Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/370
370 Het bezoldigingsbesluit en het bezoldigingsbeleid
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS365379:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Verburg 2015, p. 72/73.
Opgemerkt dient te worden dat de woordkeuze van art. 2:135 lid 4 BW niet optimaal is. De tekst lijkt te suggereren dat de bezoldiging van bestuurders slechts met inachtneming van het bezoldigingsbeleid wordt vastgesteld wanneer de algemene vergadering het bevoegde orgaan is. Het woord ‘tenzij’ doet vermoeden dat hiervan wordt afgeweken wanneer bij de statuten een ander orgaan is aangewezen. Juist het omgekeerde is mijns inziens het geval. Het bezoldigingsbeleid is in het bijzonder van belang wanneer de vaststelling van de individuele bezoldiging statutair gedelegeerd is aan een ander orgaan.
In de literatuur worden bovenstaande situaties door elkaar heen gebruikt hetgeen de discussie niet ten goede komt.
Uit vorenstaande blijkt, dat de vennootschap niet door een ander dan het orgaan dat op grond van art. 2:135 lid 4 BW bevoegd is aan een bezoldiging kan worden gebonden. Daarmee is slechts een deel van het vertegenwoordigingsvraagstuk van art. 2:135 lid 4 BW beantwoord: welk orgaan is bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen. Een tweede vraag die gesteld kan worden is of de vertegenwoordigingsbevoegdheid van dit orgaan ook onbeperkt en onvoorwaardelijk is? Of is de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het daartoe bevoegde orgaan door de wetgever dwingendrechtelijk ingeperkt met als uiterste grens de kaders van het door de AVA vastgestelde bezoldigingsbeleid?1
Over het antwoord op de vraag hoe de vastgestelde bezoldiging en het bezoldigingsbeleid zich tot elkaar verhouden bestaat grote verdeeldheid.2 Bij de beoordeling hiervan zijn mijns inziens drie situaties van elkaar te onderscheiden: (i) er is geen bezoldigingsbeleid, (ii) de vastgestelde bezoldiging is in strijd met het bezoldigingsbeleid en (iii) de vastgestelde bezoldiging wijkt af van het bezoldigingsbeleid. Bij deze laatste twee situaties kan vervolgens een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds structureel handelen in strijd met of in afwijking van het bezoldigingsbeleid en afwijkende of strijdige regelingen die een ad hoc karakter hebben anderzijds.3