De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen
Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/49:49 Repricing in de jaren ’60
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/49
49 Repricing in de jaren ’60
Documentgegevens:
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS369043:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het debat over het repricen van opties wordt aangewakkerd doordat bekend wordt dat bestuurders van Chrysler $4.2 miljoen hebben weten te realiseren door de verkoop van door het aandelenoptieplan verkregen aandelen. Zie Murphy 2012, p. 52.
Daarvoor mocht de uitoefenprijs nog 85% zijn van de aandelenkoers ten tijde van toekenning.
In plaats van de termijn van tien jaar die voordien gold.
Murphy 2012, p. 52.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De korte recessie in de jaren ’60 zorgt voor een voorzichtige verkenning door ondernemingen van de mogelijkheid opties te herprijzen. Vanwege de lage aandelenkoersen worden de uitoefenprijzen van reeds toegekende opties opnieuw vastgesteld op een lagere prijs. Ook komt het voor dat reeds toegekende opties worden vervangen door nieuwe opties met een lagere uitoefenprijs. Deze ‘repricing’ praktijk kan niet bij iedereen op goedkeuring rekenen. Onder de toenmalige President Kennedy wordt de roep om het intrekken van de gunstige belastingregeling voor opties steeds luider, hetgeen uiteindelijk leidt tot het verzoek van Kennedy in 1961 aan het Congres om de gunstige regeling te schrappen. De president wil dat aandelenopties weer gezien worden als bezoldiging waarover overeenkomstig (in die tijd 91%) belasting dient te worden betaald.1 De wens van Kennedy om de gunstige regeling te schrappen wordt weliswaar niet ingewilligd, maar de Revenue Act van 1964 kent wel nieuwe bepalingen voor het toekennen van opties aan bestuurders. Allereerst dienen bestuurders deze opties minimaal drie jaar aan te houden (in plaats van de zes maanden zoals opgelegd door de SEC) om onder de gunstige regeling te vallen. Ook mag de uitoefenprijs niet lager zijn dan 100% van de aandelenkoers bij toekenning van de opties.2 De maximale termijn van toegekende opties wordt verder beperkt tot vijf jaar.3 Ten slotte wordt bepaald dat de uitoefenprijs niet verlaagd kan worden gedurende de looptijd van de optie. Ook kan een bestuurder geen opties uitoefenen als de bestuurder nog beschikt over opties die op een eerder tijdstip aan hem zijn toegekend. Om de opties die aan deze nieuwe criteria voldoen te onderscheiden van de restricted stock options zoals gecreëerd onder de Revenue Act van 1950, worden deze nieuwe opties ‘qualified stock options’ genoemd. Deze qualified stock options zijn een stuk minder populair dan hun voorganger. Belangrijke reden hiervoor, naast voornoemde restricties, is dat met de invoering van de qualified stock options de belasting op inkomsten uit arbeid verlaagd wordt van 91% naar 70%, waardoor de aantrekkelijkheid van het bezoldigen met deze qualified opties ten opzichte van contanten wordt beperkt.4