat maar
R: Oke stuur ik dat door.
Het hof acht naast voornoemde berichten ook het volgende in het kader van de verhoudingen tussen [verdachte] , [A] en [D] van belang.
Betalingen van diverse Britse vennootschappen worden via [A] naar [verdachte] overgeboekt:
- In de periode 23 september 2016 tot en met 20 februari 2017 heeft [A] EUR 684.777 en GBP 745.680 ontvangen van [T ] Limited. In de periode 28 september 2016 tot en met 21 februari 2017 heeft [A] EUR 683.183 en GBP 864.213,48 overgeboekt naar [verdachte] . De betalingen van [T ] Limited naar [A] worden, met uitzondering van enkele vermengingen, bijna één op één door [A] doorgesluisd naar [verdachte] . De in- en verkopen van [A] zijn nagenoeg gelijk, waardoor [A] minimale winst heeft behaald op de handel met [T ] .
- De betalingen van [U ] worden door [A] bijna één op één overgeboekt naar [verdachte] . De in- en verkopen van [A] zijn gelijk, waardoor [A] geen winst heeft behaald op de handel met [U ] .
- De betalingen van [LL] en [EE ] worden bijna één op één door [A] overgeboekt naar [verdachte] . De in- en verkopen van [A] zijn gelijk, waardoor [A] geen winst heeft behaald op de handel met [LL] .
- De betalingen van [Q] aan [A] zijn bijna één op één overgeboekt naar [verdachte] .
- De betalingen van [W ] aan [A] worden bijna één op één overgeboekt naar [verdachte] .
Deze (bijna) één op één overboekingen door [A] aan [verdachte] van betalingen van Britse vennootschappen aan [A] zijn niet te verklaren vanuit een zakelijke relatie tussen [verdachte] en [A] .
Ook ten aanzien van [D] is sprake van omstandigheden die getuigen van een vergaande, niet in een zakelijke relatie passende, bemoeienis van [verdachte] met [D] . Zo zijn op de computer van [verdachte] facturen en digitaal briefpapier van [D] aangetroffen. Ook is in het digitale beslag bij [verdachte] een Excel bestand aangetroffen met de naam “Engeland 2017 nieuw”. In het Excel bestand zat een werkblad [KK] , bevattende een financieel overzicht van verkopen aan [KK] . De daarop in het rood aangegeven betalingen betreffen betalingen die [KK] heeft gedaan aan [D] . Voorts zijn in het beslag van [verdachte] verkoopfacturen aangetroffen van [verdachte] aan BM met daarachter weeg- en vervoersdocumenten (vrachtbrieven) van [verdachte] naar BM en van BM naar [B] .
Daarbij komt dat ook bij [D] sprake is van het overboeken van betalingen van Britse vennootschappen via [D] aan [verdachte] , immers alle betalingen die [D] van [B] heeft ontvangen worden meteen overgeboekt naar [verdachte] en alle betalingen die BM van [KK] heeft ontvangen zijn meteen overgeboekt naar [verdachte] . Er is geen winstmarge voor [D] . Deze overboekingen zijn niet te verklaren vanuit een zakelijk oogpunt.
Conclusie
Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat sprake is van een vergaande, niet in een zakelijke relatie passende bemoeienis van [verdachte] richting [A] , bestaande uit:
- het door [verdachte] dicteren van de inhoud van facturen en van e-mails van [A] gericht aan Britse vennootschappen;
- het door [verdachte] vrijelijk kunnen beschikken over bedrijfsadministratie van [A] , in de vorm van bankafschriften en facturen van [A] ;
- het door [verdachte] bepalen van de (winst)marge van transacties van [A] , terwijl [A] zelf kennelijk niet op de hoogte is van (in ieder geval een deel van) deze transacties en
- het door [A] aan [verdachte] meteen, (bijna) één op één, overboeken van betalingen van Britse vennootschappen aan [A] .
Ook wat betreft de verhouding tussen [verdachte] en [D] komt het hof tot deze conclusie:
- [verdachte] beschikt over interne stukken van [D] (digitaal briefpapier van [D] en een overzicht van betalingen van [KK] aan [D] ), zonder dat hiervoor een (zakelijke) reden is gegeven;
- alle betalingen van Britse vennootschappen aan [D] worden door [D] meteen overgeboekt naar [verdachte] .
Ook in de verhouding [verdachte] en [D] is daarom sprake van een niet in een zakelijke relatie passende bemoeienis van [verdachte] .
III.6 Aangiften omzetbelasting en facturen
Door [verdachte] zijn in de periode van 27 augustus 2015 tot en met 22 december 2017 aangiften omzetbelasting ingediend. Deze aangiften zijn opgenomen in doc-284 en doc-290. In de prestatielijsten (doc-287) is opgenomen dat in voornoemde periode ICL’s zijn verricht aan Britse vennootschappen, waaronder de hiervoor beschreven vennootschappen. In de aangiften omzetbelasting is de desbetreffende omzet verder vermeld in de rubriek voor ICL’s (vraag 3b), terwijl over die omzet geen omzetbelasting is berekend. Het totaalbedrag aan leveringen aan Britse ‘missing traders’ dat, zoals hierna wordt overwogen, onterecht is opgenomen in vraag 3b van de aangiften omzetbelasting bedraagt € 21.064.640. De facturen die door [verdachte] aan [A] zijn verzonden zijn opgenomen in doc-628 tot en met doc-659.
IV Eindconclusie feit 1: bewezenverklaring
De verdachte wordt onder feit 1 primair verweten dat hij, kort samengevat, in de periode van 27 augustus 2015 tot en met 22 december 2017 in Nederland onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan. Het hof acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.
(...)
Het hof overweegt dat uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en de daaruit getrokken conclusies volgt dat [verdachte] , terwijl zij bekend was met btw-fraude in de schroothandel in het Verenigd Koninkrijk, op grote schaal, voor vele miljoenen euro’s, heeft gefactureerd aan Britse vennootschappen. Voor zover naar die vennootschappen nader onderzoek is gedaan, is naar voren gekomen dat zij alle niet aan hun fiscale verplichtingen in Groot-Brittannië hebben voldaan. Voor het totaalbeeld van de Britse vennootschappen (de statutaire doelen die niets met schroothandel van doen hebben, de algehele vaagheid over wie erachter schuilgaat, de achtereenvolgende intrekkingen van btw-identiteitsnummers, het niet-betaald zijn van btw, de enkele verklaring van een statutair directeur) en voor hetgeen van enkele van die vennootschappen meer in het bijzonder bekend is, bestaat geen andere logische verklaring dan dat zij vehikels zijn geweest voor het plegen van btw-fraude. Die Britse vennootschappen, althans de meeste daarvan, waren kennelijk lege hulzen (c.q. katvangers). Met hen kunnen dan ook niet daadwerkelijk rechtsbetrekkingen tot levering van het schroot zijn aangegaan, zodat zij niet de afnemers van de leveringen van het schroot afkomstig van [verdachte] kunnen zijn. Wie de werkelijke afnemers daarvan wel zijn geweest, is daardoor grotendeels verhuld.
Daarbij heeft [verdachte] , na aanvankelijk rechtstreeks te hebben gefactureerd aan de Britse vennootschappen, op enig moment eerst [A] en daarna [D] als tussenschakel naar voren geschoven, terwijl daarvoor in het dossier geen enkele zakelijke argumenten zijn aangetroffen. Integendeel, uit de stukken blijkt van een vergaande bemoeienis van [verdachte] met beide bedrijven, hetgeen ongebruikelijk is bij vennootschappen die niet tot eenzelfde concern behoren, zoals in dit geval geldt voor [verdachte] , [A] en [D] . Dat vraagt om een afdoende verklaring, die niet is gegeven. Daarbij komt dat onderhandelingen en de resultaten daarvan over de condities van leveringen door [verdachte] aan [A] , respectievelijk [D] , niet zijn aangetroffen. De gestelde ‘gunfactor’ - [verdachte] en de [familienaam medeverdachten] zouden [medeverdachte 4] uit vriendschap hebben gegund ‘wat geld te verdienen’ - acht het hof ongeloofwaardig in het licht van de miljoenenomzet die daarmee ten koste van [verdachte] aan [medeverdachte 4] gegund zou zijn. Het hof concludeert dan ook dat [A] en [D] geen zelfstandige economische betekenis hebben gehad. Het door [verdachte] tussenschuiven van [A] en [D] , zonder enige realiteitswaarde, sterkt het hof in de overtuiging dat [verdachte] , samen met [A] en [D] , de btw-fraude heeft geïnitieerd en heeft geprobeerd deze zo lang mogelijk onopgemerkt te laten blijven.
Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] , [A] en [D] hebben geweten van de btw-fraude en dat zij de goede werking van het btw-stelsel in gevaar hebben gebracht door desondanks facturen uit te reiken aan anderen dan de onbekend gebleven werkelijke afnemers van de leveringen van schroot. Zij hebben aldus zelf btw-fraude gepleegd en zij wisten van btw-fraude bij/door de vennootschappen aan wie zij schroot hebben gefactureerd. Zij hebben daarom ten onrechte, want te kwader trouw, aanspraak gemaakt op voordelen ingevolge de btw-wetgeving (als het niet de toepassing van het nultarief is, dan wel het recht op aftrek van voorbelasting bij de aanschaf van het schroot van andere ondernemers), en door die voordelen doelbewust toch te claimen in de btw-aangiften, heeft [verdachte] opzettelijk onjuiste aangiften gedaan waardoor te weinig omzetbelasting is geheven. Aldus is naar het oordeel van het hof sprake geweest van een constructie, gericht op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en het verhullen daarvan door het opnemen van valse facturen in de bedrijfsadministratie. Daarbij is de samenwerking met en wetenschap van de verschillende participanten in die constructie voor een geslaagde uitvoering daarvan onontbeerlijk geweest:
- [verdachte] voor het indienen van o.a. onjuiste btw-aangiftes en voor het maken van valse facturen;
- [medeverdachte 2] voor het geven van de voor de btw-fraude relevante opdrachten aan (onder andere) [medeverdachte 4] en het onderhouden van de contacten in het Verenigd Koninkrijk;
- [medeverdachte 3] voor het uitvoeren van de voor de btw-fraude relevante boekhoudkundige verwerking en voor het geven van instructies;
- [medeverdachte 1] , bestuurder en eindverantwoordelijke, voor de controle van de facturen, voor het tekenen van de aangiften omzetbelasting en voor toezicht op de betalingen;
- [A] en haar bestuurder [medeverdachte 4] en [D] en haar bestuurder [medeverdachte 5] voor de administratieve verwerking van schijntransacties waardoor de fraude langer onopgemerkt kon blijven.
[verdachte] heeft in de aangiften omzetbelasting in de periode van 27 augustus 2015 tot en met 22 december 2017 leveringen van schroot naar het Verenigd Koninkrijk als intracommunautaire leveringen, waarvoor het nultarief geldt, in de aangifte verwerkt. Het oordeel dat [verdachte] zelf btw-fraude heeft gepleegd en wist van btw-fraude in het Verenigd Koninkrijk, brengt mee dat [verdachte] dit nultarief niet mocht toepassen. Het verweer, dat het aangifteformulier geen mogelijkheid biedt om de leveringen naar het Verenigd Koninkrijk anders aan te geven dan [verdachte] heeft gedaan, wordt verworpen. Het is genoegzaam duidelijk dat in vraag 3b van de aangifte slechts leveringen naar het buitenland mogen worden aangegeven waarvoor het nultarief geldt. Verder is, zoals in de inleiding reeds is overwogen, de aangifte omzetbelasting (ook) onjuist gedaan als het (per saldo) te betalen bedrag volgens de aangifte te laag is dan wel, indien de aangifte strekt tot een teruggaaf, het terug te vragen bedrag te hoog. Het is aan de ondernemer om er zorg voor te dragen dat het juiste bedrag aan omzetbelasting wordt berekend en voldaan. Dat is opzettelijk niet gedaan door [verdachte] .
Door de verdediging is aangevoerd dat sprake is van een pleitbaar standpunt. Het hof overweegt dat hiervan sprake is indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte naar objectieve maatstaven redelijkerwijs kon en mocht menen dat zijn uitleg van het belastingrecht juist was. Naar het hof begrijpt, stelt de verdediging dat het aangiftebiljet onduidelijk is en geen mogelijkheid biedt om verschuldigde omzetbelasting aan te geven voor leveringen naar andere EU-lidstaten. De omzet kon daarom niet op juiste wijze in het aangiftebiljet worden verwerkt, aldus de verdediging. Het hof overweegt dat de vraag hoe een aangiftebiljet moet worden ingevuld evenwel geen uitleg van het belastingrecht betreft en daarom niet kan worden aangemerkt als een pleitbaar standpunt.
(...)
[verdachte] was, gelet op het voorgaande, bekend met de fraude in de handelsketen. De Britse vennootschappen waren niet de werkelijke afnemers, maar werden gebruikt om fraude mogelijk te maken en om degenen met wie werkelijk werd gehandeld buiten beeld te houden. De Britse autoriteiten konden (nagenoeg) niet in contact komen met degenen die verantwoordelijk waren voor het voldoen van de juiste formaliteiten voor de omzetbelasting.
Het onder feit 1 ten laste gelegde opzettelijk niet doen van juiste aangiften omzetbelasting die er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven, kan worden toegerekend aan de rechtspersoon [verdachte] . De aangiften zijn gedaan op basis van informatie die is verstrekt door personen die werkzaam waren ten behoeve van de rechtspersoon. Het doen van de aangiften past in de normale bedrijfsvoering van [verdachte] en is dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf. Ook kon de rechtspersoon erover beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.”
3. Beoordeling van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte de in de bewezenverklaring onder 1 genoemde aangiften omzetbelasting “onjuist of onvolledig” heeft gedaan.
3.2
Voor zover het cassatiemiddel ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat deze aangiften omzetbelasting telkens onjuist of onvolledig zijn gedaan op de enkele grond dat “in de keten [van afnemers] uiteindelijk ergens (opzettelijk) geen btw wordt afgedragen” of dat “de werkelijke afnemer van de goederen buiten beeld raakt/grotendeels is verhuld”, berust het op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft, gelet op wat onder 2.1.2 is weergegeven, immers geoordeeld dat de verdachte en haar mededaders de btw-fraude zelf hebben gepleegd, in die zin dat zij wisten dat de vele verschillende Britse vennootschappen aan wie de verdachte met toepassing van het nultarief factureerde, niet aan hun daaruit voortvloeiende btw-verplichtingen zouden voldoen, zodat de verdachte en haar mededaders dit tarief niet hadden mogen toepassen. In zoverre is het cassatiemiddel tevergeefs voorgesteld.
3.3
Voor zover het cassatiemiddel klaagt over de begrijpelijkheid van dit oordeel, geldt het volgende.Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte, terwijl zij tevoren bekend was met (het risico van) btw-fraude met schroot in het Verenigd Koninkrijk, in de periode van 27 augustus 2015 tot en met 22 december 2017 tientallen miljoenen euro’s aan vele verschillende Britse vennootschappen heeft gefactureerd voor metaalschroot. Daarbij was opvallend dat de btw-identificatienummers van de Britse vennootschappen aan wie de verdachte en haar mededaders hebben gefactureerd na verloop van tijd (vrijwel) steeds werden ingetrokken en dat die vennootschappen ook werden ontbonden.Uit nader onderzoek naar twaalf van deze vennootschappen is gebleken dat geen van deze vennootschappen heeft voldaan aan haar fiscale verplichtingen, dat zij veelal namen en/of doelstellingen hadden die niet in verband kunnen worden gebracht met de handel in schroot en dat de Britse belastingdienst in tien van die gevallen geen contact heeft kunnen krijgen met deze vennootschappen. In de twee overige gevallen heeft de bestuurder van de vennootschap aangegeven een paar jaar niets met zijn bedrijf te hebben gedaan, of niet te weten van handel met Nederlandse bedrijven, wat naar het oordeel van het hof bijzonder is, gelet op de omzet die in korte tijd zou moeten zijn gerealiseerd.De verklaring van mededader [medeverdachte 3] dat de verdachte zaken heeft gedaan met “bekende ondernemingen die al langer bestaan, waar we de directeuren van kennen en waarvan deze directeuren ook langs kwamen bij [verdachte] BV” valt volgens het hof met de constateringen die over deze ondernemingen zijn gedaan niet te rijmen.Verder heeft het hof vastgesteld dat de verdachte na verloop van tijd zonder zakelijke argumenten eerst mededader [A] B.V. en daarna mededader [D] B.V. als tussenschakels naar voren heeft geschoven. De verdachte had met die bedrijven een ongebruikelijk vergaande, niet bij een zakelijke relatie passende bemoeienis en alle betalingen die deze bedrijven van de Britse vennootschappen hebben ontvangen zijn (bijna) één-op-één overgeboekt naar de verdachte, wat niet uit een zakelijke relatie te verklaren is.Op grond van dit alles heeft het hof de conclusie getrokken dat “voor het totaalbeeld van de Britse vennootschappen” geen andere logische verklaring bestaat dan dat zij vehikels zijn geweest voor het plegen van btw-fraude. Doordat zij “lege hulzen” c.q. katvangers waren aan wie het schroot niet kan zijn geleverd, is grotendeels verhuld wie de werkelijke afnemers van het schroot zijn geweest.Gelet op dit alles kon het volgens het hof niet anders zijn dan dat de verdachte en haar mededaders hebben geweten van de btw-fraude, maar dat zij desondanks facturen hebben uitgereikt aan anderen dan de onbekend gebleven werkelijke afnemers. Daardoor hebben zij zelf btw-fraude gepleegd.Dat oordeel is, mede in het licht van de gehele onder 2.1.2 weergegeven bewijsvoering, toereikend gemotiveerd. Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
3.4
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2025.
Conclusie 22‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. BTW-fraude; Rechts- en motiveringsklachten over bewezenverklaring opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting tegen nultarief en vervalsen van boekhouding door valse facturen; criteria voor het nultarief; bewijs van opzet bij derden vereist? Afnemerverhulling vereist? Verrassingsbeslissing? Spanning tussen nationaal belastingrecht en EU-recht. Strekt tot verwerping.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02468
Zitting 22 april 2025
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaak
[verdachte] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte
1. Overzicht
De feiten en de telasteleggin(en); samenhang met zeven andere zaken
1.1
Deze zaak betreft betrokkenheid bij intra-EU btw-fraude. De zaak hangt samen met de zaken van twee andere rechtspersonen en vijf natuurlijke personen, bij u aanhangig onder de nummers 24/02491, 24/02490, 24/02412, 24/02411, 24/02469, 24/02470 en 24/02413. Ook in die zaken concludeer ik vandaag.
1.2
Drie Nederlandse rechtspersonen (de verdachte, [A] BV en [B] BV) en hun leidinggevers ( [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ) zijn strafrechtelijk onderzocht in verband met levering van metaalschroot vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk (VK) pre-Brexit, dus intra-EU. De rechtspersonen werden verdacht van valselijk claimen van het btw-nultarief voor die intracommunautaire leveringen (ICL) en vervalsing van de bedrijfsadministraties door facturen op te nemen voor in werkelijkheid niet-bestaande onderlinge transacties of voor leveringen aan anderen dan de werkelijke afnemers die ten onrechte geen aangifte deden of geen btw voldeden in het VK.
1.3
De verdachte in de onderhavige zaak is volgens het hof Amsterdam de centrale rechtspersoon. Zij is bij arrest van 24 juni 2024 in hoger beroep veroordeeld tot een geldboete van € 95.000. In eerste aanleg was zij vrijgesproken door de Rechtbank Amsterdam.
1.4
In zes van de acht zaken (vier natuurlijke en twee rechtspersonen, onder wie de verdachte: nrs. 24/02411, 24/02412, 24/02413, 24/04268, 24/02469 en 24/02470) luiden de cassatieschrifturen wezenlijk gelijk en gaat het om de maatstaf voor (bewijs van) onjuistheid van de nultarief-aangiften en voor opzet op onjuistheid, en om de vraag of de bewijsmiddelen de bewezenverklaringen van onjuiste aangifte en/of valsheid in geschrift kunnen dragen. Ook in de twee resterende zaken (een rechtspersoon en diens bestuurder: nrs. 24/02491 en 24/02490) luiden de cassatie-schrifturen wezenlijk gelijk, maar in die zaken gaat het vooral om een Jaddoe-verweer: uw uitleg in HR NJ 2023/1061.van de Jaddoe-opinie van het VN-mensenrechten-comité zou in een geval zoals dit (een verrassingsbeslissing volgens de cassatieschriftuur) niet voldoende tegemoet kunnen komen aan de strekking van de opinie van het Mensenrechtecomité.
1.5
Het strafrechtelijke verwijt aan alle acht betrokkenen betreft hun betrokkenheid als (mede)pleger of leidinggever van een (mede)pleger bij:
(i) opzettelijk opmaken of doen van onjuiste omzetbelastingaangiften door de drie rechtspersonen ter zake van leveringen van metaalschroot aan afnemers in het Verenigd Koninkrijk (VK; toen nog EU-lid) tegen het nultarief voor intracommunautaire leveringen (ICL), hoewel zij wisten of hadden moeten weten dat de op de facturen vermelde Britse afnemers niet de werkelijke afnemers waren of de in het VK over de verwervingen verschuldigde btw niet voldeden, c.q. wisten dat hun onderlnge transacties verhullende schijntransacties waren en/of
(ii) het opzettelijk opmaken van valse facturen (die niet de werkelijke afnemers vermeldden, waaronder onderlinge facturen die niet de werkelijke gang van zaken weerspiegelden (schijntransacties)), en het opnemen van die facturen in de bedrijfsadministraties van de rechtspersonen.
De bewezenverklaring en dier motivering
1.6
Ten laste van de verdachte is in hoger beroep bewezen verklaard:
- Feit 1: meermalen medeplegen van opzettelijk onjuiste maandaangiften omzetbelasting, nl. ten onrechte naar het nultarief voor intra-EU-leveringen, en
- Feit 2: meermalen medeplegen van vervalsing van de bedrijfsadministratie door daarin facturen op te nemen die valselijk de schijn wekten van in werkelijkheid niet-bestaande handelstransacties met [A] BV, om btw-fraude mogelijk te maken.
1.7
Het hof heeft daartoe onder meer geoordeeld dat:
“IV Eindconclusie feit 1: bewezenverklaring
(…) uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en de daaruit getrokken conclusies volgt dat [verdachte] , terwijl zij bekend was met btw-fraude in de schroothandel in het Verenigd Koninkrijk, op grote schaal, voor vele miljoenen euro’s, heeft gefactureerd aan Britse vennootschappen. Voor zover naar die vennootschappen nader onderzoek is gedaan, is naar voren gekomen dat zij alle niet aan hun fiscale verplichtingen in Groot-Brittannië hebben voldaan. Voor het totaalbeeld van de Britse vennootschappen (de statutaire doelen die niets met schroothandel van doen hebben, de algehele vaagheid over wie erachter schuilgaat, de achtereenvolgende intrekkingen van btw-identiteitsnummers, het niet-betaald zijn van btw, de enkele verklaring van een statutair directeur) en voor hetgeen van enkele van die vennootschappen meer in het bijzonder bekend is, bestaat geen andere logische verklaring dan dat zij vehikels zijn geweest voor het plegen van btw-fraude. Die Britse vennootschappen, althans de meeste daarvan, waren kennelijk lege hulzen (c.q. katvangers). Met hen kunnen dan ook niet daadwerkelijk rechtsbetrekkingen tot levering van het schroot zijn aangegaan, zodat zij niet de afnemers van de leveringen van het schroot afkomstig van [verdachte] kunnen zijn. Wie de werkelijke afnemers daarvan wel zijn geweest, is daardoor grotendeels verhuld.
Daarbij heeft [verdachte] , na aanvankelijk rechtstreeks te hebben gefactureerd aan de Britse vennootschappen, op enig moment eerst [A] en daarna [B] als tussenschakel naar voren geschoven, terwijl daarvoor in het dossier geen enkele zakelijke argumenten zijn aangetroffen. Integendeel, uit de stukken blijkt van een vergaande bemoeienis van [verdachte] met beide bedrijven, hetgeen ongebruikelijk is bij vennootschappen die niet tot eenzelfde concern behoren, zoals in dit geval geldt voor [verdachte] , [A] en [B] . Dat vraagt om een afdoende verklaring, die niet is gegeven. Daarbij komt dat. onderhandelingen en de resultaten daarvan over de condities van leveringen door [verdachte] aan [A] , respectievelijk [B] , niet zijn aangetroffen. (…). Het door [verdachte] tussenschuiven van [A] en [B] , zonder enige realiteitswaarde, sterkt het hof in de overtuiging dat [verdachte] , samen met [A] en [B] , de btw- fraude heeft geïnitieerd en heeft geprobeerd deze zo lang mogelijk onopgemerkt te laten blijven.
Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] , [A] en [B] hebben geweten van de btw-fraude en dat zij de goede werking van het btw-stelsel in gevaar hebben gebracht door desondanks facturen uit te reiken aan anderen dan de onbekend gebleven werkelijke afnemers van de leveringen van schroot. Zij hebben aldus zelf btw-fraude gepleegd en zij wisten van btw-fraude bij/door de vennootschappen aan wie zij schroot hebben gefactureerd. Zij hebben daarom ten onrechte, want te kwader trouw, aanspraak gemaakt op voordelen ingevolge de btw-wetgeving (…), en door die voordelen doelbewust toch te claimen in de btw-aangiften, heeft [verdachte] opzettelijk onjuiste aangiften gedaan waardoor te weinig omzetbelasting is geheven. Aldus is (…) sprake geweest van een constructie, gericht op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en het verhullen daarvan door het opnemen van valse facturen in de bedrijfsadministratie. Daarbij is de samenwerking met en wetenschap van de verschillende participanten in die constructie voor een geslaagde uitvoering daarvan onontbeerlijk geweest:
- [verdachte] voor het indienen van o.a. onjuiste btw-aangiftes en voor het maken van valse facturen;
- [betrokkene 2] voor het geven van de voor de btw-fraude relevante opdrachten aan (onder andere) [betrokkene 4] en het onderhouden van de contacten in het Verenigd Koninkrijk;
- [betrokkene 3] voor het uitvoeren van de voor de btw-fraude relevante boekhoudkundige verwerking en voor het geven van instructies;
- [betrokkene 1] , bestuurder en eindverantwoordelijke, voor de controle van de facturen, voor het tekenen van de aangiften omzetbelasting en voor toezicht op de betalingen;
- [A] en haar bestuurder [betrokkene 4] en [B] en haar bestuurder [betrokkene 5] voor de administratieve verwerking van schijntransacties waardoor de fraude langer onopgemerkt kon blijven.
(…).
Het verweer, dat het aangifteformulier geen mogelijkheid biedt om de leveringen naar het Verenigd Koninkrijk anders aan te geven dan [verdachte] heeft gedaan, wordt verworpen. Het is genoegzaam duidelijk dat in vraag 3b van de aangifte slechts leveringen naar het buitenland mogen worden aangegeven waarvoor het nultarief geldt. Verder is (…) de aangifte omzetbelasting (ook) onjuist gedaan als het (per saldo) te betalen bedrag volgens de aangifte te laag is dan wel, indien de aangifte strekt tot een teruggaaf, het terug te vragen bedrag te hoog. Het is aan de ondernemer om er zorg voor te dragen dat het juiste bedrag aan omzetbelasting wordt berekend en voldaan. Dat is opzettelijk niet gedaan door [verdachte] .
Door de verdediging is aangevoerd dat sprake is van een pleitbaar standpunt. Het hof overweegt dat hiervan sprake is indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte naar objectieve maatstaven redelijkerwijs kon en mocht menen dat zijn uitleg van het belastingrecht juist was. Naar het hof begrijpt, stelt de verdediging dat het aangiftebiljet onduidelijk is en geen mogelijkheid biedt om verschuldigde omzetbelasting aan te geven voor leveringen naar andere EU-lidstaten. De omzet kon daarom niet op juiste wijze in het aangiftebiljet worden verwerkt, aldus de verdediging. Het hof overweegt dat de vraag hoe een aangiftebiljet moet worden ingevuld evenwel geen uitleg van het belastingrecht betreft en daarom niet kan worden aangemerkt als een pleitbaar standpunt.
(…).
[verdachte] was, gelet op het voorgaande, bekend met de fraude in de handelsketen. De Britse vennootschappen waren niet de werkelijke afnemers, maar werden gebruikt om fraude mogelijk te maken en om degenen met wie werkelijk werd gehandeld buiten beeld te houden. De Britse autoriteiten konden (nagenoeg) niet in contact komen met degenen die verantwoordelijk waren voor het voldoen van de juiste formaliteiten voor de omzetbelasting.
(…).
V Eindconclusie feit 2: bewezenverklaring
Ten aanzien van de facturen die bij feit 2 in de tenlastelegging zijn opgenomen, is het hof van oordeel dat deze vals zijn opgemaakt. Uit het voorgaande volgt dat de facturen die [verdachte] heeft gezonden aan [A] ten doel hadden om [A] louter op papier als tussenschakel te gebruiken bij de omzetbelastingfraude zodat deze zo lang mogelijk kon blijven doorgaan. Een economische realiteit voor het factureren aan [A] ontbreekt, omdat daaraan een schijnhandeling ten grondslag ligt. Het hof acht bewezen dat de facturen die door [verdachte] zijn opgemaakt en zijn verzonden aan [A] in de periode van 1 januari 2016 tot en met 14 november 2018 vals zijn. Deze zijn opzettelijk in strijd met de waarheid opgemaakt om btw-fraude mogelijk te maken, met het doel om die in de bedrijfsadministratie op te nemen en als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. De schijntransacties zijn dienstbaar aan de fraudeconstructie en zijn, evenals andere onderdelen van de constructie (zoals het indienen van onjuiste aangiften), opgezet om de btw-fraude mogelijk te maken en verborgen te houden.
(…).”
Het cassatieberoep
1.8
Namens de verdachte is op 28 juni 2024 cassatieberoep ingesteld. J.S. Nan, advocaat te 'sGravenhage, heeft namens haar één middel van cassatie voorgesteld. Volgens dat middel heeft het Hof art. 69 AWR, art 28quater(A) Zesde BTW-richtlijn,2.art. 51 Sr, art. 359 jo. 415 Sv en/of art. 6 EVRM geschonden of zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd in verband met het volgende:
(i) voor verlies van recht op aftrek van input-btw en op het nultarief bij intra-communautaire levering is onvoldoende dat ergens verderop in de handelsketen uiteindelijk geen btw is voldaan. Voor zover het Hof dat wél voldoende heeft geacht, heeft hij het recht geschonden omdat vereist is dat verderop in de keten de intracommunautaire verwerving (ICV) opzettelijk niet is aangegeven of weliswaar is aangegeven maar met de opzet om de verschuldigde btw niet te voldoen (ECLI:NL:HR:2018:51, r.o. 3.4.2). Heeft het Hof dit niet miskend, dan is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd omdat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de Britse afnemers opzettelijk geen ICV hebben aangegeven of ondanks aangifte de op de ICV verschuldigde btw opzettelijk niet wilden voldoen;
(ii) voor verlies van recht op aftrek van input-btw of recht op het nultarief bij intra-communautaire levering is evenmin voldoende dat de werkelijke afnemer buiten beeld, (deels) verhuld of onduidelijk is gebleven. Voor zover het Hof dat wél voldoende heeft geacht, heeft hij het recht geschonden omdat de maatstaf voor fraude is dat de leverancier de identiteit van de werkelijke afnemer heeft verborgen om die gelegenheid te geven de btw te ontduiken (HvJ zaak C285/09, strafzaak tegen R., ECLI:EU:C:2010:742, punt 55). Heeft het hof dit niet miskend, dan is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd omdat uit de bewijs-voering niet kan volgen dat de verdachte geen werkelijke rechtsbetrekkingen aanging met de in de bewezenverklaring genoemde Britse ondernemingen, noch dat die ondernemingen niet de werkelijke afnemers kunnen zijn. Het Hof heeft in elk geval een ontoelaatbare verrassingsbeslissing genomen door de verdachte geen gelegenheid te geven zich er over uit te laten of zij bij haar leveringen de identiteit van de echte afnemer heeft verborgen om die gelegenheid te geven btw te ontduiken. Door de bewezenverklaring desondanks daarop te baseren, heeft het Hof de beginselen van een eerlijk proces geschonden. Ook is het hof onvoldoende gemotiveerd voorbijgegaan aan een uitdrukkelijk onderbouwd pleitbaar standpunt.
Samenvatting conclusie
1.9
Ik acht het cassatiemiddel ongegrond omdat (i) de rechtsklachten mijns inziens rechtskundige opvattingen bestrijden die het hof niet koesterde en (ii) de motiveringsklachten mijns inziens geen innerlijke tegenspraak, onbegrijpelijkheid of gat in de (onderbouwing van de) bewezenverklaring aan het licht brengen. Ik bespreek in onderdeel 2 de rechtsklachten en in onderdeel 3 de motiveringsklachten. Ik verwijs daar naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU (HvJ) en van uw belastingkamer waaruit ik tamelijk uitgebreid citeer in een overzicht in onderdeel 4.
1.10
Hoewel de rechtsklachten mijns inziens berusten op verkeerde lezing van ’s hofs uitspraak, leggen zij wel de vinger op spanningen tussen (i) fiscaalrechtelijke en strafrechtelijke criteria voor ‘opzet’ respectievelijk ‘onjuist’ en (ii) EU-rechtelijke en nationaal-fiscaalrechtelijke criteria voor weigering van het nultarief. Ik ga daar – min of meer van ambtswege dus – op in omdat ik het voor de praktijk - de rechtszekerheid - wenselijk acht dat u punt (ii) opheldert, idealiter in een gemengde zetel.
Naar aanleiding van het cassatieberoep: twee rechtskundige punten
1.11
Het middel doet twee rechtskundige vragen rijzen op grensvlakken van rechtsgebieden. De eerste is of de rechtspraak van uw belastingkamer over ‘wist of had moeten weten’ (van btw-fraude verderop in de handelsketen) strookt met de (bindende) rechtspraak van het HvJ, dus of het nationale belastingrecht strookt met het (bindende) EU-recht. Die vraag raakt het delictsbestanddeel ‘onjuist’ van het telastegelegde art. 69(2) AWR. De fiscaalrechtelijke criteria die uw belastingkamer stelt voor verlies van recht op het nultarief lijkt af te wijken van de criteria die het HvJ daarvoor stelt. Dat zou een implementatieverzuim kunnen zijn.
1.12
De tweede vraag is die naar de verhouding tussen het nationale strafrecht en belastingrecht. Die vraag betreft het delictsbestanddeel ‘opzettelijk’ in art. 69(2) AWR. Het HvJ stelt fiscaalrechtelijk als criterium voor weigering van het nultarief dat de belastingplichtige ‘wist of had moeten weten’ van btw-fraude bij anderen in de handelsketen en hij acht daarvoor voldoende dat bewezen wordt (volgens nationaal bewijsrecht) ‘het verzuim om een zekere zorgvuldigheid aan de dag te leggen’. Dat criterium lijkt mij duidelijk lichter dan de strafrechtelijke eis voor opzet (in art. 69(2) AWR) dat de verdachte minstens bewust de aanmerkelijke kans op onjuistheid van zijn eigen aangifte heeft aanvaard. Als aan het fiscaalrechtelijke criterium ‘wist of had moeten weten van btw-fraude elders in de keten’ is voldaan, is dat dus niet voldoende om opzet op (eigen) onjuiste aangifte bewezen te verklaren. De strafrechter moet verdergaande wetenschap/opzet vaststellen om tot een bewezenverklaring op basis van art. 69(2) AWR te komen dan de belastingrechter om het nultarief te weigeren. Als de belastingrechter oordeelt dat het nultarief niet van toepassing is, is dat in beginsel strafrechtelijk voldoende bewijs dat aan het delictsbestanddeel ‘onjuist’ in art. 69(2) AWR is voldaan, maar niet dat ook aan het delictsbestanddeel ‘opzettelijk’ in die bepaling is voldaan.
1.13
De onjuistheid van de litigieuze aangiften zit volgens de bewezenverklaring in onjuiste toepassing van het nultarief bij de levering van metaalschroot aan onbekend gebleven Britse afnemers. Niet in geschil is dat het schroot daadwerkelijk aan Britse afnemers is geleverd voor de gefactureerde prijzen en kennelijk evenmin dat de (werkelijke) afnemers btw-ondernemers zijn (en daarom een met verdachte’s ICL corresponderende ICV hadden moeten aangeven in het VK). Aan de materiële voorwaarden voor het nultarief is dan in beginsel voldaan, maar het HvJ legt de Zesde BTW-Richtlijn aldus uit dat desondanks niet aan die voorwaarden is voldaan als de leverancier (de verdachte) wist of had moeten weten dat verderop in de handelsketen btw-fraude werd gepleegd, ongeacht of hij zelf fraudeerde en ongeacht of hij enig voordeel van die fraude door derden genoot. U zie de rechtspraak in onderdeel 4 hieronder.
1.14
Volgens ‘s hofs bewezenverklaring zijn de met verdachte’s ICLs corresponderende ICVs niet aangegeven in het VK, althans is geen Britse btw voldaan, terwijl dat wel had gemoeten. De op verdachte’s facturen vermelde afnemers zijn volgens de Britse belastingdienst (HMRC3.) missing traders (‘ploffers’; ‘katvangers’), of wisten van niets, of hadden niets met metaalschroot te maken. Als de verdachte dat wist of had moeten weten, heeft zij geen recht op het nultarief en zijn haar aangiften naar nultarief dus onjuist. Cruciaal voor de vraag of de aangifte ‘onjuist’ was (of het nultarief al dan niet toepasselijk was), is dus wat het fiscaalrechtelijke criterium ‘wist of had moeten weten’ inhoudt. Daarvoor heeft uw belastingkamer (zie HR BNB 2028/177 in 4.8 hieronder) als ‘essentieel gegeven’ aangemerkt:
‘het feit dat een andere ondernemer in dezelfde keten opzettelijk niet voldoet aan de verplichting verschuldigde btw aan te geven dan wel het feit dat die andere ondernemer verschuldigde btw in een keten van leveringen wel heeft aangegeven maar met de bedoeling deze btw niet te voldoen’.
‘Essentieel’ is dus dat opzet op btw-fraude bij ‘een andere ondernemer in dezelfde keten’ bewezen wordt.4.Strafrechtelijk betekent dat dat voor de vervulling van het delictsbestanddeel ‘onjuist’ in art. 69 AWR bewijs van opzet bij een ander dan de verdachte vereist is. Wordt dat derden-opzet op een ander strafbaar feit (gepleegd door die ander in het VK) niet aannemelijk gemaakt door de inspecteur, dan kan dus niet aangenomen worden dat de verdachte ‘wist of had moeten weten’ dat verderop in de keten btw-fraude werd gepleegd en kan het nultarief niet om die reden geweigerd worden, zodat de aangifte niet om die reden onjuist is, laat staan opzettelijk onjuist. Zonder bewijs van opzet bij een derde komen wij aan de vraag naar het opzet van de verdachte dus niet toe, want zonder derden-opzet is verdachtes aangifte fiscaalrechtelijk niet ‘onjuist’.
1.15
Op zichzelf is het niet onlogisch dat uw derde kamer bewijs van fraude-opzet bij een derde verderop (of eerder) in de handelsketen eist: zonder die opzet staat immers geen ‘btw-fraude’ vast, en als geen ‘fraude’ kan worden vastgesteld, kan ook niet worden vastgesteld dat de leverancier er van wist of moeten weten. Deze eis beschermt de belastingplichtige tegen een fiscale risico-aansprakelijkheid voor andermans btw-fraude.
1.16
Maar volgens de rechtspraak van het HvJ is voor ‘wist of had moeten weten’ en daarmee voor verlies van het recht op het nultarief al voldoende (zie de zaak HR/Finanzamt Wilmersdorf in 4.16 hieronder):
‘het verzuim [van een bedachtzame marktdeelnemer] om een zekere zorgvuldigheid aan de dag te leggen’.
En in de meer recente zaak Aquila Part Prod Com (zie 4.1 hieronder) oordeelde het HvJ dat voor verlies van recht op het nultarief voldoende is dat de belastingplichtige :
“(…) had kunnen weten dat de betrokken handeling onderdeel was van die fraude indien hij alle zorgvuldigheid had betracht”
En in de zaak C-285/09, R. (zie 3.7 hieronder) achtte het HvJ voor het verlies van het recht op het nultarief voldoende dat (curs. PJW):
“(…) op goede gronden kan worden aangenomen dat de intracommunautaire verwerving die volgt op de betrokken levering mogelijkerwijs ontsnapt aan de betaling van btw in de lidstaat van bestemming (…).”
In die gevallen (curs. PJW):
“(…) moet de lidstaat van vertrek (…) in beginsel weigeren vrijstelling te verlenen aan de goederenleverancier en deze verplichten de belasting achteraf te betalen [naheffen dus; PJW], ter voorkoming dat de betrokken transactie helemaal niet wordt belast.”
1.17
De fiscaalrechtelijke literatuur bekritiseert de rechtspraak van uw derde kamer dan ook omdat die een ruimere nultarieftoepassing lijkt toe te laten dan het EU-recht waarmee het nationale recht moet stroken (zie 4.10 en 4.11 hieronder). Anders dan uw belastingkamer, eist het HvJ niet het bewijs dat een andere ondernemer verderop of eerder in de keten opzettelijk btw niet aangeeft of wel aangeeft maar met de opzet om die niet te voldoen. De voorwaarde van bewijs van opzet van derden die uw derde kamer stelt, lijkt bepaald strenger dan de citaten in 1.16 hierboven. Dat zou EU-rechtelijk een implementatieverzuim zijn. Dat hoeft geen probleem te zijn als HR BNB 2028/177 (alsnog) EU-rechtconform bijgestuurd wordt. Met enige goede wil kan misschien al gezegd worden dat uw derde kamer al om is gegaan in haar ‘Salduz in het bestuursrecht’-uitspraak HR BNB 2025/9 (zie 4.12 hieronder).
1.18
EU-rechtconforme bijbuiging van HR BNB 2028/177 aldus dat voor nultariefweigering al voldoende is dat de verdachte zich niet als ‘bedachtzame marktdeelnemer’ heeft gedragen door een ‘verzuim om een zekere zorgvuldigheid aan de dag te leggen’, leidt ter zake van het bewijs van opzet wel tot spanning tussen het fiscaalrechtelijke criterium ‘wist of had moeten weten’ en het strafrechtelijke criterium voor opzet op onjuiste aangifte. Daar zit het tweede rechtskundige puntje van deze zaak, dat de Rechtbank als volgt heeft gesignaleerd:
“De rechtbank merkt op dat het fiscale criterium ’wist of had moeten weten' niet volledig aansluit bij de strafrechtelijke eis dat bij het doen van onjuiste aangifte of het valselijk opmaken van aangiften sprake is van opzet daartoe dan wel voorwaardelijk opzet in die zin dat een verdachte de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat hij te weinig omzetbelasting op de aangifte zou voldoen en die kans bovendien bewust heeft aanvaard. De vaststelling dat de belastingplichtige ‘had moeten weten’ dat in de keten sprake was van belastingfraude leidt dus niet tot de conclusie dat de belastingplichtige (voorwaardelijk) opzet had op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting of het valselijk opmaken van die aangiften.”
Die vaststelling dat de verdachte ‘had moeten weten’ (dus niet ‘wist’) leidt inderdaad slechts tot de conclusie dat zijn aangifte onjuist was, maar niet tot de conclusie dat hij ook (minstens voorwaardelijk) opzet op die onjuistheid had. Daarvoor is meer nodig, nl. bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat zijn aangifte onjuist was.
1.19
Mijns inziens kunt u deze tweede kwestie (de verhouding tussen nationaal strafrecht en belastingrecht) in casu laten rusten omdat het hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte niet alleen van de fraude had moeten weten, maar ervan wist en zelfs dat zij zelf meefraudeerde. Hij heeft immers geoordeeld dat (zie uitgebreider 1.7 hierboven):
“(…) het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] , [A] en [B] hebben geweten van de btw-fraude en dat zij de goede werking van het btw-stelsel in gevaar hebben gebracht door desondanks facturen uit te reiken aan anderen dan de onbekend gebleven werkelijke afnemers van de leveringen van schroot. Zij hebben aldus zelf btw-fraude gepleegd en zij wisten van btw-fraude bij/door de vennootschappen aan wie zij schroot hebben gefactureerd. Zij hebben daarom (…) te kwader trouw, aanspraak gemaakt op voordelen ingevolge de btw-wetgeving (…).“
Terecht heeft het hof daarbij geoordeeld dat strafrechtelijke veroordeling van de onbekend gebleven werkelijke afnemers niet vereist is. Die eis lijkt ook onmogelijk: als onbekend is wie die afnemers zijn, kunnen zij niet vervolgd worden. Juist het gegeven dat zij ontraceerbaar blijken, wat bij een correcte gang van zaken niet mogelijk is omdat verdachte’s ICL moet aansluiten op een (in het VK aangegeven) ICV door de (werkelijke) Britse afnemer, maakt de zaak fishy. Ontraceerbaarheid van de werkelijke afnemers impliceert onjuistheid van de tenaamstelling op de facturen, en maakt het tegelijk onmogelijk om een subjectief delictsbestanddeel (opzet) bij die (immers) onbekende te bewijzen.
1.20
De eerste kwestie, de aansluiting tussen EU-recht en intern belastingrecht, lijkt mij echter opgehelderd te moeten worden, want een verdachte kan geen opzet op onjuiste aangifte hebben als de aangifte überhaupt niet onjuist is (doordat opzet bij een derde niet bewezen kan worden). Ik meen dat u – desgeraden in een gemengde zetel – duidelijk moet maken dat voor verlies van het recht op nultarief niet vereist is dat bewezen wordt dat enige geïdentificeerde andere ondernemer in de keten opzet op btw-fraude had. Die ondernemers zijn juist ontraceerbaar gemaakt; er zijn alleen katvangers aangetroffen. Er hoeft mijns inziens slechts aannemelijk gemaakt te worden (i) dat de werkelijke afnemers - wie dat ook waren - geen aangifte deden of geen btw voldeden, (ii) dat de facturen ‘ploffers’ vermelden, en (ii) dat de facturerende leverancier onmiskenbaar lont had moeten ruiken en redelijkerwijs vergbaar onderzoek had moeten instellen. De huidige rechtspraak van uw belastingkamer lijkt mij daarover te onduidelijk, gezien het arrest HR BNB 2028/177 (zie 4.8 hieronder) waar de raadsman op wijst, ook al kan mogelijk met goede wil uit het recentere arrest HR BNB 2025/9 (Salduz in het bestuursrecht; zie 4.12 hieronder) afgeleid worden dat uw belastingkamer zijn rechtspraak al heeft bijgestuurd naar de koers van het HvJ in diens ná HR BNB 2018/177 gewezen arrest Aquila Part Prod Com (zie (4.1 hieronder).
2. De rechtsklachten: de criteria voor verlies van het recht op het nultarief; verrassingsbeslissing?
2.1
Voor toepassing van het nultarief is vereist dat het schroot wordt vervoerd naar een andere EU-lidstaat en de verwerving aldaar is onderworpen aan btw-heffing. Een ICL naar nultarief in de lidstaat van de leverancier kan in het btw-systeem alleen aan de orde zijn als er aangifte van een ICV in de lidstaat van bestemming tegenover staat. Volgens de rechtspraak van het HvJ EU moet de leverancier het nultarief geweigerd worden, zelfs als aan de materiële voorwaarden ervoor is voldaan, als die leverancier wist of had moeten weten dat verderop in de handelsketen (in casu: in het VK) btw-fraude werd gepleegd of zelf fraudeerde.
2.2
Verdachte’s aangiften omzetbelasting waren onjuist als geen recht bestond op het nultarief (c.q. aftrek van inkoop-btw) voor haar ICLs van schroot. Het middel stelt primair dat het Hof de gerechtigdheid tot die aftrek/dat nultarief rechtskundig onjuist heeft beoordeeld. Het (veronder)stelt dat het Hof er van uit is gegaan dat voor verlies van recht op aftrek van inkoop-btw en op het nultarief al voldoende is dat uiteindelijk ergens in de (Britse) handelsketen ten onrechte geen btw wordt voldaan, c.q. dat het Hof er vanuit is gegaan dat al voldoende is dat de werkelijke afnemer buiten beeld, (deels) verhuld of onduidelijk is gebleven.
2.3
Die (veronder)stellingen zijn mijns inziens niet juist. Het Hof is daar niet van uitgegaan. In onderdeel II (Juridisch kader) van zijn arrest heeft hij zich immers expliciet gebaseerd op het hieronder in 3.8 geciteerde arrest HR BNB 2018/177 van uw belastingkamer waarop ook de verdachte zich beroept, en vooral op de (bindende) uitleg door het HvJ van de Zesde BTW-Richtlijn. Het Hof heeft zich terecht gebaseerd op de HvJ-arresten Italmoda c.s.5.en Aquila Part Prod Com6.(zie 4.1 hieronder): een omzetbelastingplichtige die weet of had moeten weten dat hij – hoezeer ook passief - deelneemt aan een handeling die onderdeel is van btw-fraude, heeft in zoverre geen recht op aftrek van input-btw of nultarief. Het hof heeft zich verder terecht gebaseerd op het arrest R. (C-285/09; zie 4.4 e.v. hieronder)7.: ook frustratie van het EU-btw-stelsel door valse of onjuiste facturering of andere ‘manipulatie van bewijs’ verhindert aftrek van inkoop-btw en toepassing van het nultarief, met name als daardoor de werkelijke afnemer, die een ICV moet aangeven en bij doorlevering btw moet voldoen, buiten beeld van de betrokken belastingdiensten blijft. Terecht ook heeft het Hof als uitgangspunt genomen dat volgens het HvJ voor aftrek/nultariefweigering niet vereist is dat wordt vastgesteld wie allemaal bij de btw-fraude zijn betrokken en welke handelingen ieder van hen heeft verricht.8.
2.4
Anders dan het middel stelt, stelt r.o. 55 van het HvJ-arrest in de zaak R. (zie 4.4 e.v. hieronder) voor nultariefverlies ook niet als eis dat de leverancier de identiteit van de werkelijke afnemer heeft verborgen om die gelegenheid te geven de btw te ontduiken. Dat arrest houdt slechts in, gezien de context waarin de Duitse strafrechter zijn prejudiciële vragen stelde, dat óók als de goederen daadwerkelijk intracommunautair aan btw-ondernemers zijn geleverd voor de gefactureerde prijs (zodat in beginsel aan alle materiële voorwaarden voor het nultarief is voldaan), het nultarief toch geweigerd moet worden als de tenaamstelling van de facturen onjuist is om de identiteit van de werkelijke afnemer te verbergen om die gelegenheid tot btw-fraude te geven. Het voorwaardelijke verband is dus andersom: als er geknoeid wordt met facturen om fraude mogelijk of moeilijker traceerbaar te maken, is dat voldoende grond voor nultariefweigering. Zulk geknoei is dus geen noodzakelijke, maar wel een voldoende voorwaarde voor nultariefweigering. Voor die weigering is immers ook al voldoende ‘het verzuim om als bedachtzame marktdeelnemer een zekere zorgvuldigheid aan de dag te leggen’ bij tekenen van onregelmatigheden verderop in de keten. Het hof heeft vastgesteld (zie onderdeel III.2 van zijn arrest) dat de verdachte door de belastingdienst uitdrukkelijk is gewaarschuwd voor betrokkenheid bij btw-fraude in haar handelsketen met duidelijke frauderisico’s en -kenmerken
2.5
Wel moet de verdachte toegegeven worden dat uw belastingkamer voor constatering van onjuistheid van een btw-aangifte door onterechte nultarieftoepassing lijkt te eisen dat de fiscus bewijst dat een andere ondernemer in dezelfde keten opzettelijk niet voldoet aan de verplichting verschuldigde btw aan te geven of te voldoen. Zie HR BNB 2018/177 in 4.8 hieronder. Met Bijl (zie 4.10 hieronder) meen ik dat deze mogelijke discrepantie ten opzichte van de rechtspraak van het HvJ weggenomen moet worden door bijstelling van uw belastingrechtspraak. Het HvJ eist (zie onder meer 4.13 hieronder) dat de fiscus ‘aan de hand van objectieve gegevens’ bewijst dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat de handeling waarvoor hij btw-aftrek wil, onderdeel was van een keten waarin btw-fraude werd gepleegd. De bewijsmaatstaf is de nationaal(fiscaal)rechtelijke maatstaf, dus ‘aannemelijk maken’ is voldoende. De fiscaalrechtelijke vraag is dus of voldoende objectieve omstandigheden aannemelijk zijn geworden om de conclusie te kunnen dragen dat de verdachte wist of had moeten weten dat verderop in haar schroothandelsketen btw werd ontdoken. Niet vereist is dat precies wordt vastgesteld wie allemaal bij die btw-ontduiking zijn betrokken en welke handelingen ieder van hen heeft verricht, dus ook niet met welk opzet; zie Aquila Part Prod Com, r.o. 30, 36 en 58 in onderdeel 4.1 hieronder. Zoals het HvJ in die zaak overwoog: als er aanwijzingen zijn van onregelmatigheden of fraude, mag van de belastingplichtige worden verlangd dat hij extra zorgvuldigheid betracht om te voorkomen dat hij door zijn handelingen (in casu: vele leveringen gedurende een lange periode voor in totaal tientallen miljoenen aan wisselende en dubieuze Britse afnemers) betrokken raakt bij fraude. De nationale rechter moet beoordelen of de belastingplichtige , gelet op de omstandigheden van het concrete geval, voldoende zorgvuldigheid heeft betracht en de maatregelen heeft genomen die in die omstandigheden redelijkerwijs van hem konden worden verlangd. Heeft hij dat niet gedaan, dan bestaat geen recht op aftrek/nultarief en zijn andersluidende aangiften onjuist.
2.6
Dat niet vereist is dat wordt vastgesteld wie allemaal bij de btw-ontduiking zijn betrokken en welke handelingen ieder van hen heeft verricht, sluit mijns inziens uit, zoals het hof terecht overwoog, dat opzet op btw-fraude bij identificeerbare personen in de lidstaat van bestemming bewezen moet worden door de Nederlandse of lokale strafrechter of belastingrechter. Als niet bekend hoeft te zijn wie er allemaal betrokken zijn bij de heffingfrustratie - al dan niet mede door afnemerverhulling – in het bestemmingsland, noch welke handelingen zij daartoe precies verricht hebben, hoeft te minder strafrechtelijk opzet bij die onbekenden op die handelingen bewezen te worden.
2.7
Het Hof heeft niet, zoals het middel (veronder)stelt, voor rechtsverlies al voldoende geacht dat verderop in de handelsketen btw niet is voldaan of werkelijke afnemers verhuld werden waarvan de verdachte geen lucht had hoeven krijgen. Dat zou ook onzinnig zijn, want dan zou een volstrekt onverdacht faillissement van enige afnemer verderop in de (buitenlandse) handelsketen al tot vooraftrek- en nultariefweigering bij een brandschone leverancier leiden. Het Hof is duidelijk uitgegaan van een voor de onjuistheid van de aangifte ruim voldoende maatstaf, nl. niet alleen of de verdachte had moeten weten van btw-fraude verderop, maar of zij wist van de fraude en zelfs of zij er zelf aan meedeed.
2.8
Vervolgens moet strafrechtelijk ‘opzet’ op de aldus geconstateerde ‘onjuistheid’ van de aangifte bewezen worden. Daarvoor moet minstens bewezen worden dat de verdachte door eigen initiatief, wetenschap, onverschilligheid of laakbare onzorgvuldigheid bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij direct of indirect schroot leverde aan ontraceerbare werkelijke afnemers via missing traders (‘ploffers’) en dat de werkelijke afnemers hun btw-verplichtingen niet nakwamen. Het hof heeft ‘gewoon opzet’ bewezen verklaard, nl. dat de belanghebbende niet alleen wist hoe de vork in de steel stak, maar zelf meefraudeerde, en zelfs initator van de frauduleuze constructie was. Van een verkeerde of onvoldoende maatstaf voor het bewijs van ‘opzet’ op de ‘onjuistheid’ van de aangiften is dus geen sprake.
2.9
Gegeven de genoemde en hieronder te citeren vaste rechtspraak van het HvJ en de rechtspraak van uw belastingkamer kan het geen verrassing voor de verdachte zijn geweest dat het Hof de in die rechtspraak gegeven criteria bleek toe te passen. Van de gestelde verrassingsbeslissing kan mijns inziens geen sprake zijn. Het Hof heeft de verdachte bovendien, anders dan het middel stelt, alle gelegenheid gegeven om zich uit te laten over de vraag of haar leveringen de identiteit van de echte afnemer verborgen om die gelegenheid te geven btw te ontduiken. Alle acht zaken zijn op zitting geweest op 8, 9, 12 en 15 april, 27 mei en 24 juni 2024 en het hof heeft steeds alle acht verdachten opgeroepen en hun raadslieden vóór de eerste zitting per e-mail - en op de eerste zitting ook mondeling - expliciet laten weten dat hij hun aanwezigheid ter zitting(en) wenselijk achtte om hen over de feiten te kunnen horen. U zie het p.v. van de zitting van 8 april 2024, p. 3/4. De verdachten hebben er voor gekozen om niet te verschijnen. Op de zitting van 8 april naar hun redenen daarvoor gevraagd, hebben hun raadslieden geantwoord dat hun cliënten al op alle vragen antwoord hadden gegeven bij de FIOD en de rechtbank. De oudste raadsheer merkte op dat het hof niet voor niets een e-mail met verzoek om te verschijnen had gestuurd en wees op de jammerlijkheid van de afwezigheid van de verdachten. Maar ook op de zittingen van 9, 12 en 15 april, 27 mei en 24 juni 2025 zijn de verdachten niet verschenen. Het komt mij voor dat de verdediging de door dit middel gewenste gelegenheid tot zich uitlaten over de feiten aldus heeft vermeden. Van schending van beginselen van een eerlijk proces door het hof lijkt mij geen sprake.
2.10
Ik meen daarom dat de rechtsklachten ongegrond zijn.
3. De motiveringsklachten
3.1
Dan resteren de subsidiaire motiveringsklachten in beide middelonderdelen, inhoudende dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen (i) dat de (werkelijke) Britse afnemers opzettelijk geen ICVs aangaven of de katvangers ondanks hun aangifte de op de ICV verschuldigde btw opzettelijk niet wilden voldoen, en evenmin (ii) dat de verdachte geen werkelijke rechtsbetrekkingen aanging met de in de bewezenverklaring genoemde Britse ondernemingen, noch dat die ondernemingen niet de werkelijke afnemers kunnen zijn.
3.2
Zoals uit onderdeel 2 volgt, is die eerste motiveringsklacht op een onjuist uitgangspunt gebaseerd: voor veroordeling wegens opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting hoeft niet bewezen te worden dat bepaalde (werkelijke) Britse afnemers opzettelijk geen ICVs aangaven of dat de katvangers ondanks aangifte de opzet hadden om de op de ICV verschuldigde btw niet te voldoen. Voor vaststelling van (fiscaalrechtelijke) onjuistheid van de aangifte is voldoende het laakbaar onzorgvuldig voorbijgaan aan duidelijke tekenen van risico op betrokken raken of zijn bij btw-fraude. Voor (strafrechtelijke) opzet op die onjuistheid geldt vervolgens een strengere eis, nl. dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij onjuist aangifte deed, maar ook daarvoor is niet het bewijs vereist dat (ook) een bepaalde afnemer verderop in de keten opzettelijk btw-fraude pleegde. Het Hof heeft overigens bewezen verklaard dat de verdachte zelf btw-fraude pleegde, zodat de discussie over de vraag of zij had moeten weten dat ook andere ondernemers in haar handelsketen fraudeerden in zoverre enigszins academisch voorkomt.
3.3
De vraag is dus of het Hof op de door hem gebezigde bewijsmiddelen zonder motiveringsgebrek kon baseren dat (i) de verdachte de desbetreffende aangiften omzetbelasting opzettelijk onjuist heeft gedaan en (ii) haar bedrijfsadministratie heeft vervalst door er facturen aan [A] in op te nemen voor transacties die in werkelijkheid niet met [A] zijn aangegaan, zulks om btw-fraude mogelijk te maken.
3.4
Het heeft weinig zin hier al ’s hofs vaststellingen met betrekking tot de verdachte te herhalen of samen te vatten. Op het in onderdeel III.2 van de uitspraak weergegevene kon het hof baseren dat de verdachte duidelijk gewaarschuwd was voor betrokkenheid bij btw-fraude in haar handelsketen met duidelijke frauderisico’s en -kenmerken. Op de bevindingen op p. 8/9 onder ‘conclusie’, p. 11 onder ‘conclusie’, p. 17/18 onder ‘conclusie’ en op p. 25-26 kon het hof mijns inziens zijn eindconclusies op p. 26-30 baseren, waaronder de conclusie geciteerd in 1.7 en 1.19 hierboven, dat de verdachte niet alleen wist van de fraude, maar er zelf aan meedeed. Anders dan het middel stelt, kan mijns inziens op de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, met name de niet-betwiste gegevensverstrekking door HMRC, wel degelijk gebaseerd worden dat de op de facturen vermelde Britse afnemers niet de werkelijke afnemers van verdachte’s metaalschroot waren, c.q. dat als zij wél de werkelijke afnemers zouden zijn, zij kenbaar niet aan hun btw-verplichtingen voldeden.
3.5
Het middel stelt verder een tegenstrijdigheid in een detail in ’s hofs uitspraak, nl. dat het hof (i) enerzijds vaststelt dat [A] door (de leidingevers van) de verdachte commercieel onverklaarbaar tussen [verdachte] en de Britse afnemers werd geschoven als werkelijkheid-verhullend doorgeefluik (want volstrekt onzakelijk, onder meer zonder zakelijke winstmarge), en (ii) anderzijds ongeloofwaardig acht dat [A] ‘zomaar’ een miljoenenomzet van [verdachte] zou zijn toegeschoven omdat de (leidinggevers van de) verdachte het [A] bestuurder ( [betrokkene 4] ) wel ‘gunden’ om ‘wat geld te verdienen’, gegeven de miljoenenomzet die daarmee ten koste van [verdachte] aan [betrokkene 4] (bedoeld zal zijn: [A] ) gegund zou zijn. Van tegenstrijdigheid lijkt mij echter geen sprake. De steller van het middel constateert zelf dat de ene overweging over winst gaat (volgens het hof vrijwel nul bij [A] , hetgeen impliceert dat alle winst - commercieel inderdaad onbegrijpelijk – geheel bij [verdachte] bleef ondanks de overheveling van een enorme omzet naar [A] ) en de andere overweging over omzet gaat (die volgens de verklaringen van de verdachten zo maar ‘gegund’ werd aan [betrokkene 4] , wat evenmin begrijpelijk is, te minder als die miljoenenomzet [A] en dus ook [betrokkene 4] geen winst blijkt op te leveren). Beide overwegingen steunen juist consistent met elkaar de zonder geloofwaardige andere verklaring onontkoombare conclusie dat [A] tussenschuiving door motieven van belastingontduiking (sverhulling) verklaard moet worden. De ongeloofwaardigheid van de verklaring voor de commercieel onverklaarbare tussenschuiving van [A] (zomaar een miljoenenomzet in schroot afstaan om iemand iets te gunnen) ondersteunt de conclusie die ook volgt uit de door de verdachte en dier leidinggevers geregisseerde onzakelijke 1-op-1 doorsluizing – dus vrijwel zonder marge - van de betalingen uit het VK aan de verdachte. De tegenstrijdigheid zit dus niet in ’s hofs oordeel, maar juist in de beweringen van de verdachte in het licht van de vastgestelde feiten.
3.6
Ook ongegrond lijkt mij de klacht dat het hof ten onrechte niet zou zijn ingegaan op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, nl. een volgens de raadsman rechtskundig pleitbaar standpunt dat de inrichting van het aangifteformulier de verdachte gedwongen zou hebben tot een bepaalde onjuiste invulling ervan. Het hof heeft uitdrukkelijk gerespondeerd dat een (onjuiste) opvatting over het niet goed ingericht zijn van het aangifteformulier geen rechtskundig standpunt is met betrekking tot de uitleg van de wet of de Zesde BTW-richtlijn. Overigens laat ’s hofs arrest er weinig twijfel over bestaan dat aangifte naar het nultarief, waar dan ook op het formulier gesteld, hoe dan ook onjuist was.
3.7 (
(Ook) overigens lijkt het middel mij feitelijke (bewijs)oordelen te bestrijden die geenszins onbegrijpelijk zijn in het licht van ’s hofs bevindingen, geen gat vertonen dat een enigszins aannemelijk ander scenario toelaat, noch innerlijke onverenigbaarheden vertonen.
3.8
Ik meen daarom dat ook de motiveringsklachten ongegrond zijn.
3.9
Ook van ambtswege zie ik geen gronden voor vernietiging van de bestreden uitspraak.
4. Rechtspraakoverzicht: het fiscaalrechtelijk vereiste bewijs voor weigering van het nultarief (en van aftrek van inkoop-btw)
Dit onderdeel is vooral bedoeld als fiscale documentatie voor poenalisten.
4.1
Het arrest van het HvJ waar het hof zich vooral op heeft gebaseerd, is de zaak Aquila Part Prod Com9.(2021). In die btw-zaak verklaarde het HvJ het volgende voor recht:
“1) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat:
– zij zich ertegen verzet dat de belastingdienst, wanneer hij voornemens is een belasting-plichtige het recht op aftrek van voorbelasting te ontzeggen op grond dat deze belasting-plichtige heeft deelgenomen aan [btw-]fraude (…) van het type carrouselfraude, enkel het bewijs levert dat deze handeling deel uitmaakt van een keten waarbij facturen worden rondgestuurd;
– het aan de belastingdienst staat om ten eerste de bestanddelen van de fraude nauwkeurig te omschrijven en het bewijs van de frauduleuze handelingen te leveren, en ten tweede aan te tonen dat de belastingplichtige actief heeft deelgenomen aan die fraude of dat hij wist of had moeten weten dat de handeling waarvoor aanspraak op dat recht werd gemaakt, onderdeel was van die fraude, hetgeen niet noodzakelijkerwijs inhoudt dat moet worden vastgesteld wie allemaal bij de fraude betrokken was en welke respectieve handelingen zij hebben verricht.
2) Richtlijn 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat:
– zij zich er niet tegen verzet dat de belastingdienst, wanneer hij – om het recht op aftrek te weigeren – erop wijst dat de belastingplichtige actief heeft deelgenomen aan [btw-]fraude (…), de weigering aanvullend of subsidiair baseert op bewijzen die niet aantonen dat de belastingplichtige aan de fraude heeft deelgenomen, maar wel aantonen dat deze belastingplichtige had kunnen weten dat de betrokken handeling onderdeel was van die fraude indien hij alle zorgvuldigheid had betracht;
– het enkele feit dat de deelnemers van de toeleveringsketen – waarvan deze handeling deel uitmaakte – elkaar kenden, niet volstaat om aan te tonen dat de belastingplichtige heeft deelgenomen aan de fraude.
3) Richtlijn 2006/112, gelezen in samenhang met het evenredigheidsbeginsel, moet aldus worden uitgelegd dat:
– zij zich er niet tegen verzet dat, wanneer er aanwijzingen zijn van onregelmatigheden of fraude, van de belastingplichtige wordt verlangd dat hij extra zorgvuldigheid betracht om ervoor te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht niet betrokken raakt bij fraude;
– van hem evenwel niet worden kan verlangd dat hij complexe en grondige controles verricht, zoals die welke door de belastingdienst kunnen worden verricht;
– het aan de nationale rechter staat om te beoordelen of de belastingplichtige , gelet op de omstandigheden van het concrete geval, voldoende zorgvuldigheid heeft betracht en de maatregelen heeft genomen die in die omstandigheden redelijkerwijs van hem konden worden verlangd.
4) Richtlijn 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat:
– zij zich ertegen verzet dat de belastingdienst een belastingplichtige het recht op aftrek van (…) (btw) ontzegt op de enkele grond dat hij uit de nationale bepalingen of het Unierecht voortvloeiende verplichtingen inzake de veiligheid van de voedselketen niet is nagekomen;
– de niet-nakoming van die verplichtingen evenwel een van de elementen kan vormen die de belastingdienst in aanmerking kan nemen om zowel het bestaan van btw-fraude als de deelname van die belastingplichtige aan die fraude aan te tonen, ook al is er geen voorafgaand besluit van het bestuursorgaan dat bevoegd is om die niet-nakoming vast te stellen.
5) Het recht op een eerlijk proces dat is neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de
grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat:
het zich er niet tegen verzet dat de rechterlijke instantie waarbij beroep is ingesteld tegen het besluit van de belastingdienst, als bewijs voor het bestaan van [btw-]fraude (…) of voor de deelname van de belastingplichtige aan die fraude, rekening houdt met de niet-nakoming van die verplichtingen, indien dit bewijs kan worden betwist en debat op tegenspraak kan worden gevoerd voor deze rechterlijke instantie.
6) (…).
7) (…).”
4.2
Merckx becommentarieerde deze zaak in FED 2023/20 als volgt:
“De leer van het Hof van Justitie tot de onderhavige zaak
2. Uit de eerdere jurisprudentie van het Hof van Justitie over btw-fraude volgt dat aan de hand van objectieve elementen moet worden vastgesteld dat sprake is van btw-fraude.10.Tevens moet de Belastingdienst aan de hand van objectieve elementen bewijzen dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat sprake is van btw-fraude in de leveringsketen waarvan hij deel uitmaakt.11.Het is aan de nationale rechter om dit bewijs vervolgens te beoordelen en in voorkomend geval – indien het bewijs is geleverd – de aftrek van voorbelasting of de toepassing van het nultarief te weigeren.12.Het Hof van Justitie mag de juistheid daarvan niet onderzoeken. Dat is aan de nationale rechter.13.Ook zijn de nationale bewijsregels hier van toepassing aangezien het EU-recht niet in geharmoniseerde bewijsregels voorziet.14.Die regels mogen de doeltreffendheid van het Unierecht niet aantasten en dienen dat recht, en met name de in het Handvest gewaarborgde rechten te eerbiedigen.15.Zo is het niet toegestaan dat de Belastingdienst op basis van eenvoudige niet-onderbouwde vermoedens of veronderstellingen het recht op aftrek weigert omdat zij bijvoorbeeld daarmee betwijfelt of de economische handeling waarvoor een factuur is uitgereikt daadwerkelijk is verricht aan de belastingplichtige op wiens naam de factuur staat.16.Dergelijke niet-onderbouwde vermoedens zijn bijvoorbeeld dat het gaat om leveranciers die niet over het personeel en de middelen beschikken om de goederen te vervaardigen en/of leveren of de diensten te verrichten.17.Een bewijsregeling die bij aanwezigheid van bepaalde feiten of een groot aantal toereikende feiten het bestaan van fraude en wetenschap daarvan vermoedt is ook niet toegestaan. De Belastingdienst moet in elk individueel geval bewijs leveren dat de belastingplichtige wist of had moeten weten van de fraude.18.Ook wijst het Hof van Justitie er verscheidene malen op dat het feit dat de belastingplichtige niet beschikt over het personeel en middelen om goederen te vervaardigen of te leveren kan duiden op fraude, maar ook op het feit dat de belastingplichtige een beroep doet op onderaannemers of dat sprake is van een ABC-transactie.19.In de zaak Vikingo overwoog het Hof van Justitie dat niet van de belastingplichtige vereist mag worden om bewijs te leveren van alle handelingen die door deelnemers in de keten zijn verricht en van de economische activiteit van de deelnemers, waarbij het hem vervolgens wordt aangerekend dat het bewijs niet verifieerbaar is. Het is immers de Belastingdienst die aan de hand van objectieve gegevens zowel moet bewijzen dat sprake is van fraude als van wetenschap daarvan aan de zijde van de belastingplichtige .20.
3. Van de belastingplichtige wordt gevraagd om een zekere zorgvuldigheid aan de dag te leggen om niet betrokken te raken bij fraude. Hij moet maatregelen nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om die betrokkenheid te voorkomen. Hoe ver hij daarin moet gaan hangt af van de omstandigheden van het geval.21.Beschikt een belastingplichtige over aanwijzingen op basis waarvan onregelmatigheden of fraude kan worden vermoed dan kan hij verplicht zijn inlichtingen in te winnen over een andere marktdeelnemer teneinde zich te vergewissen van diens betrouwbaarheid.22.Er kan echter niet op algemene wijze worden vereist dat de belastingplichtige nagaat of de opsteller van de factuur de betrokken goederen in bezit had en kon leveren en zijn verplichtingen ter zake van btw-aangifte en -betaling is nagekomen om zich ervan te vergewissen dat geen sprake is van onregelmatigheden of fraude door marktdeelnemers in een eerder stadium. Hij hoeft ook niet te beschikken over documenten dienaangaande.23.Er mag namelijk niet geëist worden van de belastingplichtige dat hij controles verricht waartoe hij niet is verplicht, waarmee in feite controletaken van de Belastingdienst naar de belastingplichtige worden verschoven.24.De rechter moet hier op toezien.25.Anderzijds is het niet vereist dat de Belastingdienst bewijs levert dat de belastingplichtige te kwader trouw was.26.Het is niet vereist dat hij actief deelneemt aan de fraude door deze te bevorderen of te vergemakkelijken.27.Een onzorgvuldig handelende belastingplichtige wordt reeds met een weigering van het recht op aftrek geconfronteerd. Een dergelijke belastingplichtige had kunnen weten van de fraude, aldus het Hof van Justitie.28.
4. Om het recht op aftrek te kunnen weigeren is niet vereist dat de belastingplichtige winst heeft behaald met zijn deelname aan de frauduleuze transacties of een belastingvoordeel. Het enkele feit dat de belastingplichtige de fraudeurs behulpzaam is, maakt hem medeplichtig aan die fraude.29.Tevens is niet van belang of er een gevaar voor de derving van belastinginkomsten bestaat bij de transactie waarbij de belastingplichtige betrokken is, bijvoorbeeld omdat op die transactie de verleggingsregeling van toepassing is.30.Ook is niet van belang dat de fraude al heeft plaatsgevonden, waardoor de fraude door de belastingplichtige niet meer kan worden vergemakkelijkt of bevorderd. Volgens het Hof van Justitie maakt de belastingplichtige door goederen te kopen waarbij eerder in de keten fraude is gepleegd de afzet van de goederen mogelijk en kan daardoor het recht op aftrek worden geweigerd.31.
5. (…).
Bewijslevering door de Belastingdienst
6. Uit de onderhavige zaak volgen twee nieuwe punten (…). Het eerste punt is dat het Hof van Justitie iets meer uitweidt over de wijze waarop de Belastingdienst bewijs moet leveren. Volgens het Hof van Justitie moet de Belastingdienst als eerste de bestanddelen van de fraude nauwkeurig omschrijven en het bewijs van de frauduleuze handelingen leveren. Ten tweede moet de Belastingdienst aantonen dat de belastingplichtige actief heeft deelgenomen aan die fraude of dat hij wist of had moeten weten dat sprake was van fraude. Het bewijs van het bestaan van fraude en de betrokkenheid van de belastingplichtige bij de fraude betekent niet noodzakelijkerwijs dat moet worden vastgesteld wie allemaal bij de fraude betrokken is en welke respectieve handelingen zij hebben verricht.
8. Ook de Hoge Raad oordeelde over de bewijsvoering door de Belastingdienst.32.Volgens de Hoge Raad moeten het volgende worden vastgesteld:
1) hoe de desbetreffende keten van leveringen was ingericht en welke plaats de betrokken ondernemer in die keten innam,
2) in welke schakel(s) van die keten btw-fraude werd gepleegd en wat die btw-fraude inhield, en
3) dat en op welke gronden geoordeeld moet worden dat die ondernemer wist of had moeten weten dat de btw-fraude plaatsvond in die keten.
Deze benadering van de Hoge Raad lijkt mij in lijn met die van het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie oordeelt immers dat de Belastingdienst nauwkeurig moet omschrijven waaruit de fraude bestaat en het bewijs daarvan moet leveren. Dit komt overeen met de onder 1 en 2 genoemde vereisten van de Hoge Raad. Ook eist de Hoge Raad mijns inziens niet dat moet worden vastgesteld wie er allemaal betrokken is en welke handelingen zij hebben verricht. Wel, en dat volgt naar mijn mening ook uit het onderhavige oordeel van het Hof van Justitie, zal duidelijk moeten worden waaruit de fraude bestaat (eis 1 en 2 van de Hoge Raad) en op welke wijze de betreffende ondernemer daarbij betrokken is/welke plaats hij in de keten inneemt (eis 2 van de Hoge Raad). Vervolgens eisen zowel het Hof van Justitie als de Hoge Raad dat het bewijs wordt geleverd dat de betreffende belastingplichtige wist of had moeten weten van de fraude.
Toerekening wetenschap wettelijke vertegenwoordiger
9. Ten tweede oordeelt het Hof van Justitie in deze zaak dat de wetenschap van een opdrachtnemer, een wettelijke vertegenwoordiger van de ondernemer, kan worden toegerekend aan die ondernemer, waardoor sprake is van wetenschap van die ondernemer bij de btw-fraude. (…).
4.3
Jeronimus becommentarieerde deze zaak in BTW-bulletin 2023/23 als volgt:
“Passieve deelname aan btw-fraude: wist of had moeten weten
(…).
Indien vast komt te staan (bewijslast inspecteur) dat de belastingplichtige wist dat hij deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude, dan is de aan- of verkoop van de betrokken goederen of diensten de handeling die bepalend is om het Unierecht te weigeren. Het HvJ merkt hieromtrent op dat de inspecteur niet hoeft aan te tonen dat die belastingplichtige op een of andere wijze actief aan de fraude heeft deelgenomen, al was het maar door deze actief te bevorderen of te vergemakkelijken (HvJ Aquila Part Prod Com, punt 41). Het bewijs dat de Belastingdienst dient te leveren, moet volgens mij dan ook zien op de consensus met de andere deelnemers om gezamenlijk een dekmantel op te tuigen zodat de btw-fraude (elders) kan plaatsvinden (wist van btw-fraude). De bewijslast hieromtrent wordt door de inspecteur gedragen, conform de bewijsregels van het nationale recht, voor zover deze geen afbreuk doen aan de werkzaamheid van de communautaire rechtsorde.
Wordt het verwijt gemaakt (bewijslast inspecteur) dat de belastingplichtige had moeten weten dat hij door zijn aan- of verkoop deelnam aan een handeling die onderdeel was van een gepleegde btw-fraude, dan leidt het verzuim om een zekere zorgvuldigheid aan de dag te leggen tot de weigering van het recht op aftrek (HvJ Aquila Part Prod Com, punt 41). Volgens het HvJ dient de inspecteur in deze gevallen (dus) aan te tonen dat de belastingplichtige had kunnen weten dat de betrokken handeling onderdeel was van die fraude indien hij alle zorgvuldigheid wél had betracht.
Het gaat bij ‘behoorde te weten’ dus om het te leveren bewijs dat de belastingplichtige (bewust) heeft verzuimd een zekere zorgvuldigheid in acht te nemen én dat hij door het niet in acht nemen van deze zorgvuldigheid onderdeel uitmaakt van de btw-fraude. Met andere woorden: als de ondernemer de zorgvuldigheid wél in acht had genomen dan wist hij van btw-fraude elders in de keten.
Bedachtzame marktdeelnemer
Het HvJ herhaalt in Aquila Part Prod Com dat het niet in strijd is met het Unierecht te eisen dat een marktdeelnemer alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om ervoor te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht niet betrokken raakt bij belastingfraude. Hierbij hangt het voornamelijk van de omstandigheden van het concrete geval af welke maatregelen in dat specifieke geval redelijkerwijs kunnen worden verlangd van een belastingplichtige om ervoor te zorgen dat zijn handelingen geen deel uitmaken van fraude door een marktdeelnemer in een eerder of later stadium.
Daarbij voegt het HvJ toe dat een bedachtzame marktdeelnemer, wanneer er aanwijzingen van onregelmatigheden of fraude zijn, naargelang de omstandigheden van het geval verplicht kan zijn inlichtingen in te winnen over een andere marktdeelnemer van wie hij voornemens is goederen of diensten te (ver)kopen om zich te vergewissen van diens betrouwbaarheid.
Volgens het HvJ moet een belastingplichtige (dus) beschermd worden indien er aanwijzingen van onregelmatigheden of fraude bestaan, er (extra) inlichtingen opgevraagd worden en de ondernemer tot de conclusie komt: aan deze afnemer ga ik leveren of van deze leverancier ga ik afnemen – ondanks dat achteraf tóch sprake is van btw-fraude. De Belastingdienst mag namelijk niet eisen dat belastingplichtigen complexe en grondige controles van leveranciers doorvoeren die in feite de eigen controletaken naar hen doorschuiven. Zo mag de Belastingdienst in ieder geval niet verlangen:
1 dat de belastingplichtige nagaat of de leverancier als opsteller van de factuur belastingplichtig is;
2 dat de belastingplichtige nagaat of de goederen in bezit van de leverancier zijn;
3 dat de belastingplichtige nagaat of de leverancier de goederen kan leveren;
4 of de leverancier of afnemer zijn verplichtingen ter zake van btw-aangifte en betaling nakomt.
Uit het HvJ-arrest Aquila Part Prod Com volgt wederom dat iedere casus op zich staat en dat het van alle omstandigheden van het concrete geval afhangt wat van een belastingplichtige mag worden verwacht. In het bijzonder is het de vraag of er al dan niet aanwijzingen zijn op grond waarvan de belastingplichtige kan vermoeden dat er sprake is van onregelmatigheden of fraude én de vraag wat de belastingplichtige had kunnen doen om niet bij deze btw-fraude betrokken te raken.
Resumé
(…).
Niet moet uit het oog verloren worden dat het systeem van de btw met zich meebrengt dat elders in de keten fraude kan plaatsvinden. Datzelfde systeem betekent eveneens dat je niet alle fraude voorkomt of dat het gemis aan btw (in het buitenland) op Nederlandse ondernemers verhaald moet worden. Het is aan de bedachtzame overheid om te waken voor het ontstaan van een ongeoorloofde risicoaansprakelijkheid.”
4.4
De door het Hof eveneens aangehaalde zaak R. (C-285/09)33.betrof uitvoer tegen nultarief van auto’s vanuit Duitsland naar Portugal, waar de auto’s op papier aan afnemers werden geleverd van wie sommigen van niets bleken te weten en anderen niet in auto’s deden. In werkelijkheid werd geleverd aan - daardoor verhulde - autohandelaren, die hun verwerving niet aangaven en bij doorlevering aan hun klanten geen btw berekenden. R. werd daarvoor veroordeeld tot drie jaar gevangenis. De strafkamer van het Bundesgerichtshof wilde diens hoger beroep daartegen verwerpen, maar stelde veiligheidshalve prejudiciële vragen aan het HvJ omdat de Duitse belastingrechter in de parallelle fiscale procedure over de naheffingen ten laste van R het nultarief wél van toepassing had geacht, nu de auto’s wel degelijk waren geleverd aan ondernemers voor de gefactureerde prijzen, zodat aan alle materiële voorwaarden voor het nultarief was voldaan. Het EU-rechtelijke misbruikverbod was volgens het Finanzgericht evenmin van toepassing omdat voor de ICL een andere (commerciële) verklaring bestond dan oneigenlijk belastingvoordeel: de btw op de levering was immers niet in Duitsland, maar in Portugal verschuldigd. Weigering van het nultarief en van aftrek van input-btw zou bovendien kunnen leiden tot btw-heffing in beide landen, in strijd met de beginselen van neutraliteit en territorialiteit van de btw, aldus het Finanzgericht.
4.5
Het HvJ dacht daar anders over. Hij gaf de door het Bundesgerichtshof vastgestelde feiten en achtergronden als volgt weer:
“18. Sinds 2002 heeft R via een aantal manipulaties waarbij de identiteit van de werkelijke kopers van de auto’s werd verborgen, autohandelaren in de Portugese Republiek in de gelegenheid gesteld aldaar btw-fraude te plegen. Hierdoor kon hij de auto’s tegen een voordeliger prijs verkopen en dus meer winst maken.
19. Die manipulaties bestonden in het opmaken, ten behoeve van de boekhouding van de onderneming, van valse facturen op naam van fictieve kopers die werden opgevoerd als ontvangers van de leveringen. Op die facturen werd steeds de bedrijfsnaam van de zogenaamde koper vermeld alsook zijn btw-identificatienummer, de specificaties van de auto – die in werkelijkheid aan een andere koper werd geleverd –, de koopprijs en de aantekening `van btw vrijgestelde intracommunautaire levering overeenkomstig par. 6 a UStG’, waaruit kon worden opgemaakt dat de btw in Portugal zou worden betaald. De fictieve kopers waren werkelijk bestaande, in Portugal gevestigde ondernemingen, waarvan sommige op de hoogte waren van het gebruik van hun handelsnaam, terwijl andere er onbekend mee waren.
20. De werkelijke kopers verkochten de auto’s op hun beurt aan particuliere eindafnemers in Portugal, zonder de daaraan voorafgegane intracommunautaire verwerving te melden bij de Portugese belastingautoriteiten en zonder de over die verwerving verschuldigde btw te betalen. De reële zakelijke betrekkingen werden ook nog op andere manieren verhuld. (…).
21. Aldus verkocht en leverde de onderneming waarvan R bestuurder was, in 2002 en 2003 meer dan 1.100 auto’s voor ongeveer € 19 miljoen. In zijn belastingaangiften voor die twee jaren vermeldde R die transacties als btw-vrije intracommunautaire leveringen en in de aan het Bundeszentralamt für Steuern over te leggen `periodieke’ lijsten noemde hij de fictieve kopers als contractpartijen om identificatie van de werkelijke kopers in Portugal via het systeem voor uitwisseling van belastinginformatie op het niveau van de Unie te voorkomen.
22. (…). Bij vonnis van 17 september 2008 veroordeelde het Landgericht Mannheim [R.] tot een gevangenisstraf van in totaal drie jaar wegens belastingfraude (…). (…).
23. R heeft bij de verwijzende rechter beroep tot `Revision’ ingesteld tegen dit vonnis. Hij stelt dat de kwalificatie van de betrokken transacties door het Landgericht Mannheim niet juist is, nu het van btw vrijgestelde intracommunautaire leveringen betrof, aangezien de voertuigen daadwerkelijk aan professionele verkopers in Portugal zijn geleverd. Btw-inkomsten in Duitsland zijn nooit aan de orde geweest, aangezien deze belasting was verschuldigd in de lidstaat van bestemming, namelijk de Portugese Republiek. Het feit dat die belasting in laatstgenoemde staat niet is voldaan, doet niet ter zake.
24. (…).
25. De verwijzende rechter wijst erop dat hij, gelet op de voldoende duidelijke rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, nooit twijfels heeft gehad over de uitlegging van de Zesde Richtlijn en dat hij in twee vergelijkbare zaken reeds heeft geweigerd vrijstelling te verlenen voor een intracommunautaire levering.
26. Blijkens het dossier heeft het Finanzgericht Baden-Württemberg, in een op R betrekking hebbende parallelle fiscale procedure voor dezelfde feiten, echter in een beschikking van 11 maart 2009 zijn twijfels over de uitlegging van het Bundesgerichtshof met betrekking tot de weigering van de vrijstelling geuit en de tenuitvoerlegging van de aan R gerichte btw-aanslagen geschorst. (…).
4.6
Het Bundesgrichtshof stelde daarom de volgende prejudiciële vraag:
`Moet artikel 28 quater, A, sub a, van de Zesde Richtlijn in die zin worden uitgelegd dat vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor een levering van goederen als bedoeld in deze bepaling moet worden geweigerd, wanneer de levering weliswaar heeft plaatsgevonden, maar op grond van objectieve feiten vaststaat dat de belastingplichtige verkoper wist dat hij met de levering deelnam aan een goederentransactie die bedoeld was om de belasting over de toegevoegde waarde te ontduiken, of handelingen heeft verricht die tot doel hadden, de identiteit van de echte verkrijger te verbergen om deze of een derde in de gelegenheid te stellen de belasting over de toegevoegde waarde te ontduiken?’
4.7
Het HvJ antwoordde:
“43. Aangezien geen enkele bepaling van de Zesde Richtlijn in concreto bepaalt welke bewijzen de belastingplichtigen moeten leveren om in aanmerking te komen voor btw-vrijstelling, valt deze kwestie, zoals blijkt uit de eerste zinsnede van artikel 28 quater, A, sub a, van de Zesde Richtlijn, evenwel onder de bevoegdheid van de lidstaten (zie arrest Collée, reeds aangehaald, punt 24).
(…).
46. Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof dat om in aanmerking te komen voor vrijstelling op grond van artikel 28 quater, A, sub a, eerste alinea, van de Zesde Richtlijn, de goederenleverancier het bewijs dient te leveren dat de voor de toepassing van deze bepaling geldende voorwaarden, daaronder begrepen de door de lidstaten vastgestelde voorwaarden om een juiste en eenvoudige toepassing van de vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, belastingontwijking en misbruik te voorkomen, zijn vervuld (…).
47. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat R in het hoofdgeding aanspraak heeft gemaakt op btw-vrijstelling in omstandigheden waarin de geleverde goederen het Duitse grondgebied weliswaar hadden verlaten, maar de facturen en aangiften die hij ten bewijze van de intracommunautaire transacties aan de belastingautoriteiten had verstrekt, opzettelijk feitelijk onjuist waren. Volgens de verwijzende rechter heeft R in die facturen immers de identiteit van de werkelijke kopers verborgen om deze in de gelegenheid te stellen de btw over de in Portugal verrichte intracommunautaire verwerving te ontduiken.
48. Het overleggen van valse facturen of valse verklaringen en andere manipulaties van bewijs kunnen beletten dat de belasting juist wordt geheven, waardoor de goede werking van het gemeenschappelijke btw-stelsel in het gedrang komt. (…).
49. Derhalve staat het Unierecht niet eraan in de weg dat de lidstaten het opstellen van onregelmatige facturen als belastingfraude beschouwen en in dergelijke gevallen weigeren vrijstelling te verlenen (…).
50. De weigering tot vrijstelling bij niet-nakoming van een in het nationale recht opgenomen verplichting − in casu de verplichting tot identificatie van de afnemer voor wie de intracommunautaire levering bestemd is − heeft immers een afschrikkende werking die beoogt de doeltreffendheid van die verplichting te waarborgen en alle fraude en belastingontwijking te voorkomen (…).
51. In omstandigheden als die van het hoofdgeding kan de lidstaat van vertrek van de intracommunautaire levering op grond van (…) artikel 28 quater, A, sub a, van de Zesde Richtlijn bijgevolg weigeren vrijstelling te verlenen om (…) alle fraude, belastingontwijking en misbruik te voorkomen.
52. Met betrekking tot specifieke gevallen waarin op goede gronden kan worden aangenomen dat de intracommunautaire verwerving die volgt op de betrokken levering mogelijkerwijs ontsnapt aan de betaling van btw in de lidstaat van bestemming, ondanks de wederzijdse bijstand en de administratieve samenwerking tussen de belastingautoriteiten van de betrokken lidstaten, moet de lidstaat van vertrek evenwel in beginsel weigeren vrijstelling te verlenen aan de goederenleverancier en deze verplichten de belasting achteraf te betalen, ter voorkoming dat de betrokken transactie helemaal niet wordt belast. Volgens het fundamentele beginsel van het gemeenschappelijke btw-stelsel is bij elke transactie inzake productie of distributie immers btw verschuldigd, onder aftrek van de btw waarmee de onderscheiden elementen van de prijs rechtstreeks zijn belast (….).
53. Wat het evenredigheidsbeginsel betreft, dient erop te worden gewezen dat dit beginsel niet eraan in de weg staat dat een leverancier die aan belastingfraude deelneemt, wordt verplicht tot betaling achteraf van de btw over de door hem verrichte intracommunautaire levering, voor zover zijn betrokkenheid bij de fraude een beslissend element is dat in aanmerking moet worden genomen bij de toetsing van de evenredigheid van een nationale maatregel.
54. Voorts wordt aan de constatering in punt 51 van dit arrest niet afgedaan door het beginsel van fiscale neutraliteit en het rechtszekerheidsbeginsel en evenmin door het vertrouwensbeginsel. Deze beginselen kunnen immers niet op goede gronden worden aangevoerd door een belastingplichtige die opzettelijk aan belastingfraude heeft deelgenomen en het functioneren van het gemeenschappelijke btw-stelsel in gevaar heeft gebracht.
55. Gelet op al het voorgaande dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat in omstandigheden als die in het hoofdgeding, waarin een intracommunautaire goederenlevering weliswaar heeft plaatsgevonden, maar de leverancier bij de levering de identiteit van de echte verkrijger heeft verborgen om deze in de gelegenheid te stellen de btw te ontduiken, de lidstaat van vertrek van de intracommunautaire levering op grond van zijn bevoegdheden krachtens de eerste zinsnede van artikel 28 quater, A, van de Zesde Richtlijn kan weigeren vrijstelling te verlenen voor deze transactie.”
4.8
De raadsman wijst op r.o. 3.4.2. van het arrest HR BNB 2028/17734.van uw belastingkamer, ten betoge dat voor bewezenverklaring van ‘onjuist of onvolledig’ in art. 69 AWR in casu vereist is dat bewezenverklaard wordt dat de Britse afnemers opzettelijk geen ICV hebben aangegeven, of die weliswaar wel hebben aangegeven, maar met de opzet om de btw niet te voldoen. Die zaak betrof een handelaar in onder meer mobiele telefoons die volgens haar administratie tegen het btw-nultarief telefoons had geleverd aan afnemers in Duitsland en Luxemburg. Volgens het hof ging het om schijntransacties in een listig opgezette btwcarrousel. Hij baseerde dat onder meer op de omstandigheden dat (i) de telefoons op papier en fysiek steeds opnieuw werden verhandeld, (ii) de telefoons niet bij de op de facturen genoemde afnemers werden afgeleverd maar op een adres dat niet bij afnemers hoorde, (iii) in de carrousel “ploffers” zaten, onder wie [G], [E] en [F], alsmede “buffers”, onder wie de belanghebbende, (iv) de bedrijven [C], [B] en de GbR op papier keurig aan hun fiscale verplichtingen voldeden, (v) op verzoek van [H] geen btw werd berekend, (vi) de transacties op papier zo werden opgezet dat dit niet zou hoeven, (vii) [H] de contacten onderhield met belanghebbende namens de betrokken buitenlandse afnemers en de goederen bestelde, (viii) [H] samen met [A], directeur van belanghebbende, besliste aan welk bedrijf de goederen gefactureerd zouden worden en voor hoeveel, (ix) [H] het vervoer regelde, waarvoor valse bescheiden werden opgemaakt, (x) regelmatig grote bedragen contant werden overhandigd, (xi) in de strafrechtelijke procedure tegen [H] belanghebbendes facturen aan de afnemers als vals waren aangemerkt, en (xii) [AAA] - buiten het onderhavige tijdvak - was tussenschuiven tussen belanghebbende en [H] om mee te delen in de ontdoken btw. Het Hof had daarom geoordeeld dat geen recht bestond op het nultarief. Uw belastingkamer vond dat echter niet voldoende. Zij overwoog op het cassatieberoep van de belanghebbende als volgt:
“3.3. De middelen (…) voeren (…) aan dat het Hof – gelet op de stukken van het geding - niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat belanghebbende deelnam aan een btw-carrousel waarin “ploffers” zaten en dat belanghebbende wist van de btw-fraude.
3.4.1.
Bij de behandeling van de (…) middelen wordt het volgende vooropgesteld. Het Hof heeft in het midden gelaten of ter zake van de (…) leveringen werd voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van het nultarief voor leveringen van goederen die zijn vervoerd naar een andere lidstaat wanneer deze goederen aldaar zijn onderworpen aan de heffing van btw. Daarom moet in cassatie veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat aan die wettelijke voorwaarden werd voldaan. In dat geval wordt het nultarief geweigerd indien de betrokken ondernemer wist of had moeten weten dat hij deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen. Om het nultarief op die grond te weigeren is vereist dat wordt vastgesteld i) hoe de desbetreffende keten van leveringen was ingericht en welke plaats de betrokken ondernemer in die keten innam, ii) in welke schakel(s) van die keten btw-fraude werd gepleegd en wat die btw-fraude inhield, en iii) dat en op welke gronden geoordeeld moet worden dat die ondernemer wist of had moeten weten dat de btw-fraude plaatsvond in die keten.
3.4.2.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.1, laatste alinea, is overwogen, slagen de middelen (…) voor zover is aangevoerd dat het oordeel van het Hof dat de transacties tussen belanghebbende en [B], [C], de GbR, [E], [F] respectievelijk [G] onderdeel waren van een btwcarrousel met het doel op onrechtmatige wijze belastinggeld aan de schatkist te onttrekken, niet voldoende is gemotiveerd. Om een ondernemer het recht op toepassing van het nultarief te weigeren op de grond dat hij wist of had moeten weten dat hij deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen, vormt het feit dat een andere ondernemer in dezelfde keten opzettelijk niet voldoet aan de verplichting verschuldigde btw aan te geven dan wel het feit dat die andere ondernemer verschuldigde btw in een keten van leveringen wel heeft aangegeven maar met de bedoeling deze btw niet te voldoen, een essentieel gegeven. Op grond van de stukken van het geding is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet duidelijk op welk onderdeel van het proces-verbaal van de FIOD-ECD het Hof zijn oordeel heeft gebaseerd dat [G] in Luxemburg respectievelijk [E] en [F] in Duitsland opzettelijk niet hebben voldaan aan hun verplichting om aangifte te doen van een intracommunautaire verwerving van de mobiele telefoons dan wel, ingeval deze afnemers in die landen wel aan die verplichting hebben voldaan, dat deze afnemers de aldaar verschuldigde btw ter zake van een intracommunautaire verwerving hebben aangegeven met de opzet deze niet te voldoen. Het oordeel van het Hof dat in de carrousel “ploffers” zaten, onder wie [G] , [E] en [F] , behoefde daarom nadere motivering. Bovendien kan aan het oordeel dat [G] , [E] en [F] “ploffers” waren niet het gevolg worden verbonden dat bij de leveringen van mobiele telefoons aan de andere drie buitenlandse afnemers van belanghebbende - [C] , [B] en de GbR – sprake is geweest van btw-fraude, aangezien het
Hof niet heeft vastgesteld dat ook deze afnemers “ploffers” waren dan wel dat de mobiele
telefoons die aan deze drie afnemers zijn geleverd vervolgens zijn geleverd aan [G], [E] of [F] .
3.4.3.
Gelet op het voorgaande slagen reeds hierom ook de middelen voor zover die zijn gericht tegen het hiervoor in 3.2.3 weergegeven oordeel van het Hof dat belanghebbende wist dat zij deelnam aan een keten van leveringen die was gericht op btw-fraude.”
4.9
Voor verlies van het recht op het nultarief wegens ‘wist of had moeten weten’ is volgens dit arrest dus vereist dat wordt vastgesteld (r.o. 3.4.1):
- hoe de keten van leveringen was ingericht;
- welke plaats de verdachte daarin innam;
- in welke schakel(s) van die keten btw-fraude werd gepleegd;
- wat die btw-fraude inhield, en
- dat en op welke gronden geoordeeld moet worden dat de verdachte wist of had moeten weten dat btw-fraude plaatsvond in die keten,
maar volgens r.o. 3.4.2 is ook ‘essentieel’ bewijs dat de door de belastingplichtige op de factuur vermelde buitenlandse afnemers opzettelijk geen ICV hebben aangegeven of dat wel hebben gedaan maar met de opzet de verschuldigde btw niet te voldoen. De gedingstukken moeten duidelijk maken op (welk onderdeel van) welk bewijsmiddel (in de zaak ECLI:NL:HR:2018:51: het proces-verbaal van de FIOD-ECD) de feitenrechter dat baseert. Het oordeel dat in de keten ploffers (missing traders) zitten, behoeft voldoende motivering en aan de bevinding dat een deel van de op de facturen vermelde afnemers ploffer is, kan niet het gevolg worden verbonden dat het ook bij de andere buitenlandse afnemers wel om btw-fraude zal zijn gegaan als niet wordt vastgesteld dat ook die andere afnemers ploffers of doorgeefluiken naar ploffers waren. Het hof heeft in verdachte’s zaak getrouw de criteria genoemd in r.o. 3.4.1 nagelopen, maar is niet met zoveel woorden ingegaan op het criterium in r.o. 3.4.2. Dat was mijns inziens ook niet nodig omdat dat criterium, voor zover het niet strookt met de bindende rechtspraak van het HvJ, onverbindend is. Weliswaar kan een EU-Richtlijn niet uit zichzelf verplichtingen opleggen aan bedrijven en particulieren (daarvoor is omzetting in nationaal recht vereist), maar vaste rechtspraak van het HvJ is dat de lidstaten verplicht zijn misbruik en fraude ter zake van EU-rechten te bestrijden, zelfs als daarvoor geen basis bestaat in het nationale recht.35.Overigens lijkt uw belastingkamer haar criterium in r.o. 3.4.2 alweer verlaten te hebben (zie 4.12 hieronder) onder invloed van HvJ Aquila Part Prod Com, en dat ware mijns inziens te expliciteren.
4.10
Bijl was in BNB 2018/177 krtitisch op deze bewijseisen:
“3. (…). De Hoge Raad vond de motivering van het Hof opnieuw onvoldoende. Dit moet in het licht worden gezien van de uitlegging die de Hoge Raad geeft aan het begrip ‘weten of moeten weten’. De Hoge Raad stelt daaraan drie eisen. In de eerste plaats moet worden vastgesteld hoe de keten van leveringen is ingericht en welke plaats de ondernemer daarin had. In de tweede plaats moet worden vastgesteld in welke schakel(s) van de keten fraude werd gepleegd en wat die fraude inhield. In de derde plaats moet worden aangegeven dat en op welke gronden geoordeeld moet worden dat de ondernemer wist of had moeten weten dat de BTW-fraude in de keten plaatsvond. Ik denk dat de Hoge Raad zich met deze precisering op dun ijs begeeft. Bedacht moet worden dat het hier niet gaat om een wettelijke bepaling waar de Hoge Raad een inhoud aan kan geven, die dan geldt tot de wetgever ingrijpt of de Hoge Raad ‘omgaat’. Het gaat hier om een uitwerking van de uitleg van de BTW-richtlijn 2006 door het Hof van Justitie. Nu is duidelijkheid voor de praktijk niet ongewenst, maar bedacht moet worden dat die uitwerking nauwelijks status heeft, omdat de uiteindelijke invulling van het ‘weten of moeten weten’ aan het Hof van Justitie is. Daarvan zullen we de komende tijd vast nog het nodige horen. Opmerkelijk is ook dat de Hoge Raad de gegeven drieslag op geen enkele wijze motiveert. Het komt allemaal nogal apodictisch over, terwijl de Hoge Raad hier niet in de positie is apodictische uitspraken te doen. Het risico lijkt mij aanwezig dat de Hoge Raad zijn uitwerking zal moeten bijstellen naar aanleiding van antwoorden van het Hof van Justitie op vragen van buitenlandse rechters of nationale lagere rechters. Zeker nu het gaat om een delicaat leerstuk had enige voorzichtigheid mijns inziens de voorkeur verdiend.
4. Een en ander klemt te meer nu er gerede kritiek mogelijk is op de door de Hoge Raad gegeven uitwerking. Als het gaat om carrouselfraude is de eis van nauwkeurige omschrijving van de keten en wat daarin precies gebeurde naar mijn idee niet realistisch. Ik heb ooit een lezing van een FIOD-medewerker bijgewoond, die ons de meest bizarre schetsen liet zien van carrousels en met name ook in elkaar vervlochten carrousels die iets weg hadden van olympische ringen. Ik heb niet de indruk dat de inspecteur die carrousels moet kunnen reproduceren en precies aanwijzen waar er wat misging. Dat lees ik niet in de jurisprudentie van het Hof van Justitie, bijvoorbeeld het al genoemde arrest Italmoda c.s, waarin sprake is van een harde lijn. Weliswaar moet de Belastingdienst komen met een bewijs van fraude in de keten aan de hand van objectieve gegevens, maar ik vraag mij af of het zo gedetailleerd moet als de Hoge Raad eist. Hier wordt een motivering door de Hoge Raad node gemist. In dit verband lijkt mij ook van belang dat fraudeurs er belang bij hebben de verhandelde goederen en de handelsketen in een zwart gat te laten eindigen. Voor verdere kritische kanttekeningen bij de juistheid van de vereisten verwijs ik naar V-N 2018/8.15. Het wordt de Belastingdienst zo wel erg moeilijk gemaakt carrouselfraude te bestrijden, terwijl die bestrijding toch – naar het Hof van Justitie keer op keer benadrukt – een doel is dat door de BTW-richtlijn 2006 wordt erkend en gestimuleerd.
5. (…).
(…) merk ik nog op dat in de geciteerde overweging [r.o. 52 van het boven in 3.4-3.7 geciteerde HvJ-arrest C-285/09 (R.); PJW] sprake is van ‘op goede gronden kan worden aangenomen’ en ‘mogelijkerwijs’. Dat lijkt toch een minder strenge benadering dan die van de Hoge Raad.”
4.11
Ook de redactie van V-N 2018/8.15 was kritisch op de streng ogende eisen voor verlies van het recht op het nultarief:
“We vragen ons af of de Hoge Raad hiermee niet te zware eisen stelt aan het bewijs van ‘wist of had moeten weten’. De kern van btw-carrouselfraude is het gebruik van transacties om geld uit de schatkist te roven door (ergens in die keten) niet te voldoen aan de verplichting verschuldigde btw aan te geven/te voldoen, welke btw in die keten wel in aftrek wordt gebracht of verrekend. Om vast te stellen dat een (rechts)persoon van die fraude in de keten afwist of daarvan had moeten afweten, is essentieel dat die persoon wist dat hij/zij betrokken is bij een keten van leveringen waarbij in die keten btw-fraude wordt gepleegd. Wat ons betreft is dan bijvoorbeeld niet nodig dat hij precies weet door wie en voor welk bedrag de schatkist in de keten is getild. Er kunnen ook andere feiten en omstandigheden zijn waaruit dit al duidelijk blijkt. Het moet duidelijk kunnen worden bewezen waarom hij/zij wist of had moeten weten dat de btw zwaar ’niet-pluis’ was en hij/zij deel uitmaakte van een keten waarbij btw-fraude is gepleegd.
Het Hof van Justitie EU eist op dit punt in zijn (…) arrest van 18 december 2014, nrs. C-131/13, C-163/13 en C-164/13, BNB 2015/61, V-N 2015/4.18, H&I 2015/64 dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat de handeling waaraan hij deelnam, onderdeel was van btw-fraude door de leverancier of een andere ondernemer (…) in een eerder of later stadium van de toeleveringsketen (…). Het komt ons voor dat het ‘had moeten weten’ zich ook niet goed verdraagt met een grote mate van kennis van de transacties die deel uitmaken van de hele keten.”
4.12
Zoals in 1.10, 1.13 en 4.9 al opgemerkt: wellicht heeft uw belastingkamer zich deze kritiek al aangetrokken en is zij al – maar dan erg impliciet – om gegaan. In de recente zaak HR BNB 2025/936.(Salduz in het boeterecht) komt de voorwaarde van bewijs van opzet bij een afnemer niet meer voor. Uw derde kamer verwees wel naar r.o. 3.4.1 van HR BNB 2018/177, maar niet naar de r.o. 3.4.2 waarin zij bewijs van opzet op btw-fraude bij een andere ondernemer ‘essentieel’ noemde. De zaak betrof intracommunautaire leveringen van (tweedehands) auto’s die volgens de (onjuiste) facturen naar Hongaarse afnemers gingen maar in werkelijkheid naar onbekend gebleven afnemers in (vermoedelijk) Berlijn. De verdachte leverancier werd niet strafrechtelijk vervolgd, maar haar werd een fiscale vergrijpboete opgelegd. Ook in deze bestuurlijk afgedane zaak werd geklaagd over de bewijsconstructie ter rechtvaardiging van (a) de weigering van het nultarief en (b) de boete-oplegging. Uw belastingkamer overwoog:
“4.4.2 Zoals (…) overwogen, moet toepassing van het nultarief niet alleen worden ontzegd aan de belastingplichtige die btw-fraude heeft gepleegd, dan wel wist van dergelijke fraude, maar ook aan de belastingplichtige die had moeten weten dat hij door zijn levering betrokken was bij een handeling die onderdeel was van btw-fraude in een keten van leveringen. Om het nultarief op die laatstgenoemde grond te weigeren, is vereist dat aan de hand van objectieve gegevens wordt vastgesteld i) hoe de desbetreffende keten van leveringen was ingericht en welke plaats de betrokken ondernemer in die keten innam, ii) in welke schakel(s) van die keten btw-fraude werd gepleegd en wat die btw-fraude inhield, en iii) dat en op welke gronden geoordeeld moet worden dat die ondernemer had moeten weten dat de btw-fraude plaatsvond in die keten.37.Of de belastingplichtige had moeten weten dat de door hem verrichte transactie deel uitmaakte van een keten van transacties waarin fraude werd gepleegd, hangt volgens het Unierecht onder meer af van (…) de vraag of de belastingplichtige voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Wat betreft de mate van zorgvuldigheid die in dit kader moet worden betracht, geldt dat van een marktdeelnemer mag worden verlangd dat hij alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden geëist om ervoor te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht, niet betrokken raakt bij belastingfraude. Het hangt van de omstandigheden van het concrete geval af welke maatregelen de belastingplichtige in dat bepaalde geval redelijkerwijs moet nemen om ervoor te zorgen dat zijn handelingen geen deel uitmaken van fraude door een marktdeelnemer in een eerder of later stadium van de keten van transacties.38.
4.4.3
Middel 5 faalt voor zover het erover klaagt dat het Hof heeft nagelaten te toetsen of is voldaan aan de in rechtsoverweging 3.4.1 van het arrest van 19 januari 2018 geformuleerde vereisten (…). Het Hof heeft met zijn hiervoor in 3.2.2 weergegeven vaststellingen in kaart gebracht welke plaats de werkmaatschappij innam in de handelsketen en wat de btw-fraude inhield. Die vaststellingen komen erop neer dat de keten van leveringen van de tweedehands auto’s in kwestie begint bij de werkmaatschappij die deze auto’s, die zij bij derden had ingekocht, heeft doorverkocht aan de Hongaarse vennootschappen. Het Hof heeft – in cassatie niet bestreden – vastgesteld dat die Hongaarse vennootschappen niet de werkelijke afnemers van de door belanghebbende geleverde auto’s blijken te zijn geweest, dat ter zake van die leveringen geen intracommunautaire verwervingen zijn aangegeven in Hongarije of Duitsland en dat evenmin in die lidstaten btw is betaald, en verder dat uit de boeken, bescheiden en verklaringen van de werkmaatschappij niet blijkt wie de werkelijke afnemers zijn van de auto’s, zodat het administratieve spoor voor de Inspecteur daarmee dood liep. Aan die vaststellingen heeft het Hof kennelijk de conclusie verbonden en ook mogen verbinden dat de intracommunautaire verwervingen die in een andere lidstaat zijn gevolgd op de leveringen van belanghebbende ontsnappen aan de betaling van btw in de lidstaat van bestemming, ondanks de wederzijdse bijstand en de administratieve samenwerking tussen de belastingautoriteiten van de betrokken lidstaten. Hiermee heeft het Hof kunnen volstaan als het gaat om de hiervoor in 4.4.2, onder i) en ii) bedoelde vaststellingen die nodig zijn voor weigering van het nultarief op de grond dat de ondernemer had moeten weten dat hij door zijn levering betrokken was bij een handeling die onderdeel was van btw-fraude.
4.4.4
Middel 5 faalt ook voor zover het betoogt dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het van oordeel is dat belanghebbende had moeten weten dat binnen de door het Hof omschreven keten van leveringen btw-fraude zou worden gepleegd. De door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden zoals hiervoor in 3.2.3 en 3.2.4 weergegeven, laten geen andere conclusie toe dan dat de werkmaatschappij niet alles heeft gedaan wat onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van haar kon worden geëist om ervoor te zorgen dat zij door de handelingen die zij verrichtte, niet betrokken raakte bij btw-fraude. Dat geldt in het bijzonder wanneer in aanmerking wordt genomen, zoals het Hof heeft gedaan, (i) dat de door de werkmaatschappij verrichte verkopen zogenoemde afhaaltransacties betroffen, dat wil zeggen dat de werkmaatschappij de auto’s afleverde op een in Nederland afgesproken plaats en het aan degenen die de auto’s kwamen ophalen overliet om deze naar de lidstaat van bestemming te (doen) vervoeren, en (ii) dat dit gebeurde zonder dat zij enige voorzorgsmaatregel nam met betrekking tot het vaststellen van de identiteit van degenen met wie de transacties werden verricht en degenen die de auto’s kwamen ophalen, noch controle uitvoerde op de werkelijke bestemming van de auto’s. In het licht daarvan heeft het Hof uit de genoemde feiten en omstandigheden de conclusie mogen trekken dat de werkmaatschappij had moeten weten dat de op haar facturen vermelde afnemers niet de werkelijke afnemers van haar auto’s waren en ook had moeten weten dat als gevolg van de onjuiste opgave van de persoon van de afnemer en het bijbehorende btw-identificatienummer ter zake van de auto’s in een andere lidstaat geen btw op aangifte zou worden voldaan.”
Ik meen dat de bewijsconstructie van het hof in onze strafzaak minstens even overtuigend is als de hierboven door uw belastingkamer in deze bestuurlijke-boetezaak afgezegende bewijsconstructie. Ik merk daarbij op dat uw derde kamer voor het bewijs van gronden voor een vergrijpboete niet de maatstaf ‘aannemelijk maken’ stelt, maar de maatstaf ‘overtuigend aantonen’.
Uit deze recente uitspraak kan afgeleid worden dat uw belastingkamer niet langer bewijs van opzet bij concrete (maar juist ontraceerbare) ondernemers verderop in de keten eist, noch voor de weigering van het nultarief, noch – dat is strafrechtelijk van belang - voor vergrijpboete-oplegging. Zij heeft wellicht ingezien dat het zoveel mogelijk ontraceerbaar maken van de werkelijke afnemers en daarmee de onbewijsbaarheid van hun individuele opzet juist de kern en een sterke aanwijzing van fraude is. Maar mijns inziens ware dat dus expliciet te maken, idealiter in een gemengde zetel.
4.13
De zaak Ferimet39.betrof een Spaanse ondernemer die schroot had gekocht (dus niet verkocht) onder de btw-verleggingsregeling. Ferimet had de verlegde btw doorberekend aan haar eigen afnemers en was die verschuldigd alleen al op grond van haar vermelding ervan op de door haar uitgereikte factuur. Zij wenste daartegenover de naar haar verlegde btw op de inkoop af te trekken, maar de Spaanse fiscus weigerde die aftrek omdat haar factuur een fictieve leverancier vermeldde. De fiscus zag daarin een schijnhandeling om de werkelijke leverancier bewust te verhullen. Hij hief € 140.441,71 btw na en legde een boete ad € 140.737,68 op. Niet in geschil was dat het schroot daadwerkelijk aan Ferimet was geleverd. Volgens Ferimet kon aftrek van de (verlegde) btw haar niet worden geweigerd nu daadwerkelijk was geleverd en noch zij, noch haar leverancier btw verschuldigd was omdat beiden onder de verleggingsregeling vielen, die garandeert dat zij geen belastingvoordeel genoot. De Spaanse fiscus betoogde daartegenover dat vermelding van een fictieve leverancier op een factuur een schijnhandeling aantoont en dat zulke leveranciersverhulling moet worden geacht te wijzen op fraude. De Tribunal Supremo stelde het HvJ onder meer de volgende vraag:
“1) Moeten artikel 168 van [richtlijn 2006/112] (…), het uit deze richtlijn voortvloeiende beginsel van fiscale neutraliteit en de (…) rechtspraak van het Hof van Justitie aldus worden uitgelegd dat zij niet toestaan dat een ondernemer voorbelasting aftrekt, wanneer in het kader van de verleggingsregeling in de door die ondernemer verstrekte bewijsstukken (facturen) voor de door hem aangekochte goederen een fictieve leverancier wordt vermeld, waarbij niet wordt betwist dat de betrokken ondernemer de aankoop daadwerkelijk heeft verricht en de verworven goederen voor de uitoefening van zijn bedrijf heeft gebruikt?
(…)”
4.14
Het HvJ benadrukte dat de vragen alleen over het recht op aftrek van inkoop-btw gingen en niet over (een plicht tot) oplegging van een geldboete, noch over de evenredigheid van zo’n boete, en overwoog vervolgens onder meer dat kwade trouw niet bewezen hoeft te worden voor weigering van aftrek van inkoop-btw:
“29 In casu blijkt (…) dat de belastingplichtige bewust een fictieve leverancier op de (…) factuur heeft vermeld, waardoor de Inspección de los Tributos de werkelijke leverancier niet heeft kunnen identificeren, en dus evenmin diens hoedanigheid van belastingplichtige , als materiële voorwaarde voor het recht op btw-aftrek, heeft kunnen vaststellen.
(…).
40 Wat de bestrijding van btw-fraude betreft, kan de belastingdienst (…) niet op algemene wijze vereisen dat de belastingplichtige die het recht op btw-aftrek wenst uit te oefenen, met name nagaat of de leverancier van de goederen of diensten waarvoor dat recht wordt uitgeoefend, belastingplichtig is (…).
(…).
46 (…) moet (…) het recht op aftrek niet alleen worden geweigerd wanneer de belastingplichtige zich zelf schuldig maakt aan belastingfraude, maar ook wanneer vaststaat dat de belastingplichtige (…) wist of had moeten weten dat hij met de aankoop van deze goederen of diensten deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude (zie in die zin arresten van 6 juli 2006, Kittel en Recolta Recycling, C‑439/04 en C‑440/04, EU:C:2006:446, punt 59; 21 juni 2012, Mahagében en Dávid, C‑80/11 en C‑142/11, EU:C:2012:373, punt 45; 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, C‑189/18, EU:C:2019:861, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 14 april 2021, Finanzamt Wilmersdorf, C‑108/20, EU:C:2021:266, punt 22).
47 (…) een belastingplichtige die wist of had moeten weten dat hij door zijn aankoop deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude, [moet] voor de toepassing van richtlijn 2006/112 (…) worden beschouwd als deelnemer aan die fraude, ongeacht of hij winst haalt uit de doorverkoop van de goederen of het gebruik van de diensten in het kader van de belaste handelingen die hij in een later stadium verricht, aangezien deze belastingplichtige in een dergelijke situatie de fraudeurs behulpzaam is en aan de fraude medeplichtig wordt (beschikking van 14 april 2021, Finanzamt Wilmersdorf, C‑108/20, EU:C:2021:266, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 In situaties waarin was voldaan aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek, heeft het Hof tevens herhaaldelijk gepreciseerd dat het recht op aftrek alleen aan de belastingplichtige kan worden ontzegd wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat hij wist of had moeten weten dat hij door de aankoop van deze goederen of diensten waarvoor aanspraak op het recht op aftrek werd gemaakt, deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude gepleegd door de leverancier of een andere ondernemer die actief was in een eerder of later stadium van de toeleveringsketen (beschikking van 14 april 2021, Finanzamt Wilmersdorf, C‑108/20, EU:C:2021:266, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Het Hof heeft dienaangaande namelijk geoordeeld dat het niet verenigbaar is met de in richtlijn 2006/112 vastgestelde regeling van het recht op aftrek om door de weigering van dit recht een belastingplichtige te straffen die niet wist of niet kon weten dat de betrokken handeling onderdeel was van fraude door de leverancier of dat een andere handeling uit de toeleveringsketen die voorafging aan of volgde op de door deze belastingplichtige verrichte handeling, btw-fraude vormde, aangezien de invoering van een regeling van onvoorwaardelijke aansprakelijkheid immers verder gaat dan noodzakelijk is voor de bescherming van de rechten van de schatkist (beschikking van 14 april 2021, Finanzamt Wilmersdorf, C‑108/20, EU:C:2021:266, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Aangezien de weigering van het recht op aftrek een uitzondering is op de toepassing van het fundamentele beginsel dat dit recht is, staat het voorts volgens vaste rechtspraak van het Hof aan de belastingdienst om aan de hand van objectieve gegevens rechtens genoegzaam te bewijzen dat de belastingplichtige btw-fraude heeft gepleegd of wist of had moeten weten dat de handeling waarvoor aanspraak op het recht op aftrek wordt gemaakt, onderdeel was van een dergelijke fraude. De nationale rechter moet vervolgens nagaan of de betrokken belastingautoriteiten het bestaan van dergelijke objectieve gegevens hebben aangetoond (beschikking van 3 september 2020, Vikingo Fővállalkozó, C‑610/19, EU:C:2020:673, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Daar het Unierecht niet voorziet in regels voor de bewijsvoering in geval van btw-fraude, dienen deze objectieve gegevens door de belastingdienst te worden vastgesteld overeenkomstig de nationaalrechtelijke bewijsregels. Deze regels mogen evenwel de doeltreffendheid van het Unierecht niet aantasten (beschikking van 3 september 2020, Vikingo Fővállalkozó, C‑610/19, EU:C:2020:673, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Uit de in de punten 46 en 51 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak volgt dat het recht op aftrek aan deze belastingplichtige slechts kan worden ontzegd indien, na een algehele beoordeling van alle gegevens en alle feitelijke omstandigheden van het geval overeenkomstig de nationale bewijsregels, vaststaat dat hij btw-fraude heeft gepleegd of dat hij wist of had moeten weten dat de handeling waarvoor aanspraak op dat recht wordt gemaakt, onderdeel was van een dergelijke fraude (…). Het recht op aftrek kan slechts worden geweigerd wanneer deze feiten rechtens genoegzaam zijn aangetoond, anders dan middels veronderstellingen (zie in die zin beschikking van 3 september 2020, Crewprint, C‑611/19, niet gepubliceerd, EU:C:2020:674, punt 45).
53 In het kader van deze algehele beoordeling is in casu het feit dat de belastingplichtige die om aftrek verzoekt en de factuur heeft uitgereikt, bewust een fictieve leverancier op deze factuur heeft vermeld, een relevant gegeven waaruit blijkt dat deze belastingplichtige wist dat hij betrokken was bij een levering van goederen die onderdeel was van btw-fraude. Het staat echter aan de verwijzende rechter om, rekening houdend met alle gegevens en feitelijke omstandigheden van de zaak, te beoordelen of dit daadwerkelijk het geval is in het hoofdgeding.
(…).
58 Aangezien de verwijzende rechter heeft verwezen naar de mogelijke kwade trouw van de belastingplichtige die de identiteit van de werkelijke leverancier verhult, moet (…) worden toegevoegd dat het weliswaar niet in strijd is met het Unierecht om te eisen dat een marktdeelnemer te goeder trouw handelt, doch dat niet het bewijs dient te worden geleverd dat de belastingplichtige te kwader trouw was om hem het recht op aftrek te ontzeggen (zie in die zin beschikking van 14 april 2021, Finanzamt Wilmersdorf, C‑108/20, EU:C:2021:266, punten 30 en 31).
59 (…).
60 (…) dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat richtlijn 2006/112, gelezen in samenhang met het beginsel van fiscale neutraliteit, aldus moet worden uitgelegd dat het recht op aftrek van de btw over de aankoop van aan een belastingplichtige geleverde goederen aan die belastingplichtige moet worden ontzegd, wanneer hij bewust een fictieve leverancier heeft vermeld op de factuur die hij zelf voor deze handeling heeft uitgereikt in het kader van de toepassing van de verleggingsregeling, indien, gelet op de feitelijke omstandigheden en de door deze belastingplichtige verstrekte gegevens, de gegevens die nodig zijn om na te gaan of deze leverancier belastingplichtig was, ontbreken of indien rechtens genoegzaam is aangetoond dat deze belastingplichtige btw-fraude heeft gepleegd of wist of had moeten weten dat de handeling waarvoor aanspraak op het recht op aftrek wordt gemaakt, onderdeel was van een dergelijke fraude.”
4.15
Ik merk volledigheidshalve op dat de verleggingsregeling niet van toepassing is als de afnemer onbekend is.40.
4.16
De zaak HR/Finanzamt Wilmersdorf41.waarnaar het HvJ veelvuldig verwijst in de geciteerde zaak Ferimet betrof een echtpaar dat een drankengroothandel exploiteerde en aftrek wenste van de btw op de facturen van de leverancier P GmbH ad € 993.164 voor 2009 en € 108.417,87 voor 2010. Niet in geschil was dat die facturen zagen op daadwerkelijk door P GmbH aan HR (één van de echtgenoten) geleverde dranken. P GmbH was strafrechtelijk veroordeeld voor btw-fraude bij de inkoop van de nadien aan HR geleverde dranken. Volgens het strafvonnis had HR’s echtgenoot op grote schaal (voor circa € 80 miljoen) drank aan P GmbH geleverd zonder facturen. Een medewerker van P GmbH had voor die inkoop schijnfacturen opgesteld, op basis waarvan P GmbH ten onrechte aftrek van inkoop-btw had gevraagd. De drank was doorverkocht aan verschillende klanten, onder wie HR. De Duitse fiscus weigerde aftrek van inkoop-btw niet alleen aan P GmbH maar ook aan HR omdat HR met haar onderneming deel uitmaakte van de toeleveringsketen waarin de fraude was gepleegd. Nu de drank daadwerkelijk geleverd was voor de gefactureerde prijzen, betoogde HR dat zij voldeed aan de wettelijke voorwaarden voor aftrek van inkoop-btw. De Duitse fiscus betoogde dat HR zich op grond van de betrokkenheid van haar echtgenoot en het ongewone karakter van de handel had moeten realiseren dat zij met haar onderneming deel uitmaakte van een toeleveringsketen waarin btw-fraude was gepleegd. Het Finanzgericht Berlin-Brandenburg betwijfelde of de aftrek van de inkoop-btw kon worden geweigerd, nu bij de (daadwerkelijke) leveringen door P GmbH aan HR geen fraude was gepleegd, noch door P GmbH, noch door HR; die was al eerder gepleegd in een eerdere schakel in de toeleveringsketen en kon daarom niet meer gefaciliteerd worden door HR. Het Finanzgericht stelde de volgende vraag aan het HvJ:
“Dienen artikel 167 en artikel 168, onder a), van [richtlijn 2006/112] in die zin te worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de nationale btw-regeling aldus wordt toegepast dat het recht op aftrek van voorbelasting ook dan wordt geweigerd wanneer in een eerder stadium van de toeleveringsketen belastingfraude is gepleegd en de belastingplichtige hiervan op de hoogte was of had moeten zijn, maar noch aan de btw-fraude heeft deelgenomen noch daarbij was betrokken en evenmin de gepleegde btw-fraude heeft bevorderd of vergemakkelijkt?”
Het HvJ overwoog onder meer:
“26 In tegenstelling tot de wijze waarop de verwijzende rechter de rechtspraak van het Hof opvat, blijkt (…) uit de in de punten 21 tot en met 25 van deze beschikking vermelde rechtspraak duidelijk dat het enkele feit dat de belastingplichtige goederen of diensten heeft gekocht terwijl hij op enigerlei wijze wist dat hij met deze aankoop deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude in de toeleveringsketen, voor de toepassing van richtlijn 2006/112 als deelname aan die fraude wordt beschouwd. Zoals de Duitse regering aanvoert, is de enige positieve handeling die in een dergelijke situatie bepalend is om het recht op aftrek te weigeren, de aankoop van die goederen of diensten. Om een dergelijke weigering te rechtvaardigen behoeft dus niet te worden aangetoond dat die belastingplichtige op een of andere wijze actief aan de fraude heeft deelgenomen, al was het maar door deze actief te bevorderen of te vergemakkelijken. De vaststelling dat hij niet heeft verhuld vanwaar de goederen afkomstig waren en door wie zij werden geleverd, doet evenmin ter zake.
27 Dit geldt temeer daar volgens deze rechtspraak de belastingplichtige het recht op aftrek ook wordt ontzegd indien deze had moeten weten dat hij met zijn aankoop deelnam aan een handeling die deel uitmaakte van eerder in de toeleveringsketen gepleegde btw-fraude. In een dergelijke situatie leidt het verzuim om een zekere zorgvuldigheid aan de dag te leggen tot de weigering van het recht op aftrek.
28 In zoverre heeft het Hof reeds herhaaldelijk geoordeeld dat het niet in strijd is met het Unierecht om te eisen dat een marktdeelnemer alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht, niet betrokken raakt bij belastingfraude, waarbij het voornamelijk van de omstandigheden van het concrete geval afhangt welke maatregelen in dat specifieke geval redelijkerwijs kunnen worden verlangd van een belastingplichtige die het recht op btw-aftrek wenst uit te oefenen, om ervoor te zorgen dat zijn handelingen geen deel uitmaken van fraude door een marktdeelnemer in een eerder stadium (zie in die zin arresten van 21 juni 2012, Mahagében en Dávid, C80/11 en C142/11, EU:C:2012:373, punten 54 en 59, en 19 oktober 2017, Paper Consult, C101/16, EU:C:2017:775, punt 52).
29 Het Hof heeft verduidelijkt dat, wanneer er aanwijzingen van onregelmatigheden of fraude zijn, een bedachtzame marktdeelnemer er naargelang de omstandigheden van het geval toe verplicht kan zijn om inlichtingen in te winnen over een andere marktdeelnemer van wie hij voornemens is goederen of diensten te kopen om zich te vergewissen van diens betrouwbaarheid (arrest van 21 juni 2012, Mahagében en Dávid, C80/11 en C142/11, EU:C:2012:373, punt 60; beschikkingen van 16 mei 2013, Hardimpex, C444/12, niet gepubliceerd, EU:C:2013:318, punt 25, en 3 september 2020, Vikingo Fővállalkozó, C610/19, EU:C:2020:673, punt 55).
30 Voor zover de verwijzende rechter in wezen stelt dat de kwade trouw van de belastingplichtige geen criterium kan zijn dat in de plaats kan treden van de actieve deelname van deze belastingplichtige , zij er overigens op gewezen dat het niet in strijd is met het Unierecht om te eisen dat een marktdeelnemer te goeder trouw handelt (zie in die zin arresten van 28 maart 2019, Vinš, C275/18, EU:C:2019:265, punt 33, en 17 oktober 2019, Unitel, C653/18, EU:C:2019:876, punt 33).
31 Evenwel dient niet het bewijs te worden geleverd dat de belastingplichtige te kwader trouw was om hem het recht op aftrek te ontzeggen, nu uit de in de punten 21 tot en met 25 van deze beschikking toegelichte rechtspraak en uit de hierboven uiteengezette overwegingen volgt dat het feit dat de belastingplichtige goederen of diensten heeft gekocht terwijl hij wist of had moeten weten – door te doen wat redelijkerwijs van hem kon worden verlangd om ervoor te zorgen dat hij door deze handeling niet betrokken raakte bij fraude – dat hij met die aankoop deelnam aan een frauduleuze handeling, volstaat om er met betrekking tot de toepassing van richtlijn 2006/112 van uit te gaan dat die belastingplichtige aan die fraude heeft deelgenomen en om hem het recht op aftrek te ontzeggen.
32 In de tweede plaats kan niet worden ingestemd met de uitlegging volgens welke, enerzijds, het begrip „toeleveringsketen” aldus moet worden opgevat dat het uitsluitend ziet op gevallen waarin de fraude ontstaat uit een specifieke combinatie van meerdere op elkaar volgende handelingen of uit een algemeen plan waarbij de leveringen deel uitmaken van btw-fraude bestaande uit meerdere handelingen en, anderzijds, de door de belastingplichtige verrichte handeling en de in een eerder stadium verrichte frauduleuze handeling in alle andere gevallen als zelfstandige handelingen moeten worden aangemerkt, met name wanneer de fraude reeds was voltrokken toen de belastingplichtige zijn handeling verrichtte, zodat hij die fraude niet meer kon vergemakkelijken of bevorderen.
33 Een dergelijke uitlegging komt er immers op neer dat aan de weigering van het recht op aftrek in geval van fraude bijkomende voorwaarden worden verbonden die niet voortvloeien uit de in de punten 21 tot en met 25 van deze beschikking aangehaalde rechtspraak. Het feit dat de belastingplichtige goederen of diensten heeft gekocht terwijl hij wist of had moeten weten dat hij met deze aankoop deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude in een eerder stadium volstaat – zoals in punt 31 van deze beschikking is uiteengezet – om ervan uit te gaan dat die belastingplichtige heeft deelgenomen aan die fraude en om hem het recht op aftrek te ontzeggen.
34 Bovendien gaat een dergelijke interpretatie voorbij aan het feit dat de in een stadium van de toeleveringsketen gepleegde fraude gevolgen heeft in de volgende stadia van deze keten wanneer het geïnde btw-bedrag niet overeenstemt met het eigenlijk verschuldigde btw-bedrag doordat de prijs van de goederen en diensten lager was vanwege de niet daarop geheven voorbelasting. Hoe dan ook maakt de belastingplichtige , door goederen aan te kopen waarmee eerder btw-fraude is gepleegd, de afzet van die goederen mogelijk, zodat daardoor – zoals uit de feiten van het hoofdgeding blijkt en de Tsjechische regering opmerkt – fraude wordt vergemakkelijkt.
35 In de derde plaats is het voor de beoordeling of de belastingplichtige heeft deelgenomen aan fraude irrelevant of de betrokken handeling hem al dan niet een belastingvoordeel heeft opgeleverd. Anders dan (…) op het gebied van misbruik is geoordeeld (arresten van 21 februari 2006, Halifax e.a., C255/02, EU:C:2006:121, punten 74 en 75; 17 december 2015, WebMindLicenses, C419/14, EU:C:2015:832, punt 36, en 10 juli 2019, Kuršu zeme, C273/18, EU:C:2019:588, punt 35), hoeft voor de vaststelling dat een belastingplichtige heeft deelgenomen aan btw-fraude de voorwaarde dat deze handeling hem in strijd met het door richtlijn 2006/112 beoogde doel een belastingvoordeel heeft opgeleverd, niet te zijn vervuld. Evenzo is het niet van belang dat de betrokken handeling de belastingplichtige geen economisch voordeel heeft opgeleverd, zoals in de punten 23 en 34 van deze beschikking in herinnering is gebracht.”
5. Conclusie
Ik geef u in overweging het cassatieberoep van de verdachte te verwerpen, maar zonder toepassing van art. 81 Wet RO, gegeven haar vrijspraak in eerste aanleg en haar – mijns inziens vergeefse – bestrijding van de bewezenverklaring.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑04‑2025
Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, biz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2000/65/EG van de Raad van 17 oktober 2000 (PB L 269, blz. 44).
Her Majesty’s Revenu and Customs.
De bewijsmaatstaf in het belastingprocesrecht is ‘aannemelijk maken’ (more likely than not), behalve voor het bewijs van gegrondheid van een fiscaal-bestuurlijke boete; dan is de bewijsmaatstaf ‘overtuigend aantonen’.
HvJ EU 18 december 2014, Italmoda c.s., C-131/13, C-163/13 en C-164/13, ECLI:EU:C:2014:2455, punten 43-46 en 50.
HvJ EU 1 december 2021, Aquila Part Prod Com, C-512/21, ECLI:EU:C:2022:950, punt 39 e.v.
HvJ 7 december 2010, R., C-285/09, ECLI:EU:C:2010:742, punten 51 en 54.
Het Hof wijst op HvJ EU 1 december 2021, Aquila Part Prod Com, C-512/2 1, ECLI:EU:C:2022:950, punten 30, 36 en 58.
HvJ EU 1 december 2021, Aquila Part Prod Com, C-512/21, ECLI:EU:C:2022:950.
Voetnoot in origineel: HvJ EU 11 november 2021, C-281/20 (Ferimet), r.o. 45.
Voetnoot in origineel: Zie bijvoorbeeld HvJ EG Kittel en Recolta, reeds aangehaald, r.o. 59, HvJ EU 21 juni 2012, C-80/11 en C-142/11. (Mahagében en David) V-N 2012/41.17, r.o. 49.
Voetnoot in origineel;: HvJ EU Ferimet, reeds aangehaald, r.o. 50.
Voetnoot in origineel: HvJ EU FIRIN, reeds aangehaald, r.o. 45; en HvJ EU 13 februari 2014, C-18/13 (Maks Pen), V-N 2014/15.20, r.o. 30. Zie in vergelijkbare zin HvJ EU 16 juni 2022, C-596/20 (Duodecad), V-N 2022/29.13, r.o. 37.
Voetnoot in origineel: HvJ EU 3 september 2020, C-610/09 (Vikingo), ECLI:EU:C:2020:673, r.o. 59.
Voetnoot in origineel: HvJ EU 4 juni 2020, C-430/119 (SC C.F. SARL/A.J.F.P.M, D.G.R.F.P.C), ECLI:EU:C:2020:429, r.o. 45; en HvJ EU Ferimet, reeds aangehaald, r.o. 51.
Voetnoot in origineel: HvJ EU SC C.F. SARL, reeds aangehaald, r.o. 49 en HvJ EU Ferimet, reeds aangehaald, r.o. 52.
Voetnoot in origineel: Zie bijvoorbeeld HvJ EU SC C.F. SARL, reeds aangehaald, r.o. 49.
Voetnoot in origineel: HvJ EU 3 september 2020, C-611/19 (Crewprint), ECLI:EU:C:2020:674, r.o. 42.
Voetnoot in origineel: HvJ EU 3 september 2020, C-610/09 (Vikingo), ECLI:EU:C:2020:673, r.o. 47; HvJ EU 22 oktober 2015, C-277/14 (PPUH Stehcemp), V-N 2015/55.17, r.o. 35; en HvJ EU 6 februari 2014, C-33/13 (Jagiełło), ECLI:EU:C:2014:184, r.o. 32.
Voetnoot in origineel: HvJ EU Vikingo, reeds aangehaald, r.o. 64.
Voetnoot in origineel: Zie bijvoorbeeld HvJ EU SC C.F SARL, reeds aangehaald, r.o. 46; HvJ EU 3 oktober 2019, C-329/18 (Altic), V-N 2019/49.16, r.o. 32; HvJ EU Mahagében en David, reeds aangehaald, r.o. 53, 54 en 59; HvJ EU 14 april 2021, C-108/20 (HR/Finanzamt Wilmersdorf), ECLI:EU:C:2021:266, r.o. 28; HvJ EU Vikingo, reeds aangehaald, r.o. 52; en HvJ EU PPUH Stehcemp, reeds aangehaald, r.o. 51.
Voetnoot in origineel: HvJ EU HR/Finanzamt Wilmersdorf, r.o. 29, HvJ EU Vikingo, reeds aangehaald, r.o. 55; en HvJ EU PPUH Stehcemp, reeds aangehaald, r.o. 52.
Voetnoot in origineel: Zie bijvoorbeeld HvJ EU SC C.F. SARL, reeds aangehaald, r.o. 47; en HvJ EU Mahagében en David, reeds aangehaald, r.o. 60 en 61.
Voetnoot in origineel: HvJ EU Mahagében en David, reeds aangehaald, r.o. 65; HvJ EU Altic, reeds aangehaald, r.o. 56 en HvJ EU 19 oktober 2017, C-101/16 (Paper Consult), ECLI:EU:C:2017:775, r.o. 51.
Voetnoot in origineel: HvJ EU 31 januari 2013, C-643/11 (LVK), ECLI:EU:C:2013:55, r.o. 62; en HvJ EU 16 mei 2013, C-444/12 (Hardimpex), ECLI:EU:C:2013:318, r.o. 27.
Voetnoot in origineel: HvJ EU Ferimet, reeds aangehaald, r.o. 58; en HvJ EU HR/Finanzamt Wilmersdorf, reeds aangehaald, r.o. 31.
Voetnoot in origineel: HvJ EU HR/Finanzamt Wilmersdorf, reeds aangehaald, r.o. 26.
Voetnoot in origineel: HvJ EU HR/Finanzamt Wilmersdorf, reeds aangehaald. r.o. 27.
Voetnoot in origineel: HvJ EU Ferimet, reeds aangehaald, r.o. 47 en 57; en HvJ EU HR/Finanzamt Wilmersdorf, reeds aangehaald, r.o. 23 en 35.
Voetnoot in origineel: HvJ EU Ferimet, reeds aangehaald, r.o. 56.
Voetnoot in origineel: HvJ EU HR/Finanzamt Wilmersdorf, reeds aangehaald, r.o. 32 en 34.
Voetnoot in origineel: HR 19 januari 2018, 16/06245, BNB 2018/77, r.o. 3.4.1.
HvJ EU 7 december 2010, R.,zaak C-285/09, ECLI:EU:C:2010:742.
HR 19 januari 2018, na conclusie ECLI:NL:HR:2018:51, FED 2018/63 met noot Nellen, BNB 2018/77 met noot Bijl, V-N 2018/8.15 met noot Redactie,
Zie onder meer HvJ EU 22 november 2017, zaak C‑251/16, ECLI:EU:C:2017:881, Cussens e.a., r.o. 32-34.
HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1135, na conclusie Wattel, V-N 2024/39.17 m.nt. Redactie, NLF 2024/2050 m.nt. Mark Hendriks, NTFR 2024/1522 m.nt. Okhuizen, JOR 2024/226 m.nt. Nuijten, AB 2024/299 m.nt. Stijnen, JB 2024/158, USZ 2024/319 m.nt. Hüsen, BNB 2025/9 m.nt. De Bont, FED 2025/14 m.nt. Chin-Oldenziel.
Voetnoot in origineel: “Vgl. HR 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:51, rechtsoverweging 3.4.1.”
Voetnoot in origineel: “Zie HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:456, rechtsoverweging 3.2.3.”
HvJ EU 11 november 2021, zaak C‑281/20, Ferimet SL v. Administración General del Estado, ECLI:EU:C:2021:910.
Zie onder meer HR 12 mei 2023, ECLI:HR:2023:691, BNB 2023/99 m.nt. Van Zadelhoff.
HvJ EU (beschikking) 14 april 2021, zaak C-108/20, HR/Finanzamt Wilmersdorf, ECLI:EU:C:2021:266.