Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht
Einde inhoudsopgave
Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht (IVOR nr. 89) 2012/8.1.0:8.1.0 Introductie
Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht (IVOR nr. 89) 2012/8.1.0
8.1.0 Introductie
Documentgegevens:
A.J.M. Klein Wassink, datum 14-05-2012
- Datum
14-05-2012
- Auteur
A.J.M. Klein Wassink
- JCDI
JCDI:ADS595016:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige hoofdstukken heb ik verslag gedaan van mijn onderzoek naar de mogelijkheden voor toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht. In dat kader heb ik de ontwikkeling laten zien van de mogelijkheden om actie te ondernemen tegen beslissingen. De invoering van een bepaling in het WvK over de nietigheid van besluiten moet gezien worden tegen de achtergrond van de gedachte dat de wet aan deelnemers in een rechtspersoon bescherming dient te bieden tegen misbruik van macht en posities in die rechtspersoon. Sinds 1929 zijn verschillende regelingen van kracht geweest die - ondanks uiteenlopende redacties - niet altijd goed functioneerden. De bezwaren die tegen de regelingen naar voren werden gebracht vormden mede de aanleiding tot de herziening van art. 46a WvK en later van art. 2:11-13 (oud) BW. Meijers schreef over art. 46a WvK dat niemand met de huidige regeling tevreden was en stelde in het kader van de herziening van het burgerlijk wetboek een andere regeling voor. Die regeling werd in 1976 in aangepaste vorm ingevoerd en vervolgens in 1992 bij de invoering van de boeken 3, 5 en 6 BW op haar beurt herzien. Het resultaat van de herzieningen was dat weliswaar een deel van de tegen art. 46a WvK en later tegen art. 2:11-13 (oud) BW geuite bezwaren werden weggenomen, doch de nieuwe regeling leidde op haar beurt tot bezwaren.
Uit mijn onderzoek blijkt dat er in het rechtspersonenrecht verschillende mogelijkheden zijn om een conflict naar aanleiding van een besluit aan de rechter voor te leggen. Wie een besluit wil vernietigen is aangewezen op de algemene regeling voor de toetsing van besluiten zoals die is neergelegd in art. 2:14 en 15 BW. Deze regeling geldt voor besluiten in de zin van boek 2 BW, de op rechtsgevolg gerichte beslissingen van een orgaan van de rechtspersoon. De door de rechter te treffen maatregelen zijn beperkt tot de constatering dat een besluit nietig is, art. 2:14 BW of de vernietiging van een besluit op grond van art. 2:15 BW. Om een voorlopige voorziening te verkrijgen is een kort geding vereist. Dat heeft praktische bezwaren: er is een tweede procedure nodig en de rechter die oordeelt over de voorlopige voorziening is niet dezelfde die toetst of het bestreden besluit nietig is, art. 2:14 BW, of dat zich ten aanzien van het besluit een van de in art. 2:15 lid 1 sub a, b of c BW genoemde vernietigingsgrondenvoordoet. Daarnaast worden in het enquêterecht besluiten getoetst en eventueel vernietigd. Daarbij teken ik aan dat het enquêterecht bedoeld is voor de toetsing van beleid. Dat is iets anders dan de toetsing van een besluit; de beoordeling door de rechter of dit specifieke besluit voor wat betreft zijn totstandkoming en inhoud door de beugel kan. Het enquêterecht kent de mogelijkheid, in elke stand van het geding, een onmiddellijke voorziening te verzoeken. De Ondernemingskamer oordeelt in de regel in dezelfde samenstelling en veelal op korte termijn over de onmiddellijke voorziening(en) en de toewijzing van het enquêteverzoek. Dat is niet het geval als na een kort geding gericht op een voorlopige voorziening de behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet.
Wie wil optreden tegen een andere beslissing dan een besluit in de zin van boek 2 BW, is aangewezen op het mogelijk onrechtmatig karakter van die beslissing. Een kort geding waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd is dan vaak de entree tot de rechter en ook hier geldt dat nadat de voorlopige voorziening getroffen is, lang niet in alle gevallen door de betrokkenen een eindbeslissing wordt verzocht.