Inhoudsopgave
NJB 2026/298:De bewijsmaatstaf ten aanzien van onderwijsfraude: ‘aannemelijk maken’ of ‘buiten redelijke twijfel’?
NJB 2026/298
De bewijsmaatstaf ten aanzien van onderwijsfraude: ‘aannemelijk maken’ of ‘buiten redelijke twijfel’?
Documentgegevens:
Benny van der Vorm & Pieter Huisman, datum 09-02-2026
- Datum
09-02-2026
- Auteur
Benny van der Vorm & Pieter Huisman1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD46067:1
- Vakgebied(en)
Onderwijsrecht / Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Bestuursrecht algemeen / Handhaving algemeen
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Informatierecht / ICT-recht
Onderwijsrecht / Bijzondere onderwerpen
- Wetingang
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De manier waarop examencommissies vermeende fraude moeten bewijzen, is de afgelopen jaren onderwerp van stevige juridische discussie geweest. Hoewel onderwijssancties inmiddels niet meer als bestraffend maar als bestuurlijke herstelsancties gelden, houdt de Afdeling bestuursrechtspraak vast aan een strafrechtelijk aandoende bewijsmaatstaf. In dit artikel wordt betoogd dat die benadering niet langer houdbaar is.
Het ‘sanctionerende onderwijsrecht’ kent een roerige periode. Waar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) ongeveer twee jaar heeft volgehouden dat de oplegging van – de meeste – sancties na fraude door examencommissies moeten worden aangemerkt als een bestraffende sanctie in de zin van de Algemene ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.