Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.1:4.1 Hoe functioneert de strafrechtspleging volgens politiemensen?
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.1
4.1 Hoe functioneert de strafrechtspleging volgens politiemensen?
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200809:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ten tijde van dit onderzoek liepen een aantal ZSM pilots. Veel van de geïnterviewde politiemensen hadden hiermee toen nog geen ervaring opgedaan.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Veel politiemedewerkers zijn kritisch over het functioneren van het strafrecht. Slechts een klein deel van hen is tevreden: zij vinden de wijze waarop door het OM en de rechtspraak op het politiewerk wordt aangesloten in grote lijnen voldoende. De rest heeft het gevoel dat de strafrechtspleging onvoldoende aansluit op hun werk en is van oordeel dat het politiewerk ‘lastig’ wordt gemaakt doordat in hun ogen strafrechtelijk onvoldoende wordt opgetreden tegen criminaliteit en ernstige overlast.
Het blijkt dat politiemensen een strafrechtelijk sluitstuk als essentieel beschouwen om hun werk goed te kunnen doen. Zij lijken weinig alternatieven voor de strafrechtelijke route te zien. Het feit dat het strafrecht in hun ogen niet adequaat functioneert, heeft volgens hen dan ook negatieve gevolgen voor het politiewerk. Volgens politiemensen wordt met de beslissingen van officieren van justitie en rechters het recht soms niet adequaat toegepast en is rechtvaardigheid dan ver te zoeken. Bij een deel van de ondervraagde politiemensen bestaat de indruk dat het in de loop der tijd lastiger zou zijn geworden de rechter te overtuigen van bewijs. Daarbij wordt de grotere voorzichtigheid die wordt ervaren door politiemensen soms toegeschreven aan de gerechtelijke dwalingen die in de afgelopen jaren in Nederland aan het licht zijn gekomen.
De onvrede over het strafrechtsysteem gaat volgens de geïnterviewden niet zover dat het politiewerk hierdoor onmogelijk wordt gemaakt, maar een groot aantal klachten wordt volgens hen wel breed binnen de politieorganisatie gedeeld. Deze klachten hebben betrekking op een breed scala aan onderwerpen. Het gaat hierbij vaak om een verschil van inzicht bij de drie belangrijkste beslismomenten in de strafrechtspleging: de toepassing van voorlopige hechtenis, de strafrechtelijke beoordeling van bewijs en de straftoemeting. Hierna worden de opvattingen van de geïnterviewde politiemensen beschreven aan de hand van deze drie thema’s. Telkens wordt geprobeerd na te gaan hoe politiemensen tot een oordeel komen over de betreffende strafrechtelijke beslissingen.
Tijdens de interviews is aan de politiemensen gevraagd concrete voorbeelden te geven van zaken waar men zelf aan gewerkt had, waarin de strafrechtelijke afloop voor hen teleurstellend was. In totaal zijn ongeveer zeventig voorbeelden aangedragen. Dit hoofdstuk is zoveel mogelijk gebaseerd op deze voorbeelden. Echter, in sommige gevallen blijken opvattingen van de geïnterviewde politiemensen niet gebaseerd op eigen zaken, maar op die van collega’s. Soms lijken de gepresenteerde gevallen ontleend aan circulerende verhalen (‘We maken weleens mee dat…’), en is onduidelijk in hoeverre deze op concrete gebeurtenissen zijn gebaseerd.
Sommige politiemensen hadden moeite concrete voorbeelden te geven of gaven soms slechts een summiere toelichting. Dit kan een gevolg zijn van het feit dat veel politiemensen in de praktijk weinig zicht hebben op het functioneren van OM en rechtspraak. Regelmatig blijken ze niet te weten of en wanneer een zaak die zij hebben behandeld bij de rechter voorkomt. Via rechtstreeks contact met het OM, bijvoorbeeld in het kader van een eventuele voorgeleiding bij de rechter-commissaris of ZSM1, kan de politie enig zicht op het strafrechtelijk vervolg krijgen. Hoe goed de politie uiteindelijk geïnformeerd raakt lijkt per geval te verschillen: individuele medewerkers van politie en OM zijn daarop van invloed.
In grote opsporingsonderzoeken waarbij een zaaksofficier is betrokken, zijn politiemensen vaak wel bekend met het strafrechtelijk vervolgtraject. In andere gevallen zijn politiemensen regelmatig niet geïnformeerd. Vanuit het OM worden strafrechtelijke beslissingen niet meer standaard teruggekoppeld aan de politie. Politiemensen zeggen overigens zelden zelf navraag over strafzaken te doen bij het OM, omdat ze liever werken aan nieuwe zaken en teleurstelling willen vermijden over een eventueel sepot of de uitspraak van de zittingsrechter. Beslissingen over voorlopige hechtenis blijken zich minder aan het zicht te onttrekken, omdat hier vaak op korte termijn over wordt besloten.
Het tamelijk beperkte zicht van de geïnterviewde politiemensen op de feitelijke gang van zaken in het strafrechtelijk vervolg maakt dat beeldvorming vermoedelijk een belangrijke rol speelt in hun beantwoording van vragen. Ook een reëel probleem als de soms lange doorlooptijden (Algemene Rekenkamer, 2012) lijkt zich daardoor deels aan het zicht van veel politiemensen te onttrekken. Hoewel de strafrechtelijke behandeling, de periode tussen het insturen van het dossier door de politie naar het OM en de uiteindelijke strafrechtelijke beslissing, regelmatig veel tijd (en zelfs te veel tijd) in beslag nemen, is dit niet een onderwerp dat tijdens de interviews vaak aan de orde komt. Politiemensen leggen meer nadruk op in hun ogen verkeerde beslissingen van officieren van justitie en rechters.
Slechts enkele geïnterviewde politiemensen geven aan dat tijd soms een bottleneck betekent voor de afhandeling van strafbare feiten. Zowel bij politie, als bij het OM zijn volgens hen ‘kwaliteitsproblemen’ en een hoge werkdruk achterliggende oorzaken van het seponeren van zaken omdat ze ‘te oud zijn’. Sommige politiemensen vinden het te lang duren voordat ‘een zaak echt onder de hamer komt’. Daarbij wordt een termijn van een half jaar voor gevallen van veelvoorkomende criminaliteit bijvoorbeeld veel te lang geacht. Frustratie is het gevolg wanneer de doorlooptijd bij het OM invloed lijkt te hebben gehad op de straf die (blijkens een artikel in de krant) de rechter uiteindelijk oplegde:
‘Wij moeten binnen een maand het PV klaar hebben en ingeleverd. Als ik dan hoor dat de betreffende zaak pas twee jaar later voorkomt en er een lichte straf uitkomt, omdat er te veel tijd overheen was gegaan – dan denk ik, ik moet mijn werk binnen een maand af hebben, laat het OM ook voor een redelijke termijn zorgen.’