Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/4.2.2.1
4.2.2.1 De Groningse leer en de Nijmeegse leer
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972022:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook Vletter-van Dort (diss.) 2001, p. 65-67.
Zie Handboek (suppl). 1971, p. 92.
Zie Sanders 1972, p. 42. De onderstreepte woorden zijn in de oorspronkelijke tekst cursief gedrukt.
Zie de annotatie van Maeijer bij Hof Amsterdam (OK) 21 september 1978, NJ 1979/403 m.nt. J.M.M. Maeijer: “Los van een enquêteprocedure, komt een in de wet zelf uitdrukkelijk verankerd recht op inlichtingen slechts toe aan de algemene vergadering van aandeelhouders: vgl. artt. 107, lid 2, en 218, lid 2, Boek 2 BW. Maar verdedigbaar is dat o.g.v. de in art. 7 [tegenwoordig: artikel 8 – toev. PH] Boek 2 BW vervatte algemene norm die verplicht tot een gedrag naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd, ook een individuele aandeelhouder, zeker ter algemene vergadering, bepaalde voor hem van belang zijnde, redelijk te achten inlichtingen van de vennootschap moet kunnen verkrijgen.”
Zie Asser/Maeijer 2-III 1994, nr. 256.
Zie in deze zin Maeijer in zijn annotatie bij Hof Amsterdam (OK) 21 september 1978, NJ 1979/403 m.nt. J.M.M. Maeijer; en Timmerman 1991, p. 51. Anders: Van Solinge 1994, p. 45-46, die pleit voor een analogische toepassing van artikel 6:248 BW (waarover kritisch Vletter-van Dort (diss.) 2001, p. 67).
Zie Handboek 1962, p. 362-363; en Handboek 1968, p. 327: “Redelijkheid en billijkheid brengen voorts mede, dat ook de individuele aandeelhouder een informatierecht heeft. Hij heeft echter dit recht slechts, indien hij ter vergadering vertegenwoordigd is.”
In de eerste druk wordt het recht op inlichtingen gepresenteerd als een recht van de algemene vergadering, maar wordt niet ingegaan op de vraag of dit recht ook door individuele aandeelhouders kan worden uitgeoefend.
Zie Van Schilfgaarde 1973, p. 118-119.
Zie Pitlo/Löwensteyn 1978, p. 223-224.
Zie Pitlo/Löwensteyn 1978, p. 224. De onderstreepte woorden zijn in de oorspronkelijke tekst cursief gedrukt.
Zie Pitlo/Raaijmakers 2000, p. 298.
Artikel 2:114/2:224 lid 2 BW.
Een motie is een (informele) stemming waarmee het standpunt van de aanwezige aandeelhouders met betrekking tot een bepaald onderwerp wordt gepeild. Zie uitgebreid Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 72.
Zie hierover Korthals Altes 1975. Zie ook Plompen 1975, waarin wordt betoogd dat deze gang van zaken steun vond in de literatuur uit die tijd. Ik wijs bijvoorbeeld op Handboek 1968, p. 328: “Zelfs kan de algemene vergadering beslissen, dat aan de aandeelhouder geen gelegenheid zal worden gegeven vragen te stellen. Een dergelijk besluit van de algemene vergadering zal in overeenstemming moeten zijn met de goede trouw. Op deze wijze kan worden verhinderd dat een onredelijke oppositie een behoorlijk verloop van de vergadering frustreert.” Van der Grinten heeft dat standpunt nadien echter bijgesteld, zie Handboek (suppl). 1971, p. 92, waarin hij deze praktijk ‘moeilijk aanvaardbaar’ noemt; en (resoluter) Handboek 1976, p. 323: “De algemene vergadering kan niet rechtsgeldig besluiten dat de individuele aandeelhouder geen inlichtingen mag vragen of dat het bestuur niet behoeft te antwoorden.”
Zie bijvoorbeeld Van Solinge 1994, p. 45, waarin Van Solinge bepleit dat krachtens artikel 2:107/217 lid 2 BW weliswaar alle verlangde inlichtingen aan de algemene vergadering moeten worden verschaft, maar dat er niet staat dat het om de door de algemene vergadering verlangde inlichtingen gaat.
Zie Bloembergen (diss.) 1944, p. 187.
Zie Vletter-van Dort (diss.) 2001, p. 65-66.
Bij de codificatie van het recht op inlichtingen is in de literatuur discussie ontstaan over de vraag of uitsluitend de algemene vergadering – als orgaan – om inlichtingen kan vragen, of dat dit recht ook aan individuele aandeelhouders toekomt.1 Ik ben in de literatuur twee stromingen tegengekomen, die ik in het vervolg zal aanduiden als de ‘Nijmeegse leer’ en de ‘Groningse leer’. Onder de Nijmeegse leer wordt aangenomen dat individuele aandeelhouders om inlichtingen kunnen vragen, terwijl onder de Groningse leer wordt aangenomen dat hiervoor steeds wilsvorming door de algemene vergadering is vereist.
De Nijmeegse leer werd vlak na de invoering van de Structuurwet door de Nijmeegse hoogleraar Van der Grinten gepresenteerd in het supplement bij het Handboek:
“Het wettelijk informatierecht komt slechts toe aan de algemene vergadering, niet aan de individuele aandeelhouder. In de praktijk zullen de inlichtingen steeds gevraagd worden door individuele aandeelhouders. Naar mijn mening moet worden aangenomen, dat ook de individuele aandeelhouder een informatierecht heeft. Het is moeilijk aanvaardbaar, dat de meerderheid van de algemene vergadering zou kunnen beslissen, dat bestuur en raad van commissarissen geen inlichtingen behoeven te geven over aangelegenheden die redelijkerwijs ter kennis van aandeelhouders kunnen worden gebracht.”2
Van der Grinten dichtte aan het wettelijke recht op inlichtingen kortom dezelfde strekking toe als vóór de codificatie. Hij werd hierin gesteund door de Rotterdamse hoogleraar Sanders:
“Al ontbreken de woorden ‘door een aandeelhouder’ vóór de woorden ‘verlangde inlichtingen’, zo neem ik aan dat het artikel moet worden gelezen. (…) De inlichtingen zullen door een aandeelhouder in de A.V.A – en niet daarbuiten om – gevraagd moet worden; zij worden aan de A.V.A. gegeven.”3
Ook Maeijer, een Nijmeegse collega van Van der Grinten, hing de Nijmeegse leer aan. Maeijer liet zich daar eerst enigszins terughoudend over uit,4 maar zou later, in zijn bewerking van de Asser Rechtspersonen, een stellig standpunt innemen:
“In de literatuur is betwist of dit recht toekomt aan de algemene vergadering die daarover zou moeten besluiten, of aan de individuele aandeelhouder. Ik zou in overeenstemming met de praktijk willen verdedigen dat ook de individuele aandeelhouder ter vergadering de in deze bepaling bedoelde bevoegdheid heeft om inlichtingen te verzoeken.”5
Ik begrijp deze Nijmeegse leer zo dat het recht op inlichtingen weliswaar toekomt aan de algemene vergadering als vennootschapsorgaan, maar dat een redelijke en op de praktijk afgestemde uitleg daarvan meebrengt dat ook iedere aandeelhouder, handelend als lid van dat orgaan en derhalve slechts ter vergadering, dit recht kan uitoefenen. In zoverre lijkt de Nijmeegse leer te voorzien in een ‘afgeleid’ recht op inlichtingen voor individuele aandeelhouders ter vergadering. De grondslag voor dat afgeleide recht op inlichtingen voor de individuele aandeelhouder kan worden gevonden in de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.6 Een vergelijkbaar standpunt werd reeds door Van der Grinten ingenomen vóór de codificatie van het recht op inlichtingen.7
De Nijmeegse leer kan worden onderscheiden van een tweede stroming, die ik zal noemen de ‘Groningse leer’. In 1973 presenteerde de Groningse hoogleraar Van Schilfgaarde in de tweede druk8 van zijn handboek ‘Van de BV en de NV’ een strengere interpretatie van het recht op inlichtingen:
“Het bestuur en de r.v.c. zijn verplicht aan de a.v.a. als zodanig – dus niet aan de individuele aandeelhouders (…) – alle door de a.v.a. verlangde inlichtingen te geven, “tenzij een zwaarwichtig belang der vennootschap zich daartegen verzet”. Deze verplichting, die vóór 1971 reeds algemeen werd aangenomen, werd bij de [Structuurwet] met zoveel woorden in de wet (art. 43 lid 2) opgenomen.”9
Van Schilfgaarde kreeg hierin bijval van Löwensteyn in zijn bewerking van het handboek Pitlo Ondernemingsrecht:
“Aan wie komt het recht op inlichtingen toe? Kennelijk aan de aandeelhoudersvergadering als orgaan, niet aan de individuele aandeelhouders.”10
Op de Nijmeegse leer reageerde Löwensteyn als volgt:
“Artikel 107, lid 2, legt het bestuur en de raad van commissarissen immers de verplichting op om aan haar inlichtingen te verschaffen. Natuurlijk is het is het in de regel de individuele aandeelhouder, die ter vergadering om inlichtingen zal verzoeken. Maar nergens in de wet valt te lezen, dat het bestuur en de raad van commissarissen gehouden zijn hem inlichtingen te verstrekken. Wel kan de aandeelhoudersvergadering het verzoek van de individuele aandeelhouder al dan niet op zijn instigatie tot het hare maken.”11
Ook Raaijmakers, die Löwensteyn in 2000 opvolgde als bewerker van Pitlo Ondernemingsrecht, schaarde zich achter de Groningse leer:
“Dit recht op inlichtingen komt toe aan de ava als orgaan. Hier manifesteert zich opnieuw de spanning tussen collectieve wilsvorming van de NV en bescherming van de minderheid.”12
Volgens de Groningse leer is het recht op inlichtingen slechts een recht van de algemene vergadering. In zoverre verschilt zij niet van de Nijmeegse leer. Waar de Groningse leer zich in onderscheidt van de Nijmeegse, is de consequentie die hieraan wordt verbonden: aan de individuele aandeelhouder komt in beginsel geen (‘afgeleid’) recht op inlichtingen toe.
Het voorgaande zou betekenen dat het recht op inlichtingen slechts door de algemene vergadering als orgaan – oftewel ‘in groepsverband’ – zou kunnen worden uitgeoefend. Dit vereist wilsvorming door de algemene vergadering. In haar meest strenge vorm zou derhalve uit de Groningse leer volgen dat het stellen van een vraag ter vergadering steeds een apart besluit van de algemene vergadering vereist. In veel gevallen, zeker bij vennootschappen met een gespreid aandelenbezit, zou daar echter niet rechtsgeldig over kunnen worden besloten aangezien dit een niet-geagendeerd agendapunt betreft.13
Ik lees (met name) Löwensteyn en Raaijmakers zo dat zij een tussenoplossing voorstaan waarin de algemene vergadering bij motie ter vergadering beslist of een bepaalde vraag ‘namens’ de algemene vergadering zou dienen te worden gesteld.14 Wordt die motie aangenomen, dan kan een individuele aandeelhouder – handelend namens de algemene vergadering – de voorgestelde vraag stellen aan de vennootschapsleiding. Wordt de motie verworpen, dan wordt de aandeelhouder het recht ontzegd om een vraag te stellen aan de vennootschapsleiding. Denkbaar is dan ook dat een aandeelhouder het recht op inlichtingen geheel wordt ontzegd door aanname van een daartoe strekkende motie van de algemene vergadering, zoals in 1975 gebeurde bij de vergadering van HAL.15
De Groningse leer is vanuit een grammaticale interpretatie wellicht zuiverder dan de Nijmeegse leer. Het recht op inlichtingen maakt onderdeel uit van een wetsartikel dat de bevoegdheden van de algemene vergadering begrenst, maar geen betrekking heeft op (de rechten van) individuele aandeelhouders. In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 43 lid 2 WvK en de transponering daarvan naar artikel 2:107/217 lid 2 BW is over de positie van individuele aandeelhouders gezwegen. In zoverre is de Groningse leer in ieder geval verdedigbaar, hoewel ook over die grammaticale uitleg kan worden gediscussieerd.16 Geheel nieuw was de Groningse leer overigens niet; reeds in 1944 bepleitte Bloembergen een vergelijkbare toepassing van het ongeschreven recht op inlichtingen.17
Met Vletter-van Dort meen ik echter dat een dergelijke strenge toepassing van de Groningse leer onwenselijk en praktisch moeilijk uitvoerbaar zou zijn.18 Met name bij grote vennootschappen en/of activistische aandeelhouders zou het een ordentelijk verloop van de algemene vergadering kunnen verstoren indien de algemene vergadering herhaaldelijk zou worden onderbroken voor dergelijke moties. Overigens heb ik de indruk dat de aanhangers van de Groningse leer veelal oog hadden voor deze bezwaren en daarom een praktischere oplossing voorstonden, waarbij individuele aandeelhouders alsnog ter vergadering ‘namens’ de algemene vergadering het recht op inlichtingen zouden uitoefenen.