Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/340
340 Vaststelling van de bezoldiging pas rechtsgeldig na formele benoeming
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS369085:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
De raad van commissarissen was weliswaar bevoegd om de bezoldiging van bestuurders vast te stellen, maar de (gedelegeerd) commissaris was niet officieel door de algemene vergadering benoemd als bestuurder en kon dus ook niet als bestuurder worden aangemerkt. Hierdoor was de algemene vergadering bevoegd om de bezoldiging van de commissaris vast te stellen. In 2008 kwam de rechtbank Arnhem al tot dezelfde conclusie, zie Rechtbank Arnhem 9 januari 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BC2569 (NIM), r.o. 4.7.
Zie HR 6 januari 2012, JOR 2012/75 m.nt. Verburg; HR 6 januari 2012, NJ 2012/336 m.nt. PvS (Imeko Holding/B&D Beheer).
Zie HR 6 januari 2012, NJ 2012/336 m.nt. PvS (Imeko Holding/B&D Beheer). Zie overigens ook Rechtbank Amsterdam 15 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7118 (Imeko II) waarin vervolgens besloten werd dat het door de vennootschap tegen de commissaris opgeworpen beroep op onverschuldigde betaling van de beloning in casu naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (ex art. 2:8 lid BW en 6:248 lid 2 BW). Aan de andere kant kan de commissaris geen aanspraak maken op het nog niet verstrekte deel van de beloning, noch op grond van de gestelde ongerechtvaardigde verrijking van de vennootschap ex art. 6:212 BW, noch op grond van de redelijkheid en billijkheid). In hoger beroep oordeelde het hof Amsterdam dat de beloning zonder vennootschappelijke grondslag was en dat, anders dan de rechtbank had beslist, terugvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar was. Hof Amsterdam 23 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1951 (Imeko III), r.o. 3.11.
En mogelijk Boek 3 BW.
In het verlengde hiervan is ook voor het vaststellen van de individuele bezoldiging van een bestuurder van belang dat de bestuurder als zodanig is benoemd. Is de bestuurder immers nog niet formeel benoemd, dan ontbreekt op grond van art. 2:135 lid 4 BW de vertegenwoordigingsbevoegdheid, aangezien deze bevoegdheid slechts betrekking heeft op de bezoldiging van bestuurders. In het Imeko-arrest oordeelde de Hoge Raad dat iemand – in casu een commissaris die tijdelijk bestuurstaken op zich nam – zonder formeel benoemingsbesluit geen bestuurder is en aldus ook niet in aanmerking kan komen voor een bestuurdersbezoldiging.1 Het door de raad van commissarissen genomen bezoldigingsbesluit was derhalve nietig.2 De vaststelling van de bezoldiging van bestuurders en commissarissen dient: “ongeacht de aard van de door hen verrichte werkzaamheden, in het belang van duidelijke verhoudingen binnen de vennootschap op het punt van de bevoegdhedenverdeling, en om belangenconflicten te voorkomen bij de toekenning van de bezoldiging van bestuurders en commissarissen, te geschieden door de in de wet en de statuten aangewezen organen.”3 De vertegenwoordigingsbevoegdheid van het orgaan op grond van art. 2:135 lid 4 BW ontstaat dus pas na formele benoeming van de bestuurder.
Het is naar mijn mening dan ook niet mogelijk dat het op grond van art. 2:135 lid 4 BW bevoegde orgaan een geldige arbeids- of opdrachtovereenkomst met daarin bezoldigingsafspaken sluit met een nog niet benoemde bestuurder zonder opschortende voorwaarde van benoeming op grond van art. 2:135 BW. Immers, de desbetreffende persoon is dan nog geen bestuurder waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het orgaan ontbreekt.
In de praktijk zal het voorkomen dat eerst met een beoogd bestuurder wordt onderhandeld over zijn bezoldiging. Vervolgens wordt de bezoldiging, na vaststelling door de raad van commissarissen, in een overeenkomst opgenomen terwijl daarna pas de bestuurder formeel wordt benoemd. Tot het moment van aanvaarding van een formele benoeming ontbreekt derhalve de vertegenwoordigingsbevoegdheid om de bestuurdersbezoldiging vast te stellen ex 2:135 lid 4 BW. Na aanvaarding vindt mijns inziens bekrachtiging plaats van het bezoldigingsbesluit en de overeenkomst, waardoor de overeengekomen afspraken van kracht worden.
In mijn ogen is er in beginsel dan ook geen sprake van een samenloop tussen Boek 7 en Boek 2 BW, maar spelen mogelijke problemen zich af in een voorstadium, gesitueerd binnen de vertegenwoordigingsvraagstukken van Boek 2 BW.4