Zie alleen al zeer recente zaken als HR 11 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:536 en HR 16 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:722.
HR, 26-09-2023, nr. 21/02773
ECLI:NL:HR:2023:1305
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-09-2023
- Zaaknummer
21/02773
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1305, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑09‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:620
ECLI:NL:PHR:2023:620, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 27‑06‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1305
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑11‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0155
Uitspraak 26‑09‑2023
Inhoudsindicatie
Rijden tijdens ontzegging rijbevoegdheid, art. 9.1 WVW 1994. Bewijsklacht. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat hem de bevoegdheid tot besturen van motorrijtuigen was ontzegd? HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Anders dan bij ongeldigverklaring rijbewijs (art. 9.2 WVW 1994), bepaalt art. 180.3 WVW 1994 voor OBM (art. 9.1 WVW 1994) dat tenuitvoerlegging pas kan geschieden nadat daarover “in persoon” een schrijven is uitgereikt. Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte op 16-11-2017 snorfiets heeft bestuurd “gedurende tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd”. Hof heeft aldus geoordeeld dat OBM op 16-11-2017 van kracht was. Daarin ligt besloten dat in art. 180.3 WVW 1994 bedoeld schrijven in persoon aan hem is uitgereikt. Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bevoegdheid tot besturen van motorrijtuigen was ontzegd. Bewezenverklaring is in zoverre toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/02773
Datum 26 september 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 juni 2021, nummer 21-006785-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit het door het hof gebruikte bewijsmiddel niet kan volgen dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd.
2.2
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 12 en 13.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2023.
Conclusie 27‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Rijden tijdens ontzegging rijbevoegdheid, art. 9.1 WVW 1994. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte 'wist of redelijkerwijs moest weten' van OBM? Anders dan bij ongeldigverklaring rijbewijs (art. 9.2 WVW 1994), bepaalt art. 180.3 WVW 1994 voor OBM (art. 9.1 WVW 1994) dat tenuitvoerlegging pas kan geschieden nadat daarover 'in persoon' een schrijven is uitgereikt. Strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/02773
Zitting 27 juni 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 23 juni 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens “overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het middel klaagt dat uit het (enige) voor het bewijs gebruikte bewijsmiddel niet kan blijken dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij, op 16 november 2017 te Amersfoort, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de Sara Burgerhartsingel, een motorrijtuig, (snorfiets), heeft bestuurd.”
5. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op het volgende bewijsmiddel:
“Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], agent van Politie Eenheid Midden-Nederland, district Oost-Utrecht, en [verbalisant 2], hoofdagent van Politie Eenheid Midden-Nederland, district Oost-Utrecht, opgemaakte, genummerd PL0900-2017373161-2, gesloten en getekend op 11 december 2017 te Amersfoort, als bijlage (pagina ??) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende het verhoor van verdachte op 8 december 2017 – zakelijk weergegeven –:
De bevindingen van voornoemde verbalisanten, pagina 5:
‘wij, verbalisanten, reden op 16 november 2017, omstreeks 14:45 uur, op de Sarah Burgerhartsingel in de richting van winkelcentrum Schothorst. Ter hoogte van Oudegein zagen wij een witte Vespa scooter in tegengestelde richting rijden. Ik, [verbalisant 1], keek naar de bestuurder en herkende de bestuurder zijnde: [verdachte], geboren op [geboortedatum]-1996. Ik herkende de bestuurder doordat ik hem 13 november 2017 ook staande had gehouden voor het rijden van een snorfiets terwijl hij een volledig ontzegd rijbewijs had tot en met 14 maart 2018. Ik zag dat [verdachte] mij aankeek. Ik keek over mijn schouder en zag het kenteken van de witte Vespa bleek te zijn: [kenteken]. Ik, [verbalisant 2] draaide het voertuig. Wij zagen dat hij via de Oudegein de Oversticht op reed. Vervolgens hebben wij het voertuig en de bestuurder niet meer aangetroffen’.”
6. Voor de bespreking van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- Art. 9 lid 1 en 2 WVW 1994:
“1. Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, verboden gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid is ontzegd, op de weg een motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen.
2. Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen. Hetzelfde verbod geldt voor degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, tenzij aan hem, nadat hij aan deze voorwaarden heeft voldaan, een ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven.”
- Art. 180 lid 1 en 3 WVW 1994:
“1. Voor wat betreft de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is artikel 6:1:16, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op rechterlijke uitspraken niet van toepassing. Een strafbeschikking houdende deze bijkomende straf is in zoverre eerst voor tenuitvoerlegging vatbaar als geen verzet meer kan worden gedaan.
[…]
3. Indien de rechterlijke uitspraak of strafbeschikking voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, geschiedt de tenuitvoerlegging niet dan nadat aan de veroordeelde in persoon een schrijven is uitgereikt, volgens de artikelen 36d en 36e van het Wetboek van Strafvordering, waarin het tijdstip van ingang en de duur van de ontzegging, de verplichting tot inlevering van het rijbewijs uiterlijk op dat tijdstip, alsmede het gevolg van niet tijdige inlevering worden medegedeeld.”
7. De stellers van het middel richten hun pijlen op het bewijs van het bestanddeel “weet of redelijkerwijs moet weten”. In de toelichting op het middel doen zij een beroep op de jurisprudentie die is ontwikkeld in het kader van art. 9 lid 2 WVW 1994, welke bepaling ziet op het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs, terwijl de verdachte in de onderhavige zaak is veroordeeld wegens overtreding van art. 9 lid 1 WVW 1994, dat betrekking heeft op het rijden tijdens een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (hierna: OBM). Een en ander werpt de vraag op of dit verschil maakt voor de bewijsvoering van voormeld bestanddeel.
8. Van art. 9 lid 2 WVW 1994 zal bekend zijn dat het bestanddeel “weet of redelijkerwijs moet weten” in cassatie vaker ter discussie is gesteld en ook regelmatig tot vernietigingen heeft geleid.1.Daarentegen zijn zaken over art. 9 lid 1 WVW 1994 veel schaarser. Dat zou – zonder kennis van de verdere context – opvallend genoemd kunnen worden. Zowel voor lid 1 als voor lid 2 geldt immers op gelijke voet dat moet worden vastgesteld dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” van de OBM (lid 1) of van de ongeldigverklaring (lid 2).
9. Dat het bewijs van het bestanddeel “weet of redelijkerwijs moet weten” in verband met art. 9 lid 2 WVW 1994 in cassatie regelmatig tot discussie heeft geleid, terwijl het gelijkluidende bestanddeel van lid 1 van dat artikel nauwelijks in cassatie aan de orde komt, kan zijn verklaring vinden in de manier waarop de OBM enerzijds en de ongeldigverklaring anderzijds aan de (latere) verdachte bekend is gemaakt. Ik licht dat verschil nader toe, omdat dit bepaald van belang zal blijken voor de onderhavige zaak.
10. De ongeldigverklaring van het rijbewijs – die dus in art. 9 lid 2 WVW 1994 centraal staat – is een bestuursrechtelijke beslissing en de bekendmaking daarvan gebeurde tot voor kort per gewone en per aangetekende brief.2.Die manier van bekendmaking was voldoende om de ongeldigheid van het rijbewijs volgens de toepasselijke regels van het bestuursrecht “van kracht” te laten worden, maar wil nog niet zeggen dat de betrokkene ook daadwerkelijk kennis heeft genomen van de inhoud van de brief en dus “wist of redelijkerwijs moest weten” van die ongeldigverklaring.3.Bij deze manier van bekendmaking blijkt het bewijzen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van de ongeldigverklaring – gelet op de vele vernietigingen in cassatie – bepaald geen sinecure. Tegelijk heeft de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 9 juli 2019 over art. 9 lid 2 WVW 1994 een – in mijn ogen betrekkelijk simpele – oplossing voor deze bewijsproblematiek gepresenteerd.4.De Hoge Raad overweegt in de laatste zin van rechtsoverweging 2.4.4 namelijk dat het “[o]pmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden”.5.Kortom, een uitreiking aan de verdachte in persoon is voldoende grond voor het oordeel dat hij vervolgens “wist of redelijkerwijs moest weten” van het besluit tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
11. Welnu, dat laatste lijkt mij precies de reden waarom het betreffende bestanddeel zo weinig vragen oproept in verband met art. 9 lid 1 WVW 1994. Op grond van art. 180 lid 3 WVW 1994 geldt immers dat de tenuitvoerlegging van de OBM pas kan geschieden nadat in persoon een schrijven – waarin onder meer het tijdstip van ingang en de duur van de ontzegging staan vermeld – is uitgereikt aan degene die de OBM opgelegd heeft gekregen. Een uitreiking in persoon is dus een constitutief vereiste voor het “van kracht” worden van de OBM.
12. Wat betekent het voorgaande voor de onderhavige zaak? Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte op 16 november 2017 een snorfiets heeft bestuurd “gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd”. Het hof heeft aldus geoordeeld dat de OBM op 16 november 2017 van kracht was,6.in welk oordeel besloten ligt dat het in art. 180 lid 3 WVW 1994 bedoelde schrijven in persoon aan hem is uitgereikt. Gelet op het hiervoor aangehaalde overzichtsarrest van de Hoge Raad van 9 juli 2019, kan hieruit worden afgeleid dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd. De bewezenverklaring is in zoverre toereikend gemotiveerd.
13. Nu de stellers van het middel zich uitsluitend keren tegen de bewezenverklaring van het bestanddeel “wist of redelijkerwijs moest weten” en niet tegen het oordeel van het hof dat de ontzegging op 16 november 2017 van kracht was, faalt het middel.
Het tweede middel
14. Het middel bevat de klacht dat er sprake is van overschrijding van de inzendtermijn, zodat de redelijke termijn is geschonden.
15. Namens de verdachte is op 30 juni 2021 cassatie ingesteld. De inzendtermijn bedraagt acht maanden, terwijl de stukken van het geding pas op 31 augustus 2022 bij de griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
16. Voorts merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat ook in dit opzicht inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht.
17. Nu de opgelegde gevangenisstraf twee weken bedraagt, kan in cassatie – gelet op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad daaromtrent – worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.7.
Slotsom
18. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt, maar behoeft niet tot cassatie te leiden.
19. Naast hetgeen ik hiervoor onder randnummer 16 heb opgemerkt over de overschrijding van de redelijke termijn, heb ik ambtshalve geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑06‑2023
Volgens een nieuwsbericht op de site van het CBR d.d. 29 augustus 2022 wordt “vanaf 1 september 2022 – naast een aangetekende brief – ook persoonlijk een brief overhandigd” aan de bestuurder wiens rijbewijs ongeldig is verklaard.
Het voert te ver en is bovendien onnodig om in detail op deze werkwijze en alle consequenties daarvan in te gaan. Daarvoor verwijs ik naar de uitgebreide conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld ECLI:NL:PHR:2019:349, onder 8, die voorafging aan HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, NJ 2019/454, m.nt. W.H. Vellinga.
Zie HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, NJ 2019/454, m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.4.4.
Zoals ik hierboven in voetnoot 2 al opmerkte, is deze duidelijke hint van de Hoge Raad over de wijze van bekendmaking van de ongeldigverklaring van het rijbewijs inmiddels door het CBR opgepikt.
Dit vindt ook bevestiging in het Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 mei 2021 dat zich bij de stukken bevindt.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.6.2 onder C.
Beroepschrift 16‑11‑2022
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Betekening aanzegging: 30 september 2022
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20210238
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden d.d. 23 juni 2021, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 9 WvW, 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte op 16 november 2017 te Amersfoort, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de Sara Burgerhartsingel, een motorrijtuig, (snorfiets), heeft bestuurd.
Uit het (enige) voor het bewijs gebruikte proces-verbaal blijkt slechts dat verbalisanten op 16 november 2017 hebben waargenomen dat verdachte een witte Vespa heeft bestuurd, maar niet dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd. Gelet hierop is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is tenlastegelegd, dat:
‘hij, op of omstreeks 16 november 2017 te Amersfoort, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de Sara Burgerhartsingel, een motorrijtuig, (snorfiets), heeft bestuurd’
1.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 juni 2021 is onder meer gerelateerd:
‘De raadsvrouw deelt mede dat het appel is gericht op de bewezenverklaring en ten tweede op de strafmaat.
()
Wegens gerede twijfel vraag ik u cliënt vrij te spreken. ()’
1.3
In het arrest d.d. 23 juni 2021 heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘hij, op 16 november 2017 te Amersfoort, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de Sara Burgerhartsingel, een motorrijtuig, (snorfiets), heeft bestuurd.’
1.4
Ten aanzien van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen is in het arrest vermeld:
‘3. Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring.
De verdediging heeft aangevoerd dat er niet voldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring van het feit te komen.
Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de hieronder opgenomen bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging, waarin wordt gesteld dat de afstand van 10 a 15 meter voor de verbalisant te ver is geweest om de verdachte te herkennen. Het hof acht de afstand niet te ver om een persoon te kunnen herkennen en acht de verklaring van verbalisant dat hij de verdachte heeft herkend, gelet op het feit dat de verbalisant verdachte ambtshalve kende en kort daarvoor al eerder had staandegehouden, geloofwaardig.
Ten aanzien van het bewezenverklaarde:
waarbij ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts wordt gebezigd voor het bewijs waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft:
Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], agent van Politie Eenheid Midden-Nederland, district Oost-Utrecht, en [verbalisant 2], hoofdagent van Politie Eenheid Midden-Nederland, district Oost-Utrecht, opgemaakte, genummerd PL0900-2017373161-2, gesloten en getekend op 11 december 2017 te Amersfoort, als bijlage (pagina ??) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudende het verhoor van verdachte op 8 december 2017 -zakelijk weergegeven -:
De bevindingen van voornoemde Verbalisanten, pagina 5:
‘Wij, verbalisanten, reden op 16 november 2017, omstreeks 14:45 uur, op de Sarah Burgerhartsingel in de richting van winkelcentrum Schothorst. Ter hoogte van Oudegein zagen wij een witte Vespa scooter in tegengestelde richting rijden. Ik, [verbalisant 1], keek naar de bestuurder en herkende de bestuurder zijnde: [verdachte], geboren op [geboortedatum]-1996. Ik herkende de bestuurder doordat ik hem 13 november 2017 ook staande had gehouden voor het rijden van een snorfiets terwijl hij een volledig ontzegd rijbewijs had tot en met 14 maart 2018. Ik zag dat [verdachte] mij aankeek. Ik keek over mijn schouder en zag het kenteken van de witte Vespa bleek te zijn: [kenteken]. Ik, [verbalisant 2] draaide het voertuig. Wij zagen dat hij via de Oudegein de Oversticht op reed. Vervolgens hebben wij het voertuig en de bestuurder niet meer aangetroffen’.
De inhoud van voormelde bewijsmiddelen levert op de redengevende feiten en omstandigheden waarop na te melden bewezenverklaring steunt, dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan.’
1.5
Artikel 9 lid 2, eerste volzin, Wegenverkeerswet 1994 luidt:
‘Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen.’
1.6
In een recent overzichtsarrest heeft de Hoge Raad de eisen die gesteld worden aan de bewijsvoering ter zake van art. 9, tweede lid, WVW uiteengezet en deze onderverdeeld in drie stappen.1. In de onderhavige zaak gaat het om het bewijs van het bestanddeel ‘weet of redelijkerwijs moet weten’, oftewel de derde stap in dit door de Hoge Raad gepresenteerde stappenplan. Uit de bewijsvoering zal in gevallen als de onderhavige volgens de Hoge Raad moeten kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat art. 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; een dergelijk vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van art. 107 WVW 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daaromtrent niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, noch uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. art. 124, vierde lid, onderscheidenlijk art. 132, vijfde lid, WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard2.. Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden.3.
1.7
Bij de vraag of is voldaan aan het vereiste dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, is van belang dat de enkele omstandigheid dat een verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit (meermaals) is veroordeeld voor het rijden zonder een geldig rijbewijs daarvoor niet toereikend is.4.
1.8
Uit het (enige) voor het bewijs gebruikte proces-verbaal5. blijkt slechts dat verbalisanten op 16 november 2017 een witte Vespa heeft bestuurd, maar niet dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd. Gelet hierop is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Middel II
Op 30 juni 2021 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Het hof heeft de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad gezonden, nu de Hoge Raad de stukken pas op 31 augustus 2022 heeft ontvangen, zodat de redelijke termijn van de berechting is geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.
Toelichting
2.1
Op 30 juni 2021 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Op 1 juli 2021 hebben de raadslieden van verdachte zich bij de Hoge Raad als advocaten voor verdachte gesteld. De stukken van het geding zijn op 31 augustus 2022 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Op grond van deze omstandigheid heeft het hof de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad gezonden, zodat de redelijke termijn van de berechting is geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.6.
2.2
Indien het arrest van het hof niet reeds vanwege het hier bovenstaande middel moet worden vernietigd, wordt het volgende opgemerkt. Niet kan worden gesteld dat verdachte onvoldoende belang heeft bij zijn klacht nu hij veroordeeld is tot een gevangenisstraf van minder dan 1 maand. Door de advocaat-generaal is een taakstraf gevorderd terwijl de verdediging bepleit heeft verdachte geen gevangenisstraf op te leggen zodat in deze zaak wijziging van de kort durende vrijheidsstraf in een taakstraf voor de hand ligt, zodat het arrest moet worden vernietigd en naar het hof moet worden teruggewezen. Indien de Hoge Raad de zaak niet zal willen terugwijzen zal de Hoge Raad zelf de straf kunnen/moeten wijzigen in een taakstraf.
2.3
Aan de verdachte zal niet kunnen worden tegengeworpen dat hij onvoldoende belang heeft bij zijn klacht nu hij zelf de oorzaak zou zijn geweest van de schending van de redelijke termijn door het instellen van het beroep in cassatie. De raadslieden van verdachte zijn immers pas in staat geweest de stukken van de zaak te bestuderen nadat hen de stukken waren toegezonden. Voorts zijn de raadslieden pas in staat geweest een cassatieschriftuur in te dienen nadat de aanzegging van de Hoge Raad was betekend. De Hoge Raad is daartoe pas in staat geweest nadat het hof de stukken van het geding naar de Hoge Raad had gezonden. Dit houdt in dat de schending van de redelijke termijn te wijten is aan de te late inzending van het dossier door het hof.
2.4
Van belang is voorts het volgende. In zijn arrest van 11 september 2012 heeft de Hoge Raad gesteld klachten over schending van de redelijke termijn af te zullen doen m.b.v. art. 80a RO, indien in die zaken alleen zou worden geklaagd over schending van de redelijke termijn, of indien in die zaken ook over andere kwesties zou worden geklaagd, welke klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.7. Op Nederland rust evenwel de plicht de rechtspleging zo in te richten, dat procedures binnen een redelijke termijn worden afgewikkeld.8. Geconstateerd moet worden dat Nederland, ondanks meerdere pogingen daartoe, er nog steeds niet in is geslaagd er zorg voor te dragen dat in de cassatieprocedures de Hoge Raad uitspraak doet binnen de vereiste redelijke termijn. Integendeel. In 2014 heeft de raadsman van verdachte in 39 strafzaken ook geklaagd over schending van de redelijke termijn. In 2015 heeft de raadsman in 43 cassatieprocedures (onder meer) geklaagd over schending van de redelijke termijn na het instellen van cassatie. In 2016 en 2017 is beide jaren meer dan 50 keer geklaagd over de schending van de redelijke termijn, terwijl in 2018 hieromtrent meer dan 60 klachten zijn ingediend. In 2019 zijn maar liefst 75 klachten ingediend over de schending van de redelijke termijn. Bij deze aantallen zijn dus niet zaken meegerekend waarin geen (andere) klacht in de cassatieprocedure kon worden gevoerd. Ook in de nabije toekomst behoeft een verbetering niet te worden verwacht. Zo blijkt uit het in 2014 verschenen rapport ‘Werkdruk bewezen’ van de NVvR dat een te hoge werkdruk de kwaliteit van de rechtspraak ondergraaft. Overigens heeft de (voormalig) president van de Hoge Raad reeds in februari 2013 in een brief de noodklok geluid over de werkdruk.9. Zie voorts de opmerkingen van de Procureur-Generaal in het Jaarverslag 2012.10. Nog op 1 maart 2015 heeft de voorzitter van de Raad voor Rechtsspraak aangegeven dat door gebrek aan capaciteit de werkdruk voor rechters zo hoog is dat er achterstanden ontstaan, waarbij gebrek aan geld de belangrijkste oorzaak voor het capaciteitsprobleem wordt aangewezen.11. Onder deze omstandigheden dient thans te worden geconcludeerd dat er sprake is van een verzuim dat — naar uit objectieve gegevens — blijkt zozeer bij herhaling voor te komen dat zijn structurele karakter vaststaat èn dat de verantwoordelijke autoriteiten, te weten de Regering en het Parlement zich onvoldoende inspanningen hebben getroost herhaling te voorkomen. Gelet hierop dient dan ook de Hoge Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een matiging toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak ook nog een andere klacht naar voren wordt gebracht.
2.5
Voorkomen moet worden dat ‘onder de zegel’ van cassatie de norm ten aanzien van de duur van de berechting steeds maar weer wordt verlegd waardoor er ook vanwege alle bezuinigingen en reorganisaties geen substantiële druk meer op de overheid wordt gelegd om een onredelijke procesduur zoveel mogelijk te vermijden.12. Gelet hierop dient dan ook de Hoge Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een matiging toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak ook nog een andere klacht naar voren wordt gebracht.
2.6
Voorts in de onderhavige schriftuur de verdachte ook nog andere klachten naar voren heeft gebracht die betrekking hebben op de ‘prior criminal proceedings’, zodat ook om deze reden niet kan worden gesteld dat verdachte onvoldoende belang heeft bij zijn klacht over de schending van de redelijke termijn.13.
2.7
Bovendien is afdoening op basis van art. 80a RO niet aangewezen, gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn en omdat afdoening op basis van art. 80a RO inbreuk maakt op het recht van ‘effective remedy’.14. Indien de Hoge Raad van oordeel is dat afdoening van de zaak door middel van art. 80a RO in zaken als de onderhavige geen inbreuk lijkt te maken op het EVRM, is veroordeelde van mening dat de Hoge Raad deze kwestie zal dienen voor te leggen aan het EHRM en wel door middel van het stellen van prejudiciële vragen. Uit hetgeen hierboven is aangevoerd volgt dat in zaken als de onderhavige, waarin sprake is van schending van de redelijke termijn die het gevolg is van het door het hof niet in acht nemen van de wettelijk voorgeschreven termijnen, art. 13 EVRM immers een ‘effective remedy’ vereist. De vragen zouden kunnen luiden:
- 1.
Vereisen de artikelen 6 en 13 EVRM dat de cassatierechter een inhoudelijk oordeel velt over een klacht betreffende de schending van redelijke termijn in zaken waarin de redelijke termijn van de berechting in cassatie wordt geschonden doordat de laatste feitelijke rechter geldende termijnen met betrekking tot het opstellen van relevante stukken en het opsturen van die stukken niet in acht neemt?
- 2.
Maakt het daarbij verschil uit of in cassatie ook andere klachten naar voren zijn gebracht?
- 3.
Maakt het daarbij verschil uit of deze andere klachten een behandeling in cassatie rechtvaardigen?
- 4.
Maakt het daarbij verschil uit of de verdachte/veroordeelde in de betreffende zaak gedetineerd is?
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 16 november 2022
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 16‑11‑2022
HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146 (NJ 2019, 454, m.nt. W. H. Vellinga).
Vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762.
R.o.v. 2.4.4. van het in noot 1 bedoelde arrest…
Vgl. r.o.v. 2.4.2 van het in noot 1 bedoelde arrest en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3703.
Waarvoor overigens nog een zoektocht nodig zal zijn om de exacte vindplaats te achterhalen nu het proces-verbaal als ‘bijlage (pagina ??)’aan het stamproces-verbaal is gevoegd.
HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, m.nt. J. de Hullu, alsmede HR 14 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241 — 245, m.nt. F.W. Bleichrodt.
EHRM 26 mei 1993, NJ 1993/466, m.nt. E.A. Alkema en EHRM 23 februari 1999, nr. 34966/97 (De Groot/Nederland), NJ 1999/641, m.nt. G. Knigge.
NRC 4 februari 2013.
Jaarverslag 2012, p. 23/24.
Noot van T.M. Schalken onder HR 27 oktober 2015, NJ 2015/469.
EHRM 27 augustus 2013, nr. 12810/13 (Celik/Nederland).
Zie in dit verband de reeds door F.W. Bleichrodt in zijn noot onder HR 22 januari 2013, NJ 2013/245 gemaakte opmerking en -met name- de door het EHRM aan Nederland gestelde vragen in EHRM 18 december 2018, nr. 585/19 (Nelissen/Nederland).