De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht
Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/5.6.4:5.6.4 Conclusies
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/5.6.4
5.6.4 Conclusies
Documentgegevens:
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS376478:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De belangrijkste conclusies met betrekking tot de toegang tot een gebouw of grond laten zich als volgt samenvatten:
De inspecteur kan in het kader van het heffen van belastingen toegang krijgen tot gebouwen en grond. De gebruiker is verplicht – desgevraagd – die toegang te verlenen. Hiertoe behoren geen vervoermiddelen. De toezichthouder heeft de bevoegdheid toegang te vorderen tot alle plaatsen. Hij mag ook vervoersmiddelen onderzoeken.
De inspecteur die een woning wil betreden, moet daarvoor wel toestemming krijgen van de bewoner. Dit geldt ook voor de toezichthouder. Voor het kunnen verkrijgen van toegang tot een woning zonder toestemming is een wettelijke bevoegdheid vereist en een machtiging volgens de Awbi. In de AWR en de Awb is die bevoegdheid niet opgenomen. De verplichting in de AWR om toegang te verlenen houdt niet in dat de inspecteur zelfstandig toegang kan verkrijgen zonder toestemming.
Een toezichthouder kan alleen tegen de wil van een bewoner een woning binnentreden als specifieke wetgeving daarin voorziet en de noodzaak tot binnentreden daarvoor aanwezig is. De verkregen toestemming dan wel machtiging is specifiek van dat doel. Het gebruik van daarmee verkregen informatie is daartoe gelimiteerd.
Bij het verkrijgen van de toegang kunnen zowel de inspecteur als toezichthouder assistentie verkrijgen van de ‘sterke arm’. Die assistentie strekt niet verder dan tot het verkrijgen van toegang. Eenmaal binnen, gelden voor beiden de algemene bevoegdheden.
De inspecteur heeft niet de bevoegdheid om in het kader van zijn taak zaken en vervoermiddelen te onderzoeken, tenzij dit wettelijk is bepaald in materiële wetgeving. Indien noodzakelijk voor het nalevingstoezicht is de toezichthouder bevoegd zaken en vervoermiddelen te onderzoeken.