Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/205
205 § 78 Abs. 1 AktG 1937
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS367839:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Het begrip ‘totale bezoldiging’ moet men ruim uitleggen. Zo is voor de toepassing van Abs 1 niet van belang of de bezoldiging betaald dient te worden ten tijde van de overeenkomst of pas na beëindiging van het dienstverband. De regeling ziet expliciet op de totale bezoldiging van een bestuurder en niet op onderdelen van zijn salaris. Het kan dus zo zijn dat een bestuurder een hoog pensioen krijgt, omdat zijn salaris tijdens zijn dienstverband laag is. Andersom geldt dit uiteraard ook. Heeft een bestuurder tijdens zijn dienstverband een hoog salaris en hoge tantièmes ontvangen, dan kan de overeenkomst over een pensioen na het beëindigen van het dienstverband ontoelaatbaar worden geacht of slechts in beperkte omvang toelaatbaar zijn naar Abs. 1. Schlegelberger e.a. 1937, p. 344-346.
In § 78 Abs. 1 AktG 1937 wordt bepaald dat de totale bezoldiging van bestuurders in een passende verhouding dient te staan tot (i) de taken van de individuele bestuurder en (ii) de situatie van de vennootschap.1 Het gaat daarbij om cumulatieve voorwaarden. Op grond van § 78 Abs. 1 AktG 1937 is het dus ontoelaatbaar dat een bestuurder een vergoeding wordt toegekend die weliswaar op grond van de financiële situatie van de vennootschap draagbaar is, maar in verhouding tot de aan de bestuurder toevertrouwde taken te hoog is en vice versa. Met deze bepaling lijkt de wetgever een verregaande beperking op te leggen aan de contractsvrijheid van partijen. Of hier sprake van is, hangt af van de invulling die gegeven wordt aan de maatstaf ‘passende verhouding’ en de begrippen ‘taken van de individuele bestuurder’ en ‘situatie van de vennootschap’.