Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/8.1.2:8.1.2 Het perspectief van uitvoerende politiemensen
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/8.1.2
8.1.2 Het perspectief van uitvoerende politiemensen
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200818:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dergelijke problemen zijn inmiddels verminderd voor politiemensen die regelmatig aan de ZSM-tafel werken. Zij hebben meer inzicht gekregen in overwegingen van het OM (Salet & Terpstra, 2017: 171-172).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de interviews met politiemensen komt naar voren dat ze een grote afstand ervaren tot de belevingswereld van officieren van justitie en vooral rechters. In hoofdstuk 4 werd beschreven op welke wijze politiemensen oordelen over strafrechtelijke beslissingen. Daarbij bleken zij nogal eens te steunen op wat zij ook zelf ‘straatkennis’ noemen (Van Maanen, 1978; zie ook hoofdstuk 4): in veel werksituaties onmisbare, praktische ervaringskennis die hun houding ten opzichte van burgers en verdachten bepaalt (vgl. Skolnick, 1966) en tevens van invloed is op hun perspectief op het functioneren van het strafrecht. Daarbij valt op het beperkte zicht dat zij hebben op het feitelijke functioneren van het strafrecht en de invloed van beeldvorming op hun beoordeling daarvan. Daarbij bleek ten tijde van de interviews met politiemensen de terugkoppeling over strafrechtelijke beslissingen vanuit het OM, zeker waar het minder zware zaken betrof, vaak gebrekkig te zijn. Hierna wordt op deze thema’s nader ingegaan.
Werksituatie
Een belangrijke factor die het perspectief van politiemensen op de strafrechtspleging bepaalt is hun werksituatie. Politiemensen wordt vaak als eerste gevraagd op te treden wanneer een acuut probleem optreedt, maar ook wanneer een strafbaar feit bekend is geworden. Door deze unieke aspecten van hun werk zijn ze sterk betrokken bij de menselijke gevolgen van overlast en criminaliteit (bijvoorbeeld in een familie of een buurt). Ook zijn ze er regelmatig zelf getuige van. In hoofdstuk 4 komen hiervan uiteenlopende voorbeelden naar voren. Politiemensen menen ook zelf over een (waardevol) eigen perspectief te beschikken op de ernst van gepleegde strafbare feiten en tevens op strafrechtelijke beslissingen. Ze zijn hier gevoelsmatig sterk bij betrokken, en menen ze, sterker dan officieren van justitie en rechters.
Strafrecht zou in de ogen van politiemensen (liefst direct) oplossingen moeten bieden wanneer de orde hersteld en burgers beschermd moeten worden. Als die verwachting niet wordt waargemaakt, zijn ze vaak ontevreden. Politiemensen vormen de frontlijn van het strafrechtsysteem en zijn voor burgers vaak het meest zichtbare onderdeel van de overheid. Uit de interviews blijkt dat politiemensen als gevolg hiervan sterk gericht zijn op de belangen van slachtoffers en inwoners van hun werkgebied (zie hoofdstuk 4).
Op basis van hun betrokkenheid bij hun wijk of buurt en een ervaren verplichting tegenover slachtoffers van criminaliteit, willen politiemensen graag (acute) oplossingen realiseren. De taakopvatting die zij in hun werk ontwikkelen sluit het meeste aan bij de instrumentele functie van strafrecht en bij een ‘harde aanpak’ van strafbare feiten: de autoriteiten dienen in hun ogen in de eerste plaats en te allen tijde duidelijk te maken wat kan en niet kan. Doordat politiemensen zich verantwoordelijk voelen voor degenen die rechtstreeks een beroep op hen doen, lijken vooral hun belangen voor politiemensen van belang. Zo kunnen de belangen van de verdachte en van speciale preventie in de toekomst gemakkelijk ondersneeuwen in het perspectief van politiemensen.
Politiemensen beoordelen het strafrecht vooral op basis van de instrumentele functie ervan; in abstracto is er in hun ogen niets mis met de waarborgfunctie van strafrecht, maar deze kost hen al snel te veel tijd en inspanning. Een belangrijke aanwijzing daarvoor is dat de sanctie(hoogte) voor politiemensen lijkt te gelden als één van de belangrijkste outputs van hun werk. Vaak zijn ze geneigd hun inspanningen daaraan af te meten: ‘[De sanctie] staat vaak niet in verhouding tot de tijd en de energie die je daaraan kwijt bent.’
Politiewerk betekent vaak het zo snel mogelijk moeten oplossen van acute problemen, waarbij de veiligheid van politiemensen en die van anderen op het spel kan staan. Dat betekent dat politiemensen in staat moeten zijn om snel een inschatting te maken van situaties waarmee ze worden geconfronteerd, om te kunnen bepalen hoe het beste kan worden gehandeld. Ook in de opsporing kan dat voorkomen. Zo nemen politiemensen regelmatig beslissingen onder tijdsdruk, bijvoorbeeld doordat een verdachte slechts beperkte tijd kan worden vastgehouden voor onderzoek. Hun ‘vakmanschap’ op basis van een zekere probabilistische logica en ervaringskennis stelt hen hiertoe in staat (vgl. Skolnick, 1966; zie ook hoofdstuk 4). Hun kritische opvatting over het functioneren van het strafrecht lijkt hier ook aan gerelateerd te zijn. Politiemensen beoordelen het functioneren van het strafrecht vanuit het perspectief van hun eigen ‘vakmanschap’ en stellen dat tegenover de juridische beoordelingswijze van officieren van justitie en rechters. Daarbij lijken politiemensen in hun werk steeds twee vormen van rechtvaardigheid met elkaar te moeten verenigen: street justice en criminal justice (Sykes, 1986). Bescherming van (kwetsbare) burgers staat hier tegenover de formele eisen en de rechtsbeschermende functie van het strafrecht. Beide vormen van rechtvaardigheid hoeven elkaar niet uit te sluiten, maar kunnen wel botsen.
Persoonsgerichte aanpak
Om meer zicht te krijgen op de achtergronden van de manier waarop politiemensen (en officieren van justitie) tegen de strafrechtspleging aankijken, lijkt het nuttig stil te staan bij de ‘persoonsgerichte’ aanpak die door politie en OM is ontwikkeld. Onderstaande heeft betrekking op de ontwikkeling van deze aanpak in één van de grote steden.
In meerdere achterstandswijken worden grote problemen veroorzaakt door groepen van voornamelijk jongens en jonge mannen. Zij zijn betrokken bij (ernstige) criminaliteit en overlast. Enkele politiemensen zijn al jarenlang bezig om deze problemen het hoofd te bieden. Bewoners van de wijk zouden zich onveilig en bovendien geïntimideerd voelen, waardoor ze geen melding meer durven te doen bij de politie wanneer zich een vervelend incident heeft voorgedaan. Hierdoor wordt het lastiger voor de politie zicht te krijgen op problemen en voldoende bewijs tegen verdachten te vergaren. Meer zelfverzekerde burgers zouden volgens geïnterviewde politiemedewerkers soms neigen tot eigenrichting. De autoriteiten, zo menen zij, moeten op basis van deze constateringen met een duidelijke reactie komen.
‘Vier jaar geleden was het een teringzooi. Elke avond waren we aan het rauzen en dat ging nergens over. (...) We hebben met bestuur en OM voor elkaar gekregen: rust creëren. Hoe doe je dat? Hang camera’s op. De reactie was: ja, maar er zijn geen meldingen. Dat klopt, want de mensen zijn te bang om te melden. De openbare-ordecamera’s zijn toch neergezet, vervolgens is daar zero tolerance aan gekoppeld en achter de schermen werd een strafrechtelijk onderzoek gestart naar ernstig criminele jongelui. Dan zie je dat de rust weerkeert, maar dat nog geen hond meldt. Na verloop van tijd gingen wij wel resultaat boeken op strafrechtelijk gebied. De ene na de andere hotshot werd naar binnen gehaald en die zat behoorlijk lang vast. In de tussentijd hebben we gezinnen bezocht. De broertjes en zusjes, die zag je het gewoon overnemen. Dus jeugdzorg erbovenop en een brief van de burgemeester aan die gezinnen.’
Het strafrecht wordt hier beschouwd als een onmisbaar onderdeel van een bredere aanpak van de autoriteiten, waarbij aan de wijk duidelijk gemaakt moet worden dat criminaliteit en overlast hard worden aangepakt. Het gaat hierbij om een combinatie van bijvoorbeeld veelvuldige controle, het beginnen van een onderzoek, een ‘dossier’ opbouwen en belastingcontrole. Van de rechterlijke macht wordt verwacht dat zij niet de zwakste schakel is in de keten, maar zich aansluit bij de harde op afschrikking gerichte aanpak die door de politie noodzakelijk wordt gevonden.
‘Het gaat om negatieve rolmodellen, een persoonsgerichte aanpak. Als we iemand pakken, welk effect sorteert dat dan? We willen gedragsbeïnvloedend zijn, zodanig dat het ook op de omgeving van invloed is. Om invloed te hebben op de [criminaliteits]cijfers moet je een aantal wortelknooppunten aanpakken. Dus je gaat niet op inbraken zitten, maar je gaat op Pietje zitten, want je weet gewoon: hij is een veelpleger die straatroven en woninginbraken pleegt. En of ik ‘m nou pak voor straatroof of voor dealen, altijd goed: grijpen die vent.’
Het gaat bij de ‘persoonsgerichte’ aanpak niet altijd om personen met antecedenten. Aangezien bewoners geen meldingen of aangifte zouden durven te doen en politie en justitie daardoor soms lang onwetend blijven, dient de aanpak zich in de ogen van politiemensen ook te richten tegen personen die formeel buiten beeld zijn gebleven. Afgegaan wordt op aanwijzingen verzameld in ‘dossiers’ die de politie heeft gevormd over criminaliteit en ernstige overlast in de wijk. Op basis hiervan kan het ook voorkomen dat de politie op basis van het van de verdachte gevormde beeld geïrriteerd raakt als de strafrechter de verdachte als een first offender behandelt, ondanks dat dit formeel gezien juist is (aangezien geen sprake is van eerdere veroordelingen).
Alleen een afstandelijke, juridische beoordeling zou in de ogen van veel politiemensen naïef zijn. Tijdens interviews werd dan ook regelmatig opgemerkt dat officieren van justitie en rechters vaker de werkomstandigheden van politiemensen zouden moeten ervaren. De hier bedoelde aanpak richt zich niet alleen op personen die zelf verantwoordelijk zijn voor criminaliteit en overlast, maar ook op individuen die leidinggeven aan criminele en overlast gevende groepen. Volgens politiemensen zijn zij vaak in staat anderen tot criminaliteit en overlast gevend gedrag aan te zetten, zonder het risico te lopen daardoor met justitie in aanraking te komen. Politiemensen menen dan ook dat het van groot belang is de betreffende jongeren ‘strafrechtelijk te raken’:
‘Veel personen heb je verzameld, op basis van antecedenten. Maar we hebben ook lui die helemaal geen antecedenten hebben, die we volgen en waar we invloed op willen uitoefenen. Als je die kunt pakken, dan heeft dat ook invloed op de omgeving.’
Beeldvorming
Ook beeldvorming speelt een rol bij de manier waarop politiemensen naar het functioneren van het strafrecht kijken. Uit hoofdstuk 4 kwam al naar voren dat politiemensen een beperkt beeld blijken te hebben van het feitelijke functioneren van de strafrechtspleging. Daarbij blijken zij regelmatig het beeld te hebben dat tenminste een deel van de officieren van justitie en rechters geïsoleerd en ‘naïef’ is. Een aanwijzing daarvoor zien politiemensen in verschillende uitkomsten van strafrechtelijke procedures, in volgens hen vergelijkbare zaken. Mogelijk dat de enkele negatieve ervaring die men in de praktijk opdoet, functioneert als katalysator voor deze algemene negatieve beeldvorming. Daarbij verwoordt een deel van de geïnterviewde politiemensen de ervaren afstand tussen hen en leden van de rechterlijke macht in termen van een verschil in sociale en culturele achtergrond.
‘Ik zie rechters uitspraken doen, waarvan ik denk: hij of zij weet echt niet wat hier gespeeld heeft en heeft op sommige punten geen reëel beeld van de maatschappij. Is zo iemand weleens mee geweest, heeft hij of zij bij een discotheek aan de deur gestaan? Of is dit een man die keurig in een villawijk woont en alleen het nieuws op zich af laat komen?’
Mede op grond van hun beeld van de achtergronden van officieren en rechters klagen politiemensen erover dat leden van de rechterlijke macht onvoldoende kennis en informatie zouden hebben over de context waarin strafbare feiten plaatsvinden en het politiewerk op straat moet gebeuren. Dat laatste heeft ook betrekking op de mogelijkheid dat de inzet van bevoegdheden door politiemensen strafrechtelijk wordt beoordeeld. De gedachte dat politiemensen zelf verdachte kunnen worden in een strafzaak roept ongemakkelijke gevoelens bij hen op. Ze vragen zich af of de rechterlijke macht wel in staat is hun werk goed te beoordelen .
Regelmatig verkeren politiemensen in de veronderstelling dat de kennis van magistraten te ver af zou staan van wat er ‘werkelijk’ aan de hand is. Vanwege hun andere sociale achtergrond en woonplaats, zouden zij de problemen niet begrijpen waarmee politiemensen in hun werk te maken krijgen en die het dagelijks leven in een achterstandswijk of uitgaansbuurt kunnen bepalen. Omdat medewerkers van het OM en rechters niet beschikken over de praktische en op alledaagse ervaring gebaseerde ‘straatkennis’ van politiemensen, zouden zij te weinig zicht hebben op de context waarin problemen zich voordoen en op de verwevenheid en ernst hiervan. Bovendien zouden ze vaak onvoldoende oog hebben voor de (subjectieve) gevolgen van criminaliteit en overlast voor burgers en slachtoffers. Politiemensen hebben daarbij het gevoel dat, ondanks mogelijkheden om in processen-verbaal hieraan aandacht te besteden, ‘emoties niet van papier gelezen’ kunnen worden: het ervaren verschil in emotionele betrokkenheid is, zo menen ze, moeilijk te overbruggen.
Politiemensen zetten zich af tegen het juridische perspectief dat in hun ogen onder officieren van justitie en rechters dominant is. Packer (1964) noemde het strafproces een ‘hindernisbaan’ in het crime control model en zo ervaren politiemensen dat ook vaak. Daarbij lijkt hun opvatting dat het strafrecht onvoldoende functioneert deels gebaseerd op rondzingende verhalen. Het ervaren gebrek aan terugkoppeling is hier debet aan (zie hoofdstuk 4). Ook blijken politiemensen zelf vaak niet naar terugkoppeling te vragen, omdat ze aan veel zaken werken en een deel daarvan snel vergeten, maar ook om frustratie over de strafrechtspleging te voorkomen. Waarom is de zaak geseponeerd? Waarom is verdachte vrijgesproken? Wat is er precies met de verdachte aan de hand, op grond waarvan deze onder voorwaarden is vrijgelaten of een voorwaardelijke straf heeft gekregen? Wat zijn de overwegingen geweest bij een eventuele strafoplegging? Politiemensen lijken dergelijke vragen niet vaak te stellen. Ook dringen overwegingen die in de strafrechtspleging van belang kunnen zijn niet altijd tot politiemensen door, vanwege beperkingen in motivering van strafrechtelijke vonnissen en in de matige terugkoppeling over strafrechtelijke beslissingen door het OM.1
Kortom, politiemensen beoordelen het strafrecht vooral vanuit hun rechtvaardigheidsgevoel en op zijn instrumentele waarde bij het tegengaan van criminaliteit en overlast. Ze voelen zich aan criminaliteitsslachtoffers en de buurten waar ze werken, verplicht ervoor te zorgen dat de autoriteiten bescherming bieden en hard optreden. Onder meer negatieve beeldvorming over officieren van justitie en rechters maakt dat het blikveld van politiemensen tamelijk ver verwijderd is van de rechtsbeschermende functie van strafrecht en van andere overwegingen die in het strafrecht van belang kunnen zijn, zoals mogelijkheden het gedrag van delinquenten positief te beïnvloeden. Veel politiemensen zijn gefrustreerd over de strafrechtelijke afhandeling van sommige zaken waaraan ze hebben gewerkt en beschouwen officieren van justitie en rechters regelmatig niet als competent. Volgens Skolnick (1966; zie ook hoofdstuk 2) gaan ze daardoor steeds sterker van hun eigen ‘vakmanschap’ uit.