Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief
Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/6.3.3:6.3.3 Het alternatief voor specialiteit: bijzonder gaat voor algemeen?
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/6.3.3
6.3.3 Het alternatief voor specialiteit: bijzonder gaat voor algemeen?
Documentgegevens:
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS420763:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Op vergelijkbare wijze bracht de regel ‘roerend goed heeft geen gevolg’ mee dat een latere vuistpandhouder een hogere rang had dan een schuldeiser met een ouder generaal pandrecht.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wetgever had bij het zoeken naar een oplossing voor het probleem van oververzekering kunnen kijken naar oplossingen die sommige pays de nantissement en het Rooms-Hollandse recht boden. De regel ‘bijzonder gaat voor algemeen’ kende bijvoorbeeld een latere schuldeiser met een speciaal pandrecht een hogere rang toe dan een schuldeiser met een eerder gevestigd generaal pandrecht.1 De schuldenaar behield met andere woorden de mogelijkheid om onbezwaarde onroerende zaken aan latere schuldeisers te verpanden en op die manier krediet aan te trekken. De schuldeiser met het oudere generale pandrecht verloor zijn zekerheid niet door de achterstelling. Hij kon zich niet alleen op de andere onroerende zaken van de schuldenaar verhalen, maar ook op de roerende zaken en vorderingen van de schuldenaar. Het generale pandrecht kwam immers ook te rusten op het geld dat de latere schuldeiser met het speciale pandrecht aan de schuldenaar ter beschikking had gesteld.
De opstellers van de wet hadden de regel ‘bijzonder voor algemeen’ weliswaar ook in Frankrijk kunnen invoeren, maar hebben dat niet gedaan. Dit is een begrijpelijke keuze, want de invoering van de regel zou ook het einde van het generale pandrecht in Frankrijk hebben betekend. Op het moment dat een generaal pandrecht zou zijn achtergesteld bij een speciaal pandrecht, verloor de schuldeiser met het generale pandrecht zijn zekerheid. Hij kon zich niet bij voorrang boven andere schuldeisers verhalen op de roerende zaken van de schuldenaar of diens vorderingen. Het droit commun français kende immers geen stille pandrechten op roerende zaken en vorderingen. De schuldeiser kon zich slechts op de overige onroerende zaken van de schuldenaar verhalen, maar ook daar liep hij het risico dat andere schuldeisers een speciaal pandrecht vestigden. Toepassing van de regel ‘bijzonder gaat voor algemeen’ was met andere woorden slechts mogelijk geweest als een schuldeiser met een generaal pandrecht zich ook op de roerende zaken en vorderingen van de schuldenaar had kunnen verhalen.