Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.4.1:4.4.1 Recidivisten en veelplegers
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.4.1
4.4.1 Recidivisten en veelplegers
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200810:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een meerderheid van de ondervraagde politiemensen heeft vooral problemen met de strafrechtelijke reacties op veelvoorkomende delicten, waaronder winkeldiefstallen, autokraken en drugshandel. Bescherming van de samenleving wordt door veel politiemensen genoemd als strafdoel dat met name in gevallen van recidive een veel belangrijker rol zou moeten krijgen. Een ploegchef opsporing verwijst naar een voorbeeld waarmee hij in zijn werk te maken heeft:
‘We hebben hier een kerel lopen die drie, vier keer per jaar zijn partner belaagt en mishandelt, tot insmeren met poep. Drie tot vier keer per jaar wordt hij gepakt en dan krijgt hij weer [voorlopige hechtenis met] schorsende voorwaarden en misschien een keer een half jaar [gevangenisstraf]. Geef hem nou ‘ns de hoofdprijs en douw hem een keer voor de maximumstraf weg. Ik ben niet voor het Amerikaanse systeem: three strikes out. Ik heb weleens stukjes gezien op TV. Twee keer wat gepikt en een derde keer een pakje kauwgom en je zit levenslang. Dat is niks, maar op zijn tijd mag best strenger gestraft worden. Vooral bij delicten waar de maatschappij last van heeft, woninginbraken, straatroven en geweldszaken. Maar ook zware delicten mogen best zwaarder. Ik zeg niet dat het helpt, maar het is ook voor de bescherming van de samenleving.’
Veel politiemensen zijn teleurgesteld over de manier waarop strafrechtelijk wordt gereageerd op recidivisten en met name veelplegers. Politiemensen menen dat er hogere straffen moeten worden opgelegd bij recidive, bijvoorbeeld bij huiselijk geweld, maar ook bij andere zaken zoals het zich telkens weer schuldig maken aan handel in drugs:
‘We hebben een jongen aangehouden voor handel in harddrugs. Hij (…) wordt na negentig dagen weer in vrijheid gesteld. Je wordt dan tijdelijk vastgezet [voorlopig gehecht] en dat was in dit geval ook zijn straf [omdat het ging om een ‘first offender’]. Nog geen maand later wordt hij wederom aangehouden met verdovende middelen. Je slaat niet iemand dood en ze hebben geen kilo’s bij zich maar het zijn wel feiten waar in de Opiumwet zes jaar of meer op staat en in deze zaken gaan ze dus steeds drie maanden vast. Ik denk dat deze persoon er bewust voor kiest en eigenlijk gewoon zijn brood verdient als crimineel. Hij wordt niet voor niets aangehouden, dan vind ik dat hij wel een jaar of anderhalf moet krijgen. Dat zou wel de minimumstraf moeten zijn als je voor de tweede of de derde keer gepakt wordt.’
Ook in gevallen waarin veelal verslaafde veelplegers zich schuldig maken aan een ‘eindeloze hoeveelheid kleine diefstalletjes’, vinden veel van deze politiemensen dat rechters te licht straffen:
‘Kijk ik naar de rechter, dan krijg ik echt het idee dat die licht straft. Nadat een junk, een winkeldief, voor de honderdste keer is gepakt en naar justitie gaat, wordt er gezegd: ‘Nu moet u er maar eens van leren, een maand gevangenisstraf.’ Dan denk ik, wat leer je daar nou van? Dat gaat nergens over. Draaideurfiguren die voor veel overlast zorgen, winkeldiefstallen plegen en ons veel werk bezorgen. Wat je bereikt door iemand op deze manier een sanctie mee te geven, dat is nihil want ze gaan toch maar door. De politie is voor 90 procent van de tijd met hen bezig.’
‘Wij vinden de strafmaat te laag bij de lichtere delicten. Bijvoorbeeld een inbraak. Gasten die na de dertigste keer weer een kans krijgen. Veelplegers die hier bijna dagelijks binnen zitten en toch maar weer een kans krijgen, daar zijn we klaar mee. Dat begrijpen we niet en dat gaan we niet begrijpen ook.’
Uit de interviews komt naar voren dat men de straf te laag vindt, niet alleen omdat deze niet tot verandering van het gedrag zou leiden, maar ook omdat men de strafoplegging vaak frustrerend en soms ook demotiverend voor het eigen werk vindt.
‘Het leeuwendeel van de strafbare feiten, winkeldiefstal, mishandeling met een klap over en weer, vernieling, die straffen zijn over het algemeen laag vinden wij. Op een gegeven moment kan er wel gevangenisstaf worden opgelegd maar wij zitten met de frustratie. Wij houden bijvoorbeeld ’s nachts een inbreker aan met laptops en sieraden, vlak voordat hij zijn woning ingaat en we hebben daar ook een inbraak bij. Dan krijgt hij twee maanden. Dan denk je twee maanden is leuk, maar de man is veertig keer veroordeeld voor inbraken. Dan wordt het toch wel eens tijd om langer te straffen.’
Sommige politiemensen vinden dat in geval van recidive vaker de maximumstraf opgelegd moet worden. Anderen zijn van mening dat alleen een langere vrijheidsstraf onvoldoende is om recidive effectief tegen te gaan. Hierop sluit aan de grote steun die de ISD-maatregel geniet onder politiemensen. De opvatting is echter vaak dat deze nog te weinig effect heeft en dat het te lang duurt voordat een veelpleger deze maatregel krijgt opgelegd. Veel ondervraagde politiemensen vinden het wel van belang dat ondersteuning wordt geboden aan deze categorie delinquenten. Ze zijn echter tegelijkertijd van mening dat in de huidige samenleving een zodanig mild strafklimaat heerst dat veel criminelen zich maar weinig aantrekken van het strafrecht. Het afschrikeffect zou vergroot moeten worden. Daarbij wordt voornamelijk gewezen op de hoogte van de straffen en minder op het belang van de snelheid waarmee een sanctie volgt op het gepleegde delict. Dat wil niet zeggen dat politiemensen hieraan geen belang hechten. Zo geven velen van hen bijvoorbeeld aan ZSM een waardevol initiatief te vinden.