Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.2.5:6.3.2.5 Verhouding tot het rechtskarakter
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.2.5
6.3.2.5 Verhouding tot het rechtskarakter
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS500353:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het blijven vasthouden aan het redelijkheidscriterium doet naar mijn idee recht aan het rechtskarakter van de btw. Toepassing van dit criterium voorkomt immers dat ondernemers tot in den treure kunnen volhouden dat op een later moment heus wel een keer zal worden betaald en de btw zodoende onnodig subsidiërend uitpakt. Daar staat tegenover dat toepassing van het redelijkheidscriterium meebrengt dat ondernemers (achteraf bezien) ten onrechte een correctie hebben doorgevoerd, wanneer na het intreden van de correctie alsnog wordt betaald (en zij zodoende met een btw-last worden geconfronteerd). Dit zou anders zijn wanneer de hierna (paragraaf 6.3.4) te bespreken correctie op de correctie toepassing zou vinden, in welk geval de ‘last’ weer zou worden weggenomen met een hernieuwd recht op aftrek.
Het fatale karakter daarentegen wringt volgens mij als uitgangspunt wél met het rechtskarakter van de btw. Door (vanuit de Belastingdienst bezien) ondernemers enkel met een naheffingsaanslag te kunnen confronteren over de periode waarin de éénjaarstermijn is komen te verstrijken, wordt de neutraliteit van de btw geweld aangedaan. Immers: in dat geval zou de btw voor de niet-betalende ondernemer (te snel) als een subsidie kunnen uitpakken, zodat de Belastingdienst minder int dan de ondernemer daadwerkelijk heeft betaald. Voor een nadere onderbouwing verwijs ik naar mijn gedachten hierover in de spiegelbeeldige situatie (paragraaf 4.3.2.3).
Wat betreft de faillissementsrechtelijke kwalificatie van schulden kan worden volgehouden dat toepassing van art. 29 Wet OB 1968 in de praktijk tot een verhoogde breuk met het rechtskarakter leidt. Dit zou ervoor pleiten om de Belastingdienst een (nog)1 steviger verhaalsrecht toe te kennen door de ‘correctie vooraftrek’ bij wet als boedelschuld aan te merken. Ter toelichting het volgende voorbeeld (ontleend aan voorbeeld 3.9 en wederom uitgaande van een btw-tarief van 20%):
Voorbeeld 6.3
Fabrikant A levert goederen voor 100 aan groothandelaar B, die op zijn beurt de goederen voor 250 levert aan tussenhandelaar C. C levert vervolgens voor 300 door aan detaillist D, waarop D de goederen uiteindelijk voor 350 (exclusief btw) levert aan eindverbruiker E. C is vanwege zijn faillissement echter niet in staat om B te betalen en het faillissement wordt al gauw opgeheven vanwege een gebrek aan baten.
Zonder toepassing van art. 29 Wet OB 1968 zou de afdracht in theorie als volgt zijn (uitgaande van een btw-tarief van 20%):
Verkoop
Verschuldigde btw (A)
Verkoopfactuur
Inkoop
Te vorderen btw (B)
Inkoopfactuur
Afdracht (A-B)
A
100
20
120
0
0
0
20
B
250
50
300
100
20
120
30
C
300
60
360
250
50
300
10
D
350
70
420
300
60
360
10
E
0
0
420
0
Totale btw-afdracht:
70
In de praktijk zal de afdracht echter vaak als volgt zijn (vanwege het faillissement zal C ook niet aan alle fiscale verplichtingen kunnen voldoen):
Verkoop
Verschuldigde btw (A)
Verkoopfactuur
Inkoop
Te vorderen btw (B)
Inkoopfactuur
Afdracht (A-B)
A
100
20
120
0
0
0
20
B
250
50
300
100
20
120
30
C
300
60
360
250
50
300
0
D
350
70
420
300
60
360
10
E
0
0
420
0
Totale btw-afdracht:
60
Toepassing van art. 29 Wet OB 1968 zou evenwel in theorie tot een gelijk resultaat moeten leiden als de hiervoor beschreven theoretische uitgangssituatie:2
Verkoop
Verschuldigde btw (A)
Verkoopfactuur
Inkoop
Te vorderen btw (B)
Inkoopfactuur
Afdracht (A-B)
A
100
20
120
0
0
0
20
B
250
50-50
300
100
20
120
-20
C
300
60
360
250
50-50
300
60
D
350
70
420
300
60
360
10
E
0
0
420
0
Totale btw-afdracht:
70
Echter: doordat de fiscale schuld van C door toepassing van art. 29 lid 7 Wet OB 1968 hoger is dan in de uitgangssituatie (60 in plaats van 10) zal art. 29 Wet OB 1968 in de praktijk veelal het volgende resultaat hebben:
Verkoop
Verschuldigde btw (A)
Verkoopfactuur
Inkoop
Te vorderen btw (B)
Inkoopfactuur
Afdracht (A-B)
A
100
20
120
0
0
0
20
B
250
50-50
300
100
20
120
-20
C
300
60
360
250
50-50
300
0
D
350
70
420
300
60
360
10
E
0
0
420
0
Totale btw-afdracht:
10
Bovengenoemd voorbeeld illustreert dat art. 29 Wet OB 1968 (vanaf 2017) in de praktijk ertoe leidt dat de Belastingdienst er relatief hard bij in schiet en de btw-druk op goederen en/of diensten niet langer evenredig is aan de prijs van het product. Vanuit het rechtskarakter van de btw bezien, zou het aanmerken van de ‘correctie vooraftrek’ als boedelschuld derhalve niet zo’n gek idee zijn, waarbij moet worden opgemerkt dat ook schuldeisers die ‘vooraan in de rij staan’ in de praktijk niet zelden van een koude kermis thuiskomen. Dit maakt het eerbiedigen van het rechtskarakter eigenlijk illusoir.