Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/6.3.1.2
6.3.1.2 Consistentie
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Er wordt in de juridische literatuur in dit verband ook wel onderscheid gemaakt tussen innerlijke en uiterlijke consistentie. Innerlijke consistentie betreft de consistentie van de verklaring zelf of tussen verklaringen. Uiterlijke consistentie betreft de overeenstemming van details met de inhoud van bewijsstukken. Zie bijv. Garé 1994, p. 72 en De Bock 2011, p. 262. De Bock spreekt van interne en externe consistentie maar doelt op hetzelfde.
Merckelbach e.a. 2003, p. 215.
Odinot, Wolters & Giezen 2012, p. 3.
Zie voor dit begrip § 2.5.1, noot 153.
Wanneer de vraag verandert, wijzigt vaak ook het antwoord. In laboratoriumstudies waarin groepen personen bij twee gelegenheden vragen krijgen voorgelegd, komen reminiscenties twee keer zoveel voor in de groep waarin de formulering van de vraag verschilde dan in de groep waarbij in de tweede test dezelfde vraag werd gesteld (Fisher, Brewer & Mitchell 2009, p. 130).
Fisher, Brewer & Mitchel 2009, p. 129-130.
Candel, Merckelbach & Wessel 2010, p. 484.
Fisher, Brewer & Mitchel 2009, p. 131-132.
DePaulo e.a. 2003, p. 92.
Dit moet echter niet worden geëxtrapoleerd naar de verklaring als geheel (Fisher, Brewer & Mitchell 2009, p. 133).
De rechter kan in dit verband kijken naar de vraagstelling: is er eerder naar dit detail gevraagd, wat voor type vragen zijn gesteld (open of gesloten) en is de getuige aangemoedigd om onzekere antwoorden te geven? (Fisher, Brewer & Mitchel 2009, p. 133).
De volgende dimensie waaraan de kwaliteit van een verklaring wordt afgemeten is de consistentie. Onder het begrip consistentie worden veel verschillende dingen begrepen. In het dagelijks taalgebruik heeft consistentie de betekenis van het vrij zijn van innerlijke tegenspraak. Een verklaring is consistent als deze zichzelf niet tegenspreekt. In het juridisch domein worden verklaringen van getuigen die zichzelf binnen één verhoor of bij opeenvolgende verhoren tegenspreken over het algemeen minder geloofwaardig gevonden.1 In de rechtspsychologische literatuur wordt consistentie vooral gerelateerd aan de mate waarin details die in het ene verhoor naar voren worden gebracht, ook in een volgend verhoor worden genoemd.2 Onderzoek naar het herhaald verhoren van getuigen laat zien dat altijd een natuurlijke variatie valt te constateren in de inhoud van afgelegde getuigenverklaringen. Getuigen die op meerdere momenten worden gehoord, zullen vrijwel nooit volledig gelijkluidende verklaringen afleggen. Immers, aspecten die in het eerste verhoor zijn genoemd, kunnen later mogelijk niet meer worden herinnerd of andersom. Indien in het tweede verhoor details worden herinnerd die in een eerder verhoor niet naar voren zijn gebracht, dan wordt wel gesproken van reminiscence. Op het moment dat informatie bij een tweede verhoor anders wordt herinnerd dan bij het eerste verhoor, dan spreekt men van een inconsistentie in de vorm van een contradictie.3
De vraag is wat het aantreffen van inconsistenties binnen of tussen verklaringen nu zegt over de geloofwaardigheid van die verklaringen. Met andere woorden, wat is de relatie tussen consistentie en de waarheidsgetrouwheid (of ‘algehele accuratesse’4) van de verklaring? Die relatie is tamelijk complex. Dit komt vooral doordat inconsistenties verschillende oorzaken kunnen hebben en dit niet altijd scherp uit elkaar gehouden wordt. Inconsistenties kunnen optreden doordat de getuige zich bepaalde details bij verschillende gelegenheden niet of anders herinnert. Veel van de inconsistenties in de verklaringen van coöperatieve getuigen vallen te verklaren uit de gestelde vragen en de daarin aangeboden ophaalaanwijzingen.5 Inconsistenties kunnen ook optreden doordat de getuige een poging doet om de ander te misleiden en zichzelf daarbij tegenspreekt. Veel in de rechtspraktijk werkzame juristen zullen het beeld herkennen van de ‘draaiende’ verdachte of getuige, die zichzelf voortdurend tegenspreekt en zijn verhaal telkens aanpast op het moment dat hij wordt geconfronteerd met nieuwe informatie waaruit blijkt dat zijn eerdere beweringen niet kunnen kloppen. Inconsistenties ontstaan in dat geval doordat de verklarende persoon zijn verhaal niet kan volhouden. Met andere woorden, inconsistenties kunnen in bepaalde gevallen worden herleid tot het functioneren van het geheugen, terwijl zij in andere gevallen een cognitieve oorzaak hebben, namelijk dat de verklarende persoon er niet in slaagt om zijn verhaal op consistente wijze te presenteren of vol te houden.
Er wordt op deze plek eerst stilgestaan bij consistentie in relatie tot geheugenprocessen en de verklaringen van coöperatieve getuigen die hun best doen een waarheidsgetrouw verslag te geven. Er is ook onderzoek gedaan naar de accuratesse van consistent of niet-consistent gerelateerde informatie. Daaruit blijkt dat consistent herinnerde informatie over het geheel genomen vrij accuraat is. Voor inconsistent gerelateerde informatie ligt dit anders en moet onderscheid worden gemaakt naar het type inconsistentie. Het aantreffen van een inconsistentie in de vorm van een contradictie brengt logischerwijs mee dat slechts een van de beweringen accuraat kan zijn. Reminiscenties zijn meestal redelijk accuraat, maar minder accuraat dan details die consistent worden herhaald of die bij de tweede vragenronde zijn vergeten. Reminiscenties zijn in ieder geval veel accurater dan contradicties.6
Hoewel inconsistente beweringen minder accuraat zijn dan consistente beweringen, wordt aangenomen dat aangetroffen reminiscenties en contradicties geen goede voorspellers zijn van de waarheidsgetrouwheid van de verklaring als geheel. De hoeveelheid inconsistenties in een verklaring zegt vrij weinig over de accuratesse van de overige, wel consistent gerelateerde informatie. Er bestaat wel een zekere correlatie tussen de consistentie en waarheidsgetrouwheid van een verklaring, maar deze is zeer bescheiden.7 Het feit dat een getuige zich bepaalde informatie bij een volgend verhoor anders herinnert of nieuwe informatie naar voren brengt, is op zichzelf geen aanleiding om de verklaring als ongeloofwaardig aan te merken. Coöperatieve getuigen die meer inconsistente beweringen doen, zijn namelijk over de gehele linie niet veel minder accuraat dan getuigen wier verklaringen wel consistent zijn. Een verklaring hiervoor is mogelijk dat verschillende aspecten van een complexe gebeurtenis onafhankelijk van elkaar worden verwerkt en dat de accuratesse van een herinnering aan één component niet zoveel zegt over de accuratesse van een ander geheugenaspect.8
Dan de relatie tussen consistentie en waarheidsgetrouwheid met betrekking tot de verklaringen van getuigen die een poging doen om een ander te misleiden. Zijn hun verklaringen minder consistent dan van personen die oprecht een waarheidsgetrouw verslag doen? Onderzoek van DePaulo en collega’s naar verbale leugendetectie laat zien dat verklaringen van personen die gevraagd worden te liegen meer interne discrepanties bevatten en ambivalenter zijn dan verklaringen afkomstig van personen die een waarheidsgetrouw verslag doen van een gebeurtenis.9 Echter, uit het feit dat een persoon telkens gelijkluidende verklaringen aflegt, kan niet worden afgeleid dat hij de waarheid spreekt. Immers, op het moment dat iemand telkens exact hetzelfde verhaal vertelt, kan men zich afvragen of dit niet is ingestudeerd of is afgestemd op een ander.
Geconcludeerd kan worden dat aan de hand van de consistentie of inconsistentie van een verklaring niet zoveel valt te zeggen over de geloofwaardigheid van de verklaring als geheel. Echter, er kan wel iets worden gezegd op het niveau van de individuele bewering. Inconsistent gerelateerde informatie is minder accuraat dan consistent gerelateerde informatie. Inconsistenties zijn daarmee diagnostisch voor fouten.10 De mate waarin dat het geval is, is afhankelijk van het soort inconsistentie: reminiscenties zijn over het algemeen accurater dan contradicties. Op het moment dat men inconsistent gerelateerde informatie voor het bewijs wil gebruiken ligt het voor de hand dat nader onderzoek wordt gedaan naar de mogelijke oorzaak voor het optreden daarvan.11
Duidelijk is in ieder geval dat als een getuige zichzelf tegenspreekt op een belangrijk punt of een bepaald detail pas na herhaald verhoren naar voren komt, dat behoedzaamheid op zijn plaats is.