Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.1:5.1 Opvattingen over het functioneren van het strafrechtsysteem
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.1
5.1 Opvattingen over het functioneren van het strafrechtsysteem
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200807:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit is een verschil met dertig jaar geleden. Tijdens het onderzoek van Van de Bunt (1985) over officieren van justitie presenteerden zij zich meestal als ‘genuanceerd’ en terughoudend in strafrechtelijk optreden (zie ook hoofdstuk 2).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De meerderheid van de geïnterviewde officieren van justitie zegt tevreden te zijn over het functioneren van het strafrecht. Echter, sommigen zeggen zich in individuele gevallen niet te kunnen vinden in strafrechtelijke beslissingen van rechters. Daarbij valt op dat officieren van justitie zich veelal op concrete ervaringen baseren. Een duidelijk verschil met de geïnterviewde en geënquêteerde politiemensen, die hun opvattingen voor een deel niet op concrete strafzaken, maar op beeldvorming lijken te baseren (zie hoofdstuk 4). Enkele officieren van justitie geven aan met hoog oplopende frustraties te maken te hebben.
‘Ik ben er soms zo kwaad over! Een vrijspraak in een mensenhandelzaak bijvoorbeeld. (…) Wel denk ik nog steeds dat ik het onrecht bestrijd en het geeft me een enorme voldoening als ik het leed dat mensen is aangedaan, iets kan verzachten. Maar ja, vaak krijgen de daders niet zo’n fatsoenlijke straf en dat is de grote frustratie van dit vak.’
Sommige officieren van justitie uiten ook kritiek op het functioneren van politie en OM. Met name krijgt de bestrijding van georganiseerde criminaliteit en complexe financiële delicten kritiek. Daarbij bestaat het gevoel dat criminaliteit voor een deel ongemoeid wordt gelaten. Een officier van justitie:
‘De achterliggende [georganiseerde] criminaliteit bij hennep, maar ook grote financiële fraudes, de milieufraudes, daar hebben we nog een wereld te winnen. We richten ons op symptoombestrijding en we pakken de domme boeven en niet de slimme.’
Door de bank genomen zijn officieren van justitie tevreden en ziet men vaak weinig mogelijkheden tot verbetering. Opvallend is dat kritische opvattingen zich niet beperken tot de andere onderzochte groepen, maar ook (zoals hierna nog regelmatig aan de orde zal komen) betrekking hebben op collega-officieren.
Voor de meeste geïnterviewde officieren van justitie is de onvrede onder politiemensen over het functioneren van het strafrechtsysteem geen verrassing. Sommigen geven zelfs aan dat deze onvrede algemeen bekend is. Wel zegt men vaak verbaasd te zijn over de omvang van de onvrede onder politiemedewerkers, zoals is besproken in het vorige hoofdstuk. Ook wordt de onvrede onder politiemensen wel door officieren van justitie gerelativeerd, bijvoorbeeld door aan te geven dat politiemensen vaak na enige uitleg best bereid zijn hun kritische opvattingen bij te stellen:
‘Ik herken het heel erg en merk dagelijks dat ze er weinig vertrouwen in hebben. Maar ik maak ook mee dat naarmate ze dichterbij het werk van officieren en rechters kruipen, ze er meer begrip voor krijgen.’
Met name een aantal officieren met ervaring binnen ZSM en met het aansturen van zaken van veelvoorkomende criminaliteit (zoals bijvoorbeeld woninginbraak of winkeldiefstal) is bekend met onvrede over de strafrechtspleging onder politiemensen.
‘Je ziet de onvrede vooral bij politieteams die de veelvoorkomende zaken moeten doen. De winkeldiefstallen, de draaideurcriminelen. In specialistische teams voor grootschalige- en themaonderzoeken zit men dichter tegen het OM aan. En weten ze beter wat er voor nodig is om een strafzaak te kunnen opbouwen. (…) Maar ook in de hogere regionen kom je wel onvrede tegen.’
Sommige officieren van justitie bespeuren geen onvrede in de houding van de politiemensen waarmee zij werken. In deze gevallen is meestal sprake van een meer structurele samenwerkingsrelatie tussen de betreffende officier en (vaak een gespecialiseerd) opsporingsteam. Hierdoor lijkt de officier beter in staat duidelijkheid te scheppen over wat er van de politie wordt gevraagd en tevens over wat van de strafrechtspleging kan worden verwacht. Regelmatig noemen officieren van justitie de volgens hen te hoge verwachtingen die politiemensen hebben van de strafrechtspleging. Een officier beschouwt het omgaan met deze verwachtingen van politiemensen, bijvoorbeeld door het geven van uitleg, als onderdeel van haar werk:
‘De verwachtingen zijn inderdaad wel anders dan wat de strafrechtspraktijk doet. Je bent er als officier druk mee dat verschil te overbruggen.’
Niet altijd denken officieren van justitie en politiemensen verschillend. Ook lijken de verwachtingen van politiemensen een rol te spelen in hoe officieren van justitie zelf tegen juridische beslissingen aankijken. Zo geven sommige officieren van justitie aan geen onnodige belemmeringen op te willen werpen voor de opsporing. Een leidinggevende zegt dat er bij ‘gevoelige’, grote opsporingsonderzoeken binnen zijn team rekening mee wordt gehouden dat daar opsporingstechnisch gezien vooruitstrevende en juridisch soepele en ‘pionierende’ collega’s worden ingezet. Hij wil vermijden voor dergelijke onderzoeken een officier verantwoordelijk te maken die bekend staat als kritisch bij het toestaan van opsporingsbevoegdheden aan de politie.
Juridische mogelijkheden die er zijn moeten ook worden benut, in het belang van het effectief opsporen en straffen van criminelen,– zo is de opvatting van een deel van de geïnterviewde officieren van justitie. Daaraan voegt een officier toe dat door zo te denken een prettige samenwerkingsrelatie met de politie ontstaat. Het spanningsveld tussen due process en crime control waarden wordt hier zichtbaar: er is spanning tussen officieren die waar mogelijk terughoudend willen zijn in strafrechtelijk optreden (zoals in het due process model) en een groep officieren die juridische mogelijkheden zoveel mogelijk wil aanwenden, om niet de kans te lopen beperkingen aan criminaliteitsbeheersing op te leggen (crime control).1 In lijn hiermee blijken officieren van justitie en politiemensen het soms ook met elkaar eens in hun kritiek op de manier waarop de strafrechtspleging functioneert.