Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.2.2.2
6.3.2.2.2 Kwalificatie herzieningsverplichting in faillissement
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS496642:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Ontleend aan het literatuuroverzicht uit Heijnen 2010, p. 22-26.
Boekraad 1997.
Boekraad 1997, p. 254-255.
Duynstee 1981, p. 288-289.
Tekstra 1999, p. 260. Aldus ook Vetter, GS Faillissementswet, titel II afd. 1 art. 8, aant. 10.
Hof Arnhem 21 juni 1996, rolnr. 95/0081 (arrest deels opgenomen in BNB 1997/368).
De Belastingdienst heeft belang bij het kwalificeren als faillissementsschuld boven een niet-verifieerbare schuld. De Ontvanger kan de vordering dan onder zijn bodempreferentie brengen, waardoor een goede verhaalspositie ten opzichte van andere faillissementsschuldeisers ontstaat, ondanks het feit dat boedelschulden eerst worden voldaan.
In dezelfde zin: Hof Den Bosch 20 december 2005, V-N 2005/17.18.
Zie onder meer Van Oers 2001, p. 14-19, Van Oers 2004, p. 9 en Van Oers 2007a, p. 58-62.
Van Oers 2007a, p. 61.
De Liagre-Böhl 1991, p. 197 en Duynstee 1981, p. 289.
Van Houte 2001, p. 511 en Van der Maas 2006, p. 15.
Van Oers 2007a, p. 62. Zie ook Boekraad 1997, p. 254-255.
De fiscale relevantie van het (civielrechtelijke) ontstaansmoment van een schuld (of vordering) is in mijn optiek breder dan de kwalificatie in faillissement. Ik denk bijvoorbeeld aan de aansprakelijkheid voor btw-schulden van onderdelen van een fiscale eenheid ex art. 43 Iw 1990, de bevoegdheid van de Belastingdienst tot verrekening ex art. 24 Iw 1990 en art. 53 Fw (zie in dat verband over art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (oud) de antwoorden van de Hoge Raad (HR 13 oktober 2017, 17/01773) op door Rechtbank Overijssel gestelde prejudiciële vragen (Rechtbank Overijssel 5 april 2017, JOR 2017/220 (Schepel en Miedema q.q./Eurocommerce)), beslaglegging (conservatoir of executoriaal) door de Ontvanger en het kunnen inroepen van het fiscale voorrecht ex art. 21 Iw 1990 (HR 26 juni 1998, NJ 1998/745 (Aerts q.q./ABN AMRO), r.o. 4.9, HR 28 november 2003, NJ 2004/81, r.o. 4.2 en 4.3 en HR 15 april 2016, NJ 2016/289 (Van der Maas q.q./Heineken), r.o. 3.9-3.11). Zie ook paragraaf 4.3.4.5.4.
Zie onder andere HR 28 september 1990, NJ 1991/305 (De Ranitz q.q./Ontvanger) en Hof Den Bosch 8 september 2009, JOR 2010/32 (Buijsrogge q.q./Ontvanger). Zie nader Van Houte 2001, p. 505-506, Van Oers & Verstijlen 2000, p. 198 en Van Oers 2004, p. 7-8.
Heijnen 2010, p. 26-34.
Art. 13 Wet OB 1968 en art. 62-66 Btw-richtlijn.
Voor de vervolmaking van de herzieningsverplichting zou enkel een in art. 29 lid 2 Wet OB (tot 2017) bedoeld event nodig zijn, lees: niet-betaling.
Zie onder andere Van Oers 2004, p. 9 en Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Algemeen Deel, AWR, art. 19, aant. 4.
Deze vraag kan zich bijvoorbeeld ook voordoen wanneer de hierna te bespreken éénjaarstermijn ná het faillissement komt te verstrijken en daarvoor al redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat de vordering niet zou worden betaald.
Art. 98 Fw. Vgl. art. 63a e.v. Fw, dat voorziet in een zogenaamde afkoelingsperiode, waarbinnen schuldeisers (met uitzondering van boedelcrediteuren) onder meer met het oog op de voorzetting van het bedrijf hun verhaalsrechten niet kunnen uitoefenen. Zie ook Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Invorderingswet, art. 3, aant. 6.55.1.
Er bestaat geen wettelijke bepaling waaruit blijkt hoe de herzieningsverplichting van art. 29 lid 7 Wet OB 1968 in faillissement moet worden gekwalificeerd. Evenmin is er jurisprudentie voorhanden waarin deze vraag aan de orde is gekomen. Wel is het onderwerp onder de vigeur van art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) enkele keren in de literatuur aangesneden. In deze paragraaf gebruik ik de in de literatuur geventileerde opvattingen als opstapje naar mijn eigen visie over de kwalificatie van de ‘correctie vooraftrek’. Hierbij is een belangrijke rol weggelegd voor het antwoord op de vraag op welk tijdstip de herzieningsverplichting privaatrechtelijk ontstaat.
Opvattingen in de literatuur1
Ook Boekraad, die promoveerde op de afwikkeling van de faillissementsboedel,2 en daarbij op zoek ging naar hanteerbare criteria om de drie schuldencategorieën in faillissement af te bakenen, acht het ontstaansmoment van schulden van doorslaggevende betekenis. Over de ‘correctie vooraftrek’ stelt Boekraad dat, gelet op de tekst van art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017), het tijdstip waarop redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de vergoeding, waarop de btw betrekking heeft, niet of geheel niet zal worden betaald, veelal reeds vóór faillissement zal zijn aangebroken. Omdat de (materiële) verplichting dus al bestaat bij het uitspreken van het faillissement, concludeert Boekraad dat de herzieningsverplichting moet worden aangemerkt als faillissementsschuld.3 Hij staat hierin niet alleen: meerdere auteurs concluderen dat de ‘correctie vooraftrek’ een faillissementsschuld oplevert. Eén daarvan is Duynstee. Hij illustreert zijn visie aan de hand van een praktijkvoorbeeld. In een faillissement, waarin hijzelf curator was, stelde de Belastingdienst dat de claim ex art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) als boedelschuld gekwalificeerd moest worden. Duynstee stelde op zijn beurt dat reeds geruime tijd voorafgaande aan het faillissement redelijkerwijs vaststond dat bedoelde facturen niet betaald zouden kunnen worden, waardoor er sprake zou zijn van een faillissementsschuld. Daarbij gold dat van een boedelschuld überhaupt geen sprake zou kunnen zijn, omdat – onder de oude afbakeningscriteria – de wet noch het toedoen van de curator de schuld had doen ontstaan. De Belastingdienst was overtuigd en zag af van een rechterlijke procedure.4 Ook Tekstra stelt zich op het standpunt dat de herzieningsverplichting een faillissementsschuld betreft. Het tijdstip waarop redelijkerwijs moet worden aangenomen dat facturen niet zullen worden voldaan, ligt volgens Tekstra objectief gezien altijd vóór de faillissementsdatum, en wel veelal op het moment onmiddellijk voorafgaand aan het faillissement.5 Ter onderbouwing refereert hij aan het arrest van Hof Arnhem van 21 juni 1996.6 Hierin oordeelde het hof met zoveel woorden dat de ‘correctie vooraftrek’ in faillissement als faillissementsschuld moet worden aangemerkt. In dit arrest vormde een tweetal dochtermaatschappijen, tezamen met hun moedermaatschappij, een fiscale eenheid. Op 24 december 1994 werden beide dochtervennootschappen failliet verklaard en werd de fiscale eenheid ontbonden. Ten name van de fiscale eenheid werd vervolgens op grond van art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) een naheffingsaanslag opgelegd, waarbij de Belastingdienst zich op het standpunt stelde dat bedoelde schuld zich reeds vóór het uitspreken van het faillissement zou hebben verwezenlijkt.7 Het hof was het hier mee eens:
“het is aannemelijk dat op [de dag vóór faillietverklaring; BH] was te verwachten dat de schuldeisers van de dochtervennootschappen niet zouden worden voldaan. Belanghebbende maakt het tegendeel niet waar.”
In cassatie oordeelde de Hoge Raad (HR 1 juli 1997, BNB 1997/368) dat dit oordeel geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting.8
Ik ben het met Van Oers9 eens dat van dit arrest niet zonder meer een algemene werking mag uitgaan. De omstandigheden van het geval dienen steeds bepalend te zijn. Hoewel bij een faillissement vaak op voorhand vaststaat dat leveranciers niet of niet geheel kunnen worden voldaan, hoeft dit niet altijd het geval te zijn. Ik kan me voorstellen dat dit vermoeden in bepaalde situaties pas ontstaat vanwege de intrede van het faillissement. Daarnaast kan het zijn dat voorafgaand of bij het uitspreken van het faillissement niet uitgesloten is dat een uitkering in het verschiet ligt. Van Oers stelt zich in dat kader (onder de oude afbakeningscriteria) mijns inziens terecht op het standpunt dat in dat geval voor wat betreft het te (verwachte) uit te keren bedrag sprake zal zijn van een niet-verifieerbare schuld. Van Oers stelt in zijn dissertatie:10
“Naar mijn inschatting was de beslissing van de Hoge Raad ook anders geweest, wanneer vast had gestaan dat slechts een bepaald deel van die schuldeisers niet voldaan had kunnen worden. Indien bijvoorbeeld de totale schuld 200.000 exclusief 38.000 omzetbelasting zou zijn geweest, terwijl op het moment van de faillietverklaring moet worden aangenomen dat de helft (op termijn) kan worden voldaan, dan is 19.000 een niet-verifieerbare schuld.”
Van een boedelschuld kon volgens Van Oers geen sprake zijn, omdat niet werd voldaan aan het baatcriterium en aan het ontstaan van de schuld evenmin een handeling van de curator ten grondslag lag. Over de opvatting dat de herzieningsverplichting (onder de oude afbakeningscriteria) niet als boedelschuld kan worden gekwalificeerd bevindt van Oers zich overigens in een breed gezelschap.11 Er is echter geen eensgezindheid daar waar aan een faillissement een surseance van betaling voorafgaat. Zowel Van Houte als Van der Maas zijn de mening toegedaan dat, indien de oorzaak van het niet voldoen van schuldeisers is opgekomen tijdens surseance van betaling, er van rechtswege sprake zal zijn van een boedelschuld in een daaropvolgend faillissement.12 Van Oers pareert mijns inziens terecht door te overwegen dat vorderingen die niet hebben geleid tot aansprakelijkheid van de boedel tijdens surseance13 later evenmin op de boedel kunnen worden verhaald.14
Privaatrechtelijk ontstaansmoment van de ‘correctie vooraftrek’
Uit het voorgaande volgt dat het ontstaansmoment van een schuld een belangrijke rol speelt bij de kwalificatie van belastingschulden.15 Net als de vraag naar het ontstaansmoment van het recht op teruggaaf ex art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017) komt het mij voor dat bedoeld vraagstuk in principe een civielrechtelijke aangelegenheid betreft. In paragraaf 4.3.4.5.4 heb ik vastgesteld dat voor de toepassing van het civiele recht fiscale vorderingen, anders dan vorderingen van verbintenisrechtelijke aard, ontstaan wanneer aan alle wettelijke vereisten voor het ontstaan van de vordering wordt voldaan. Met betrekking tot het recht op teruggaaf heb ik de volgende alternatieven onderscheiden (i) het moment van presteren, (ii) het moment waarop de gehele of gedeeltelijke niet-betaling komt vast te staan c.q. het moment waarop de éénjaarstermijn (zie hierna) komt te verstrijken en (iii) het einde van het belastingtijdvak waarin het onder (ii) bedoelde moment zich voordoet. Met al deze alternatieven doel ik op het materiële ontstaansmoment van vorderingen. Het ontstaansmoment van een btw-vordering zou dus niet afhankelijk mogen zijn van haar formele ontstaansmoment, dat wil zeggen: het moment waarop de materiële vordering door middel van een aangifte, teruggaafbeschikking of naheffingsaanslag wordt geformaliseerd.
Over het algemeen wordt aangenomen dat voor de civielrechtelijke kwalificatie van belastingschulden eveneens moet worden uitgegaan van het materiële ontstaansmoment: het moment waarop aan het Tatbestand van het ‘belastbare feit’ wordt voldaan.16 Dit is in overeenstemming met hetgeen in de Leidraad Invordering 2008 wordt overwogen: ook de staatssecretaris van Financiën gaat uit van het materiële ontstaansmoment. Ik kan mij in deze benadering vinden. Het zou immers bijzonder gecompliceerd worden wanneer een vordering niet gelijktijdig met een schuld ontstaat, zelfs wanneer (belasting)vorderingen bij gebreke van een wettelijk anker moeten worden geacht op een bepaald moment te ontstaan. Dit zou betekenen dat wat betreft de herzieningsverplichting eveneens een keuze moet worden gemaakt uit de hiervoor opgesomde alternatieven.
In mijn eerdere zoektocht naar het ontstaansmoment van de schuld ex art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) heb ik verdedigd dat aansluiting moet worden gezocht bij alternatief (i): het moment waarop het belastbaar feit plaatsvindt.17 Uiteindelijk kunnen alle relevante momenten voor het verschuldigd worden en het kunnen terugvragen van btw worden teruggevoerd op dit ene moment: het moment waarop de goederen worden geleverd of de diensten worden verricht. Ik meende dan ook dat het antwoord op de vraag op welk moment de herzieningsverplichting ex art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) ontstond, samenviel met het belastbaar feit. Immers: art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) kon alleen toepassing vinden wanneer er in eerste instantie recht op aftrek ex art. 15 Wet OB 1968 bestond, welk recht samenvalt met het moment waarop de leverancier de belasting verschuldigd wordt,18 welk moment op zijn beurt weer kan worden gekoppeld aan het belastbaar feit.19 De herzieningsverplichting zou op het tijdstip van het belastbaar feit c.q. het moment van het ontstaan van het recht op teruggaaf reeds latent c.q. voorwaardelijk aanwezig zijn.20 Dat deze verplichting voorwaardelijk was en afhankelijk was van andere in de Wet OB 1968 en de Btw-richtlijn verankerde (effectieve) ontstaansmomenten, zoals het in eerste instantie (effectief) kunnen aftrekken van btw, deed aan mijn conclusie niet af. Ook deze waren immers veelal op het moment van het belastbaar feit (voorwaardelijk) aanwezig.
Bovenstaande laat zich richtlijn- en wetstechnisch als volgt samenvatten:
Wet OB 1968
Btw-richtlijn
Materieel ontstaansmoment btw-schuld / het belastbaar feit
Art. 1
Art. 62 en 641 (juncto art. 2)
Materieel ontstaansmoment recht op aftrek / gekoppeld aan het belastbaar feit
Art. 2
Art. 1
Effectief ontstaansmoment btw-schuld / de verschuldigdheid
Art. 13
Art. 63, 65 en 661
Effectief ontstaansmoment recht op aftrek / gekoppeld aan de verschuldigdheid
Art. 15
Art. 167
Effectief ontstaansmoment recht op teruggaaf niet-betaling / herziening verschuldigdheid
Art. 29 lid 1
Art. 90 lid 1
Effectief ontstaansmoment herzieningsverplichting niet-betaling / herziening recht op teruggaaf
Art. 29 lid 7
Art. 185 lid 2 tweede alinea
1 Voor de uitleg en werking van art. 62-66 Btw-richtlijn verwijs ik naar HvJ 21 februari 2006, nr. C-419/02, BNB 2006/172 (BUPA Hospitals), r.o. 44-48. Zie ook het in paragraaf 5.3.2.3-5.3.2.4 besproken FIRIN-arrest (HvJ 13 maart 2014, nr. C-107/13, V-N 2014/16.21). Volgens art. 63 Btw-richtlijn luidt de hoofdregel dat de verschuldigdheid van btw samenvalt met het belastbaar feit: de levering van goederen of diensten. Art. 64-66 bevatten vervolgens bepalingen op grond waarvan de verschuldigdheid op een ander moment dan het belastbaar feit kan plaatsvinden. Zo bepaalt art. 66 dat het de lidstaten vrij staat te bepalen dat de btw in drie gevallen op een later tijdstip dan het belastbaar feit verschuldigd kan worden. Art. 65 vormt hierop de enige uitzondering: in gevallen van vooruitbetaling mogen lidstaten bepalen dat de verschuldigdheid eerder plaatsvindt, mits alle relevante feiten van het belastbaar feit (de toekomstige levering van goederen of diensten) op dat moment bekend zijn.
Op grond van voorgaande argumentatie kwam ik tot de conclusie dat de herzieningsverplichting op grond van art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) in faillissement veelal een faillissementsschuld vormde, aangezien deze in het gros van de gevallen veelal haar oorsprong zou vinden in een vóór faillissement verrichte prestatie. In enkele gevallen, zoals bij doorlopende prestaties, waarbij het belastbaar feit geacht wordt plaats te vinden bij het verstrijken van de periode waarop deelafrekeningen of betalingen betrekking hebben, zou sprake zijn van een niet-verifieerbare schuld.
Voortschrijdend inzicht maakt dat ik op mijn eerder standpunt moet terugkomen. Overeenkomstig mijn standpunt ten aanzien van het ontstaansmoment van het recht op teruggaaf ex art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017) meen ik dat het hiervoor aangehaalde alternatief (ii), zijnde het moment waarop de gehele of gedeeltelijke niet-betaling komt vast te staan c.q. het moment waarop de éénjaarstermijn komt te verstrijken, het meest recht doet aan het criterium dat fiscale vorderingen (en dus ook schulden) ontstaan zodra aan alle wettelijke voorwaarden hiervoor wordt voldaan en de praktische toepasbaarheid. Hierbij speelt het feit dat de fiscale wetgever ten aanzien van het recht op teruggaaf expliciet spreekt over het ‘ontstaan’ van de vordering op de fiscus en het feit dat de wetgever art. 29 lid 7 Wet OB 1968 als spiegelbeeld van art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017) beschouwt een belangrijke rol. Dit maakt dat art. 29 Wet OB 1968 zelf het wettelijk aanknopingspunt vormt om het privaatrechtelijke ontstaansmoment van de herzieningsverplichting te laten samenvallen met het fiscaalrechtelijke ontstaansmoment: het materiële ontstaansmoment van de ‘correctie vooraftrek’ valt derhalve samen met het moment waarop (redelijkerwijs) moet worden aangenomen dat de vergoeding niet door de debiteur zal worden voldaan. Daarmee lijkt Van Oers, met zijn eerdere standpunt dat de schuld ex de art. 29 lid 2 Wet OB 1968 een opzichzelfstaand ‘belastbaar feit’ vormt, toch nog aan het langste eind te trekken.21
Een mogelijk complicerende factor bij de kwalificatie van de herzieningsverplichting is het dynamische karakter van het ontstaansmoment. Onder verwijzing naar hetgeen ik omtrent het ontstaansmoment van het recht op teruggaaf ex art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017) heb betoogd, ben ik van mening dat het ontstaansmoment van de herziening van de aftrek zich bevindt tussen het tijdstip waarop redelijkerwijs moet worden aangenomen dat betaling achterwege zal blijven en het moment waarop in rechte door de schuldeiser geen betaling meer kan worden gevorderd (en de niet-betaling definitief wordt). De vraag komt op hoe moet worden omgegaan met de situatie waarin een faillissement binnen dit tijdsbestek wordt uitgesproken.22
Illustratief:
De schuld ontstaat in dat geval zowel vóór als ná faillissement. In deze situatie zou het mijn voorkeur hebben om het ontstaan van de schuld toe te schrijven aan de periode vóór faillissement, teneinde het beginsel van de paritas creditorum in faillissement zoveel mogelijk te eerbiedigen. Overigens moet hierbij worden opgemerkt dat met het verdwijnen van het ‘toedoencriterium’ dit veelal een (hoog) theoretische exercitie betreft, aangezien schulden die ontstaan ná faillissement, maar voortspruiten uit een bestaande rechtsverhouding, eveneens als een faillissementsschuld moeten worden aangemerkt. Zoals eerder betoogd komt het mij voor dat wanneer een ondernemer op het moment van het uitspreken van het faillissement al een rechtsrelatie met de Belastingdienst heeft (een btw-registratie zou naar mijn smaak reeds voldoende zijn) reeds sprake is van een bestaande rechtsverhouding, al kan uit rechtspraak van de Hoge Raad worden afgeleid dat hiervan (specifiek met betrekking tot art. 29 lid 7 Wet OB 1968) pas sprake is wanneer eerder een recht op aftrek is ontstaan, welk tijdstip naar gevoeglijk mag worden aangenomen veelal vóór faillietverklaring ligt. Hierop geldt echter één uitzondering, en dat is wanneer de schuld zou kunnen kwalificeren als boedelschuld.
De vraag of de ‘correctie vooraftrek’ na het Koot Beheer/Tideman q.q.-arrest als boedelschuld aangemerkt kan worden, dient naar mijn opvatting negatief te worden beantwoord. Er is geen wettelijke bepaling die de herzieningsverplichting aanmerkt als boedelschuld. Evenmin is de wil van de curator gericht op het doen ontstaan van de schuld ex art. 29 lid 7 Wet OB 1968. Het ontstaan van de schuld is immers het enkele gevolg van het feit dat de failliet zijn verplichtingen jegens zijn leveranciers niet kan nakomen. Ten slotte is evenmin sprake van een handelen van de curator in strijd met een door hem na te leven verbintenis of verplichting. Eén uitzondering geldt wat mij betreft voor verplichtingen die tijdens het faillissement of tijdens een direct daaraan voorafgegane surseance door de curator zijn aangegaan of geëerbiedigd, waarbij btw als voorbelasting door de boedel is teruggevraagd, en achteraf blijkt dat de boedel ontoereikend is om de betreffende crediteuren te voldoen. In dat geval kan worden volgehouden dat de curator met het aangaan van de verplichting bewust het risico heeft geaccepteerd – en de wil derhalve mede moet zijn gericht op de mogelijkheid – dat de failliet zijn betaalverplichtingen niet zou kunnen nakomen en de afgetrokken btw verschuldigd zou worden. Alleen dan zou de ‘correctie vooraftrek’ naar mijn mening een boedelschuld in faillissement opleveren. Een dergelijke situatie zou zich bijvoorbeeld voor kunnen doen in het geval de curator de onderneming van de failliet, al dan niet met het oog op de toekomst, zou voortzetten.23