Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.4.3:4.4.3 Geweld tegen politiemensen
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.4.3
4.4.3 Geweld tegen politiemensen
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200808:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Geweld tegen en belediging van publieke functionarissen, politiemensen in het bijzonder, zorgt onder hen voor veel beroering. Een belangrijk deel van de geïnterviewde politiemensen is ontevreden over het strafrechtelijk vervolg in deze gevallen. Men vindt de opgelegde straffen te laag. De onvrede hierover heeft te maken met een onderling gedeelde morele verontwaardiging over het geweld tegen collega’s. Deze verontwaardiging lijkt er daarbij voor te zorgen dat politiemensen weinig onderscheid maken tussen individuele gevallen: er moet hoe dan ook ‘een echte straf’ worden opgelegd. Het strafrecht lijkt hier minder te worden beschouwd als een hulpmiddel om tot een op het individuele geval en de verdachte toegesneden rechterlijke uitspraak en eventuele strafoplegging te komen, maar in de eerste plaats als een hulpmiddel om het probleem ‘geweld tegen politiemensen’ tegen te gaan. Afschrikking of ‘een duidelijk signaal’ en vergelding staan daarbij centraal. Op grond hiervan lijkt men bijvoorbeeld niet geneigd om te accepteren dat de vraag of de verdachte een ‘first offender’ is, wordt meegewogen bij de straftoemeting.
‘Wat heel erg leeft: stel, ik word geslagen door iemand. Dan wordt zijn doopceel gelicht. Hij krijgt korting omdat het de eerste keer is – wij noemen dat bonuskorting – wat maakt dat uit? Je hebt van een diender af te blijven en je hebt hem ook niet te beledigen. Een geval van één-op-één gaat de prullenbak in! Justitie en de rechters, ze lopen gewoon achter. (…) Geef een duidelijk signaal, een echte straf. Als het een geldboete moet worden, doe het dan niet met €150,- af, doe dan 1000,- of desnoods 2000,-. Als het een taakstraf moet worden, dan niet één of twee dagen maar drie weken. Bij geweld moet het nog hoger. Zet daar eens drie weken gevangenisstraf op. Nu is het een beetje pappen en nathouden. Het zal per zaak afgewogen moeten worden, maar van mij mag het in die richting zitten.’
De onvrede onder politiemensen richt zich in deze gevallen tegen officieren van justitie en rechters die in hun ogen wel anders zouden kunnen, maar niet willen beslissen. Sommige ondervraagde politiemensen denken overigens dat ‘de persoon’ van de betrokken officier van justitie of rechter hierop regelmatig van invloed is. In het algemeen vinden politiemensen dat officieren van justitie en rechters meer ‘straatervaring’ moeten opdoen, om onder meer zaken waarin politiemensen slachtoffer zijn beter te kunnen beoordelen. Een te grote afstand tot hun werk zou in de ogen van deze politiemensen maken dat officieren en rechters zich geen goede voorstelling kunnen maken van wat hen op straat soms overkomt:
‘In dit soort zaken [geweld tegen de politie] raak je als officier of als rechter de politieman van heel dichtbij. Ik zie rechters uitspraken doen, waarvan ik denk: hij of zij weet echt niet wat hier gespeeld heeft en heeft op sommige punten geen reëel beeld van de maatschappij. Is zo iemand weleens mee geweest, heeft hij of zij bij een discotheek aan de deur gestaan? Of is dit een man die keurig in een villawijk woont en alleen het nieuws op zich af laat komen?’
In het verlengde hiervan zeggen twee leidinggevenden die zich hebben beziggehouden met dit onderwerp dat een rol zou kunnen spelen dat de strafrechtspleging grotendeels plaatsvindt op basis van documenten. Daarbij is volgens hen een complicerende factor dat ‘de emoties van de betrokken politiemedewerkers onvoldoende aan het papier worden toevertrouwd’. Hierbij wijst één van hen erop dat gebrek aan kennis en vaardigheden binnen de politie hier van invloed kan zijn:
‘Volgens mij heeft het ermee te maken dat ze het bij het OM lezen van papier en niet voelen, niet proeven wat er is gebeurd. Dat is ook omdat het vaak niet optimaal op papier is gezet, maar de collega’s voelen zich in de steek gelaten. Het heeft ook te maken met gebrek aan vakkennis, dat ze niet weten wat een vervolging inhoudt. We worden daar ook niet in gecoacht. (…) We hebben hierover met het OM gesproken en toen kregen we als reactie dat de emoties niet in het PV teruggelezen kunnen worden.’