Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/6.3.3.2
6.3.3.2 Reality monitoring
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Griesel & Yuille 2007, p. 361 en Verschuere, Meijer & Vrij 2010, p. 715.
Griesel & Yuille 2007, p. 361.
Bovenstaande criteria zijn overgenomen uit Verschuere, Meijer & Vrij 2010, p. 715.
Verschuere, Meijer & Vrij 2010, p. 715. Zie ook Vrij 2008, p. 276.
Masip e.a. 2005, p. 99.
Memon e.a. 2010, p. 179.
Tevens zijn er factoren die het effect kunnen matigen (Masip e.a. 2005, p. 99).
Masip 2005, p. 117.
Memon e.a. 2010, p. 179.
Vrij 2008, p. 256.
Otgaar e.a. 2010, p. 555.
Vrij 2008, p. 276 en Otgaar e.a. 2010, p. 564. Verschuere, Meijer & Vrij zien wel een rol weggelegd in de opsporing (Verschuere, Meijer & Vrij 2010, p. 721).
Memon e.a. 2010, p. 179.
Otgaar e.a. 2010, p. 564 en Memon e.a. 2010, p. 191.
Reality monitoring (RM) is een methode die voortkomt uit het geheugenonderzoek. De term verwijst naar de strategie die mensen gebruiken om op basis van bepaalde kenmerken te beoordelen uit welke bron een herinnering afkomstig is. De gedachte is dat de informatie die mensen benutten om de echtheid van eigen herinneringen vast te stellen, ook benut kan worden voor het evalueren van de verklaringen van anderen.1 De aanpak is ontwikkeld om echte van ingebeelde herinneringen te onderscheiden, maar er wordt ook onderzoek gedaan in hoeverre deze methode kan worden gebruikt voor het detecteren van verzonnen verklaringen. Reality monitoring wordt in de literatuur wel gezien als alternatief voor de CBCA. Net als bij de CBCA is de gedachte dat verklaringen die een verslag zijn van herinneringen aan echte ervaringen, andere kenmerken bevatten dan verklaringen die zijn verzonnen of ingebeeld. Het probleem is wel dat de wijze waarop mensen gebeurtenissen herinneren, niet overeen hoeft te komen met de wijze waarop mensen deze beschrijven.2
Het uitgangspunt van de RM is dat waarachtige verklaringen levendiger en scherper zijn (criterium: helderheid); meer zintuiglijke informatie bevatten (criterium perceptuele informatie visueel en auditief); goed zijn ingekaderd in de ruimte (criterium: ruimtelijke informatie ) en in de tijd (criterium: temporele informatie); een beschrijving bevatten van hoe de betrokkene zich voelde (criterium: affect); realistisch en geloofwaardig zijn (criterium: realiteit) en minder redeneringen en gevolgtrekkingen bevatten (criterium: cognitieve operaties).3 Anders dan de CBCA is deze methode niet alleen gericht op het zoeken naar indicatoren voor geloofwaardigheid maar ook op het zoeken naar factoren die duiden dat de verklaring is ingebeeld of verzonnen. Het laatste criterium is daar een voorbeeld van. Ingebeelde of verzonnen verklaringen zouden meer cognitieve operaties bevatten, dat wil zeggen meer redeneringen en gevolgtrekkingen.4
Wanneer meerdere studies naar de toepassing van de RM als instrument voor leugendetectie worden vergeleken, dan blijkt dat de RM-criteria als geheel resulteren in scores boven kansniveau. De scores zijn vergelijkbaar met de CBCA.5 De toepassing is echter problematisch nu een gestandaardiseerde set van criteria ontbreekt. Dit maakt ook dat de verschillende studies lastig met elkaar te vergelijken zijn.6 Voor wat betreft de individuele criteria geldt dat in vergelijkende studies slechts voor enkele criteria een positief resultaat te vinden is.7 Het betreft in dit verband de criteria perceptuele informatie, temporele en ruimtelijke informatie en realiteit. Deze criteria discrimineren het sterkst tussen waarachtige en verzonnen verklaringen.8 De bevindingen met betrekking tot het criterium van cognitieve operaties wijzen in verschillende richtingen. Er zijn ook studies waarbij dit criterium vooral voorkomt in waarachtige verklaringen.9 Dat juist over dit criterium discussie bestaat, is problematisch nu dit het enige criterium betreft dat gericht is op het identificeren van niet-waarachtige verklaringen. Onderzoek laat voorts zien dat er verschillende variabelen zijn die het positieve effect van bepaalde criteria matigen.
Het is onduidelijk in hoeverre de methode als geheel geschikt is om ware en niet-ware verklaringen van elkaar te onderscheiden. Onderzoek dat tot op heden is verricht, wijst erop dat dit maar in heel beperkte mate het geval is.10 Zo hebben Otgaar en collega’s onderzoek gedaan naar verklaringen van kinderen en in dit verband geconstateerd dat de RM onvoldoende discrimineerde tussen echte herinneringen en valse herinneringen. De reden die zij hiervoor aandragen is dat ingebeelde herinneringen in het brein worden gekoppeld aan echte herinneringen en dat deze daarom authentiek overkomen (zie ook hetgeen in de vorige paragraaf over de CBCA is opgemerkt). Verklaringen van kinderen die waren gebaseerd op echte herinneringen bevatten wel meer visuele details dan ingebeelde verklaringen.11
Wat betreft de forensische toepassing van deze methode: de meeste auteurs lijken van mening te zijn dat de toepassing van de RM in individuele gevallen nog teveel onzekerheden meebrengt om de resultaten daarvan te kunnen gebruiken voor het bewijs.12 In dit verband wordt het belang benadrukt van het maken van een gestandaardiseerde set van criteria.13 Er wordt in de literatuur voorts gesteld dat het analyseren van verklaringen aan de hand van de RM achterwege moet blijven wanneer geen informatie voorhanden is over de omstandigheden waaronder de verklaring is afgelegd, zoals de verhoormethode en de gestelde vragen.14