Informatierechten van aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.2.2.1:5.2.2.1 Linders/Hofstee (1983)
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.2.2.1
5.2.2.1 Linders/Hofstee (1983)
Documentgegevens:
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972019:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (OK) 26 mei 1983, NJ 1984/481 m.nt. J.M.M. Maeijer (Linders/Hofstee).
Zie ook Hof Amsterdam (OK) 21 september 1978, NJ 1979/403 m.nt. J.M.M. Maeijer.
Deze gedragsnorm is door de Hoge Raad bevestigd in HR 3 mei 2002, NJ 2002/393 m.nt. P. van Schilfgaarde (Joral/Brandoa), r.o. 3.5.2.
Zie hierover ook De Jongh (oratie) 2019, p. 61 e.v.
Hof Amsterdam (OK) 27 juni 1991, NV 1991, p. 269 (Jonk de Lint de Rooij).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De ontwikkeling van het informatierecht buiten vergadering ving aan met de Linders/Hofstee-beschikking in 1983.1 Daarin kwam de Ondernemingskamer tot een gedragsnorm voor de omgang met een tegenstrijdig belang binnen het bestuur. Wanneer een tegenstrijdig belang werd geconstateerd, diende het bestuur (i) de te onderscheiden belangen zorgvuldig gescheiden te houden;2 hetgeen werd gewaarborgd door (ii) het betrachten van een zo groot mogelijke openheid; en (iii) zo nodig, het inschakelen van deskundige derden die, bijvoorbeeld, de marktconformiteit van de voorwaarden van een voorgenomen transactie zouden toetsen.3 Hoewel Linders/Hofstee werd gewezen onder de oude tegenstrijdig belang-regeling, vindt deze gedragsnorm ook in het huidige recht nog toepassing.4
De onder (ii) bedoelde openheid dient onder omstandigheden ook jegens aandeelhouders te worden betracht. Linders/Hofstee betrof een geval waarin een besmette transactie – onverplicht – ter goedkeuring werd voorgelegd aan de algemene vergadering. In dat verband overwoog de Ondernemingskamer dat “aan aandeelhouders tijdig de informatie [dient] te worden verstrekt die zij redelijkerwijs voor het vormen van een verantwoord oordeel over die transactie nodig hebben. Dit kan met zich brengen dat de te verstrekken informatie niet slechts mondeling doch ook schriftelijk wordt gegeven. De redelijkheid en billijkheid die ten aanzien van aandeelhouders in acht moet worden genomen kan daartoe verplichten.” In zijn noot bij deze beschikking merkte Maeijer op dat het onder omstandigheden ‘getuigt van wijs beleid’ om een besmette transactie (onverplicht) ter goedkeuring aan de algemene vergadering voor te leggen. In latere rechtspraak is een vergelijkbare informatieplicht ook aangenomen jegens individuele aandeelhouders buiten vergadering. Het vroegste voorbeeld dat ik daarvan ben tegengekomen, is de beschikking inzake Jonk de Lint de Rooij uit 1991.5