Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/7.1.2:7.1.2 Bewijs
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/7.1.2
7.1.2 Bewijs
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200820:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het hanteren van het bewijsminimum vormt in de ogen van officieren van justitie een probleem voor politiemensen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Veel politiemensen achten de strafrechtelijke beoordeling van bewijs vaak te streng. Deze opvatting lijkt verband te houden met de manier waarop zij bewijs beoordelen in het kader van hun eigen werk. Regelmatig geven politiemensen voor zichzelf een voorlopig antwoord op de schuldvraag. Zo moeten ze vaak handelen op straat, zonder het juridisch oordeel af te kunnen wachten. Ook beslissen politiemensen over het insturen van een proces-verbaal naar het OM. Hun oordeel kenmerkt zich vaak door een niet-juridisch ‘vakmanschap’ (vgl. Skolnick, 1966: 202-203). De (minimale) juridische eisen die zijn gesteld aan een bewezenverklaring worden daarbij soms niet in acht genomen: niet beseft, genegeerd of opzijgezet. Politiemensen baseren zich bij hun oordeel over de schuld van een verdachte vaak op een combinatie van een probabilistische redenering en hun ‘straatkennis’, ingegeven door eerdere ervaringen met verschillende ‘typen’ verdachten en gedragingen (Skolnick, 1966; Terpstra, 2008; Çankaya, 2013).
Officieren van justitie zijn minder negatief over de strafrechtelijke beoordeling van bewijs dan politiemensen. Een deel van de officieren zet zich af tegen de onvrede onder politiemensen. Zij menen dat deze het gevolg is van een gebrek aan juridische kennis en dat politiemensen regelmatig over schuld oordelen op basis van intuïtie in plaats van op basis van voldoende wettig bewijs.1 Officieren van justitie ervaren dan ook regelmatig verschil van inzicht met politiemensen over de eisen die aan het bewijs in strafzaken gesteld moeten worden.
Politiemensen, officieren van justitie en rechters verschillen tot op zekere hoogte in hun opvattingen over bewijsbeoordeling, maar er zijn ook overeenkomsten. Politiemensen en sommige officieren van justitie verwachten van rechters meer ‘lef’ en ‘gezond verstand’ bij de beoordeling van bewijs, maar ook rechters menen dat sommige collega-rechters te voorzichtig zijn bij de bewijsbeslissing. In alle drie onderzochte groepen komt deze opvatting voor. Daarbij zijn politiemensen en officieren van justitie van mening dat bij de bewijsbeoordeling vaker zonder meer van een waarschijnlijk scenario (of met andere woorden: een waarschijnlijkheidsredenering) uitgegaan zou moeten worden. Rechters menen dat aangedragen alternatieve scenario’s soms eerder opzij zouden moeten worden geschoven.
Een rechter mag zijn overtuiging volgens het bewijsrecht baseren op slechts een klein aantal wettige bewijsmiddelen. Het strafrecht draait daarmee in beginsel om een probabilistische beoordeling (Schauer, 2013). Een meer ‘wetenschappelijke benadering’ waarbij meerdere scenario’s systematisch met elkaar worden vergeleken (vgl. Van Koppen, 2011; 2013) speelt in lijn hiermee in de opvattingen van politiemensen, officieren van justitie en rechters een beperkte rol. Voor het overgrote deel is men van opvatting dat hiervan alleen sprake kan zijn in uitzonderlijke gevallen.
Over het element overtuiging in het bewijsrecht bestaat onder zowel officieren van justitie als onder rechters verschil van opvatting. Voor een deel van hen is dit element niet zozeer een aansporing tot kritische reflectie, maar vormt het vooral een oordeelsruimte op basis van common sense, waarin ook ruimte is voor geringe onzekerheid. Ook zijn er officieren van justitie en rechters die terughoudender willen omgaan met de interpretatie van bewijsstukken en menen dat veel nadruk moet worden gelegd op gaten in de bewijsvoering. In deze opvatting van het bewijsrecht is de kwaliteit van de bewijsconstructie dus cruciaal. Ook past hierbij de opvatting dat het zwijgrecht van de verdachte (vergaand) gerespecteerd moet worden. De eis die volgens sommige geïnterviewde officieren en rechters aan de verdachte moet worden gesteld dat deze een ‘serieus aanknopingspunt’ aan moet geven voor falsificatie van het scenario van het OM, is in deze opvatting een vorm van omgekeerde bewijslast: de verdachte behoort immers van de rechter het voordeel van de twijfel te krijgen (In dubio pro reo) (vgl. Choongh, 1998: 624).
Rechters lijken zich het meeste thuis te voelen bij een voorzichtige bewijsbeoordeling (waarbij, zoals in het due process model, er een groot besef is van de feilbaarheid van de strafrechtelijke instituties). Ook zeggen politiemensen en officieren van justitie vaak eerder dan rechters uit te willen gaan van een volgens hen waarschijnlijke interpretatie van het bewijsmateriaal. Rechters, zo menen zij ook zelf, zouden terughoudender zijn en meer nadruk willen leggen op mogelijke gaten in de gehanteerde bewijsconstructie. Verder denken officieren van justitie dat zij in de regel eerder dan rechters overgaan tot het uitsluiten van een alternatief scenario.