Beleidsbepaling en aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/1.5:1.5 Plan van behandeling
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/1.5
1.5 Plan van behandeling
Documentgegevens:
mr. J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254424:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kort gezegd: de verplichting van het bestuur dat aan het hoofd van een concern staat om zijn taak als bestuurder van de groep behoorlijk te vervullen. Vgl. Bartman e.a. 2016, p. 79.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit proefschrift bestaat uit drie afzonderlijk te behandelen onderwerpen die betrekking hebben op aansprakelijkheid in vennootschappelijk verband met beleidsinvloed als belangrijk element. Daarbij beperk ik mij hoofdzakelijk tot de besloten en commanditaire vennootschap. In het tweede hoofdstuk zet ik uiteen waarom de vennootschap behoefte heeft aan een organisatie en verdiep ik mij in de tweedeling tussen ownership en control. Ik richt mij daarna eerst op de rol van het bestuur. In hoofdstuk 3 bespreek ik daartoe wat het besturen van een kapitaalvennootschap inhoudt, hoe het bestuur functioneert en hoe het bestuur extern kan optreden. Ten slotte ga ik uitgebreid in op de zelfstandigheid van het bestuur. Het hoofdstuk is niet slechts bedoeld om meer zicht te krijgen op de rol van het bestuur, maar ook om ten behoeve van de daarop volgende hoofdstukken kaders te scheppen met betrekking tot de uitoefening van bevoegdheden.
Vervolgens kom ik toe aan het eerste luik van de drie door mij te behandelen onderwerpen. In hoofdstuk 4 beschouw ik de positie van de figuur die vooral in Boek 2 BW bekend staat als de (mede)beleidsbepaler. Dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel heeft betrekking op de (mede)beleidsbepaler in eigenlijke zin. Daarmee doel ik op degenen die het beleid van de vennootschap hebben bepaald of mede bepaald als ware zij bestuurder. Deze actoren worden hetzelfde behandeld als formele bestuurders van de vennootschap, indien de wet voorziet in een gelijkstelling. Ik bespreek in dit eerste deel de parlementaire achtergrond van deze figuur en de diverse bepalingen waar de genoemde gelijkstelling is terug te vinden. Telkens ga ik op zoek naar knelpunten binnen de betreffende regelingen. Het tweede deel van hoofdstuk 4 gaat daarentegen over de oneigenlijke (mede)beleidsbepaler. Deze figuur kennen wij slechts uit de rechtspraak over vorderingen tot bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW.
Het tweede luik wordt in hoofdstuk 5 besproken. Hier behandel ik vormen van doorbraak van aansprakelijkheid die niet zijn gebaseerd op een bijzondere wettelijke bepaling. In het eerste deel van hoofdstuk 5 ga ik daartoe in op het leerstuk van vereenzelviging. Een verdrongen fenomeen binnen het vennootschapsrechtelijke aansprakelijkheidsrecht. Op basis van een uitgebreide analyse probeer ik de lezer ervan te overtuigen dat de tijd is aangebroken om dit leerstuk weer uit de kast te halen. Vervolgens bespreek ik in het tweede deel van hoofdstuk 5 de indirecte variant van vereenzelviging. De doorbraak van aansprakelijkheid die eigenlijk geen doorbraak is. Ik richt mij op concernverhoudingen en beschouw de aansprakelijkheid van de moedervennootschap jegens schuldeisers van haar dochter wegens een persoonlijk gepleegde onrechtmatige daad. Daarbij zet ik de concernleidingsplicht1 af tegen de verschillende elementen die samen tot aansprakelijkheid kunnen leiden.
In het derde luik laat ik de besloten vennootschap goeddeels achter me en betreed ik het domein van de personenvennootschappen. Hoofdstuk 6 gaat over de commanditaire vennootschap en in het bijzonder de aansprakelijkheidspositie van de commanditaire vennoot. Ik trap af met een bondige bespreking van de eigenschappen van de CV en de achtergrond van artikel 21 WvK, dat de aansprakelijkheid van de commanditaire vennoot regelt. Vervolgens beschouw ik de recente ontwikkelingen over het aan de hoedanigheid van de commanditaire vennoot verbonden bestuursverbod. Daarbij poog ik tot een nadere invulling van de huidige aansprakelijkheidsregels te komen. Ten slotte bevatten paragraaf 6.6 en 6.7 een blik op de toekomst. De herziening van het personenvennootschapsrecht belooft nu toch eindelijk van de grond te komen. Ik bespreek zowel het initiatiefvoorstel van de Werkgroep Modernisering Personenvennootschappen dat in 2016 is verschenen, als het daaropvolgende en daarop gebaseerde door de wetgever gepubliceerde ambtelijk voorontwerp.
In hoofdstuk 7 kijk ik terug naar de voorgaande onderwerpen. Ieder hoofdstuk staat op zichzelf en kent eigen conclusies. Dit laatste hoofdstuk brengt de drie luiken niettemin samen tot één triptiek. Ik tracht de onderlinge verbanden tussen deze vormen van aansprakelijkheid aan het licht te brengen en tot een algemene normstelling te komen. Achter hoofdstuk 7 is een samenvatting opgenomen en worden de belangrijkste conclusies uit de drie luiken herhaald.
Het onderzoek is afgesloten op 31 december 2019. De literatuur, jurisprudentie en regelgeving die daarna is verschenen heb ik slechts in beperkte mate verwerkt.