Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/1.1
1.1 De aanleiding en de doelstelling
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS595321:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
S. 974-982 en 986-991 CA 2006. Zie over de uitkoopregeling in het Verenigd Koninkrijk § 2.3.3.
Hermans (2002), p. 502; Hijmans van den Bergh (2006), p. 226; Monitoring Commissie Corporate Governance Code (2008), p. 19-20 en 90-91; Kuijpers (2009), p. 418; Olden (2010), p. 61; Bruining (2011), p. 103 en 104-105; Leijten onder JOR 2014/95. Anders: VEB(2008), die geen problemen heeft met de doorlooptijden van de uitkoopprocedures.
Norbruis (2004), p. 102; Olden (2010), p. 62; Bartman/Dorresteijn (2013), p. 114-115; Kuijpers/Van der Krans (2014), p. 24.
O.m. HR 14 september 2007 (ro. 4.3), NJ 2007/610; JOR 2007/237 (Versatel); OK 20 december 2007, JOR 2008/36 (Shell); Van der Korst (2008); Berendsen/Van Thiel (2008); Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/677; Leijten (2009), p. 206; Van Leeuwen (2011); Assink (2013), p. 2466-2467; Storm (2014), p. 324-329.
De aanwezigheid van minderheidsaandeelhouders brengt voor de meerderheidsaandeelhouder verschillende bezwaren met zich. Laatstgenoemde zal daarom veelal proberen om alle aandelen in een vennootschap te verkrijgen.
Het Nederlandse vennootschapsrecht kent twee wettelijke regelingen die een meerderheidsaandeelhouder in staat stellen om de resterende minderheid uit te kopen. Het betreft de algemene uitkoopregeling in art. 2:92a/201a BW en de bijzondere uitkoopregeling in art. 2:359c BW.
De uitkoopregelingen komen grotendeels overeen en vallen op door hun ogenschijnlijke eenvoud. De gedwongen overdracht van aandelen is uitgewerkt in twee artikelen van acht respectievelijk negen leden. Ter vergelijking: de uitkoopregeling in het Verenigd Koninkrijk kent vijftien artikelen.1
In deze eenvoud schuilt zowel de flexibiliteit als de complexiteit van de uitkoopregelingen. De wet bevat slechts de basale voorwaarden en regels voor de gedwongen overdracht. Het ontbreken van een gedetailleerde uitwerking biedt de rechter bijvoorbeeld de ruimte om mee te gaan met de steeds veranderende normen in de praktijk omtrent de waardering van aandelen. Deze beperkte uitwerking heeft daarentegen als nadeel dat de regeling op bepaalde onderdelen niet helder is. Dit leidt regelmatig tot vertraging van de procedure, bijvoorbeeld omdat niet de juiste stukken in het geding zijn gebracht. De OK moet in dat geval een tussenarrest wijzen om de uitkoper in de gelegenheid te stellen deze alsnog over te leggen, of om een deskundigenonderzoek te gelasten.
Het voornaamste, zo niet enige, wezenlijke punt van kritiek op de uitkoopregeling is dat een procedure veelal te lang duurt.2 Door dit gemiddeld lange procesverloop zoekt de praktijk steeds vaker naar goedkopere en snellere manieren om van een minderheid af te komen.3 Deze alternatieven zijn echter met minder waarborgen omkleed dan de uitkoopregeling. Voorbeelden zijn de juridische (driehoeks)fusie of de activa/passiva transactie.4 De lange duur en onduidelijkheden van de procedure lijken dus ten koste te gaan van de populariteit van de uitkoopregeling. Zij concurreert zichzelf uit de markt.
Dit onderzoek richt zich op de knelpunten in de wettelijke uitkoopregelingen. De vraag is of de algemene uitkoopregeling ex art. 2:92a/201a BW en de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW een adequate oplossing bieden voor het uitkopen van minderheidsaandeelhouders. Ik onderzoek onder meer de oorzaak voor de gemiddeld lange duur van de procedure en bespreek de mogelijke oplossingen om de doorlooptijden te verkorten.