HR, 10-04-2012, nr. S 10/04520
ECLI:NL:HR:2012:BV8251, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-04-2012
- Zaaknummer
S 10/04520
- LJN
BV8251
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2012:BV8251, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑04‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV8251
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3664, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑10‑2010
- Wetingang
art. 588 Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
NbSr 2012/231
Uitspraak 10‑04‑2012
Inhoudsindicatie
Art. 588.2 Sv. Verzending inleidende dagvaarding naar buitenlands adres van verdachte. Noch de akte uitreiking behorende bij de inleidende dagvaarding, noch de kopie van het register voor aangetekende verzendingen houdt in dat de inleidende dagvaarding naar het adres van verdachte in Curaçao is verzonden. Daaruit volgt dat de inleidende dagvaarding niet is betekend overeenkomstig art. 588 Sv (vgl. HR LJN AD5163, rov. 3.20). Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de inleidende dagvaarding geldig is betekend is derhalve onjuist. De aan de overweging van het Hof ten grondslag liggende opvatting dat de eventuele nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg wordt gedekt door ’s Hofs vaststelling dat verdachte op de hoogte was van het tijdstip van de terechtzitting in eerste aanleg, is eveneens onjuist. Nu de verdachte niet is verschenen op die terechtzitting, doet zich hier niet voor een omstandigheid op grond waarvan de nietigheid van de dagvaarding achterwege kan blijven (vgl. HR LJN AD5163, rov. 3.26 - 3.29).
10 april 2012
Strafkamer
nr. S 10/04520
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 juli 2010, nummer 22/003535-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R. van den Hemel, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof de inleidende dagvaarding ten onrechte niet nietig heeft verklaard nu niet blijkt dat die dagvaarding overeenkomstig art. 588, tweede lid, Sv naar verdachtes adres in Curaçao is verzonden.
2.2. Het Hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen:
"Het hof heeft geconstateerd dat de verdachte op het door hem tijdig bij de Centrale Balie van de rechtbank te Dordrecht ingediende standaardgrievenformulier onder
"Gang van zaken ter terechtzitting
Ik ben niet bij de zitting aanwezig geweest, omdat:"
heeft ingevuld "ik was ongeveer 3 minuten te laat op zitting".
Op grond van deze mededeling van de verdachte stelt het hof vast dat hij op de hoogte was van het tijdstip van de terechtzitting in eerste aanleg op 24 juni 2009."
2.3. De stukken van het geding houden het volgende in:
(i) een akte uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in eerste aanleg, welke inhoudt dat die dagvaarding op 18 juni 2009 is uitgereikt aan de Griffier van de Rechtbank te Dordrecht, "omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is." Die akte houdt voorts in de verklaring van de Officier van Justitie "dat de gerechtelijke brief op 18 juni 2009 als gewone brief is verzonden naar het aan ommezijde vermelde adres van de geadresseerde in het buitenland." Dit "aan ommezijde vermelde adres" betreft evenwel geen buitenlands adres, maar een Nederlands adres, te weten: "[a-straat 1], [plaats]."
(ii) een kopie van een register voor aangetekende verzendingen, inhoudende dat op 18 juni 2009 vanuit Dordrecht een in dat register niet nader omschreven poststuk aangetekend is verzonden naar de verdachte, waarbij als postcode en plaats van bestemming staat vermeld "Curaçao." Deze kopie houdt voorts - voor zover leesbaar - de volgende met de hand geschreven aantekeningen in: "PR 24/06" en "Pr (..) 24/06 14.50 uur."
(iii) zowel het vonnis in eerste aanleg als de bestreden uitspraak is bij verstek gewezen.
2.4. Bij zijn onderzoek naar de naleving van art. 435, eerste lid, Sv heeft de Hoge Raad vastgesteld dat de verdachte bij zijn vertrek uit Nederland naar Curaçao op 11 september 2007 als adresgegevens heeft opgegeven "[b-straat 1], Curaçao" en dat de verdachte met ingang van 23 februari 2010 weer staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Dordrecht.
Noch de hierboven genoemde akte uitreiking, noch de kopie van het register voor aangetekende verzendingen houdt in dat de inleidende dagvaarding naar voornoemd adres van de verdachte in het buitenland is verzonden. Daaruit volgt dat de inleidende dagvaarding niet is betekend overeenkomstig art. 588, tweede lid, Sv (vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.20). Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de inleidende dagvaarding geldig is betekend is derhalve onjuist.
2.5. De aan de overweging van het Hof ten grondslag liggende opvatting dat de eventuele nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg wordt gedekt door 's Hofs vaststelling dat de verdachte op de hoogte was van het tijdstip van de terechtzitting in eerste aanleg, is eveneens onjuist. Nu de verdachte niet is verschenen op die terechtzitting, doet zich hier niet voor een omstandigheid op grond waarvan de nietigheid van de dagvaarding achterwege kan blijven (vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.26 - 3.29).
2.6. Het middel slaagt.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak en de uitspraak van de Politierechter voor zover deze door het Hof is bevestigd;
verklaart de inleidende dagvaarding nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 10 april 2012.
Beroepschrift 28‑10‑2010
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen,
Ondergetekende, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, mr. R. van den Hemel, advocaat te Dordrecht, heeft hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1978 te [land] en wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het gerechtshof te 's‑Gravenhage d.d. 12 juli 2010, en alle door het Hof ter terechtzitting genomen beslissingen.
In genoemd arrest heeft het Hof de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 400,00 subsidiair 8 dagen hechtenis.
Als gronden van cassatie heeft ondergetekende de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 258, 278,280, 585, 588 Sv, doordat het Hof ten onrechte de inleidende dagvaarding geldig heeft geacht althans niet nietig heeft verklaard, terwijl dit wel had dienen te gebeuren nu niet aan de betekeningsvoorschriften is voldaan danwel uit de stukken niet blijkt dat aan de betekeningsvoorschriften is voldaan.
Toelichting
1.1
Uit de zich bij de stukken bevindende GBA-overzicht blijkt dat de verdachte vanaf 11 september 2007 stond ingeschreven in de GBA op een adres in [a-plaats]. Deze inschrijving is geëindigd per 23 februari 2010 met een GBA inschrijving in [b-plaats].
1.2
Uit het proces-verbaal ter terechtzitting blijkt dat de verdachte niet was verschenen ter zitting van de politierechter op 24 juni 2009. De politierechter heeft blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting op vordering van het Openbaar Ministerie vervolgens verstek verleend tegen de verdachte. Verstek mag slechts verleend worden als aan alle betekeningsvoorschriften voldaan is.
1.3
Uit de stukken blijkt niet dat aan de betekeningsvoorschriften van art. 588 lid 2 Sv is voldaan.
Immers, niet blijkt dat de dagvaarding door het Openbaar Ministerie aan het in [a-plaats] bekende adres werd toegezonden. De regeling van art. 588 lid 2 Sv is van toepassing op uitreiking in Curaçao (Hoge Raad 27 februari 2001, NJ 2001/323).
1.4
De politierechter had derhalve geen verstek mogen verlenen maar had de dagvaarding nietig moeten verklaren.
1.5
Gelet hierop had het Hof het vonnis van de politierechter niet mogen bevestigen maar het hof had moeten oordelen dat de inleidende dagvaarding niet rechtsgeldig was betekend, en de inleidende dagvaarding nietig moeten verklaren. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de dagvaarding niet in persoon betekend en is verdachte bij verstek en zonder dat namens hem een raadsman is verschenen veroordeeld. In een dergelijke situatie dient het Hof ambtshalve de geldigheid van de inleidende dagvaarding te onderzoeken. ( HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, ro. 3.28 en 3.29.).
1.6
Het Hof overweegt in het arrest hieromtrent dat het Hof geconstateerd heeft dat de verdachte op het door hem tijdig ingediende standaardgrievenformulier onder ‘gang van zaken ter terechtzitting ik ben niet bij de zitting aanwezig geweest, omdat:’ heeft ingevuld ‘ik was ongeveer 3 minuten te laat op zitting’. Het Hof stelt vast dat de verdachte op de hoogte was van het tijdstip van de terechtzitting in eerste aanleg op 24 juni 2009.
1.7
Het hof miskent hiermee dat dit een omstandigheid was waarmee de politierechter geen rekening mee had kunnen en hoeven houden. Voorts sluit het oordeel van het hof niet uit dat de verdachte niet tijdig op de hoogte was gekomen van de zitting in eerste aanleg en dat de termijn niet in acht was genomen. Voor het beoordelen van de geldigheid van de inleidende dagvaarding diende ter terechtzitting in eerste aanleg uit de betekeningsstukken te blijken dat aan alle betekeningsvoorschriften was gedaan. Nu dit niet blijkt, maakt het in het arrest besloten liggende oordeel dat de inleidende dagvaarding geldig is betekend, onbegrijpelijk.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder het artikel 63 Sr en art. 358 en 423 Sv, doordat het Hof ten onrechte het vonnis van de politierechter heeft bevestigd terwijl de politierechter op straffe van nietigheid artikel 63 Sr buiten toepassing heeft gelaten en/of niet heeft aangehaald en /of het hof ten onrechte artikel 63 Wetboek van Strafrecht niet heeft aangehaald in haar arrest en/of niet heeft doen blijken te hebben onderzocht of de veroordeling van de kantonrechter van 8 juni 2009 op de voet van artikel 63 Sr in rekening hadden behoren te worden gebracht, waardoor het arrest cq. de strafoplegging niet met redenen omkleed is.
Toelichting
2.1
De aan verdachte ten laste gelegde pleegdatum betreft 1 december 2008. De politierechter heeft vonnis gewezen op 24 juni 2009. Het Hof heeft arrest gewezen op 12 juli 2010.
2.2
Gelet op de veroordeling van de kantonrechter d.d. 8 juni 2009 is art. 63 Sr van toepassing.
2.3
Uit de aantekening van het mondeling vonnis blijkt niet dat de politierechter art. 63 wetboek van strafrecht heeft toegepast en/of heeft aangehaald.
2.4
Art. 63 Sr moet vermeld worden in het vonnis op straffe van nietigheid ex art. 358 lid 4 en 5 Sv.
2.5
Het Hof had gelet op deze nietigheid het vonnis van de politierechter niet mogen bevestigen. Het Hof had art. 63 Sr moeten toepassen en/of aanhalen en/of er blijk van hebben moeten geven of de veroordeling van de kantonrechter van 8 juni 2009 op de voet van artikel 63 Sr in rekening hadden behoren te worden gebracht.
2.6
Nu het Hof art. 63 Sr niet aangehaald heeft en/of heeft toegepast, is het arrest cq. de strafoplegging niet met redenen omkleed.
DAT
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Dordrecht, 22 december 2010
Advocaat