Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/170
170 Mobiliteit en algemene vaardigheden
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS364136:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Murphy & Zábojník 2004. Op grond hiervan wordt aangenomen dat de prijzen gedreven worden tot de meest efficiënte niveaus waar de beloning van de bestuurder samenkomt met zijn marginale productiviteit. De beloning is weliswaar hoog en neemt toe, maar de efficiëntie ook.
Algemene vaardigheden zijn universeel van waarde voor iedere onderneming en kunnen dus vrij uitgewisseld worden. Hierdoor is het mogelijk om het talent en deze algemene vaardigheden door de markt te laten waarderen. Onder algemene vaardigheden vallen onder andere het onderhouden van goede relaties met aandeelhouders, financieel management of het ontplooien van marketinginitiatieven. Veel van de bestuurders – zo niet alle – zullen over dergelijke algemene vaardigheden beschikken.
Van Ees e.a. 2007, p. 18.
De gedachte van een hoge mobiliteit van bestuurders is afgeleid van de gedachte dat bestuurders vaardigheden bezitten die voor iedere onderneming van belang zijn. In een markt waar de vraag naar bestuurlijk talent voor het grote deel homogeen is, kunnen ondernemingen en bestuurders elkaar gemakkelijk vinden. In een dergelijke markt zal er een verschuiving plaatsvinden en zullen de beste bestuurders bij de grootste ondernemingen terecht komen en de meest substantiële rijkdommen verwerven.1
Het menselijk kapitaal van een bestuurder bestaat voor een belangrijk deel echter uit aan de ene kant algemene bestuurlijke en aan de andere kant (sector- en) ondernemingsspecifieke kennis en vaardigheden.2 De vraag is dus bij welke vaardigheden het zwaartepunt ligt.
Uit het onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen en Towers Perrin door Van Ees et al. in opdracht van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code werd juist duidelijk dat bestuurders in hoge mate heterogeen zijn. Hier vloeit automatisch uit voort dat een bepaalde bestuurder meer geschikt is voor de ene onderneming dan de andere waardoor de mobiliteit van bestuurders beperkt is. Murphy en Zábojník gaan er vanuit dat de bestuurder homogeen is. Om te kijken of hun stelling houdbaar is, zal in het hiernavolgende onderzocht worden in hoeverre een bestuurder heterogeen of homogeen is aan de hand van de argumenten van Murphy en Zábojník.3