Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/373
373 De strikte benadering
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS365381:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken I, 2003-2004, 28 179, B, (MvA), 3 maart 2004, p. 15.
Zie overigens ook Kamerstukken II, 28 179, nr. 52 (Verslag van een wetgevingsoverleg), 3 september 2003, p. 31 waarin de minister over de algemene lijnen stelde: “We hebben bewust niet gekozen voor de term ‘beleid’ omdat dit een grotere volledigheid veronderstelt dan de term ‘algemene lijnen’, die nog wat ruimte laat. De algemene lijnen worden vastgesteld door de aandeelhoudersvergadering. Daarbinnen kan de raad van commissarissen besluiten [cursivering ECHJL].” Uiteindelijk is nadrukkelijk wel gekozen voor het opnemen van de term ‘beleid’ in plaats van ‘algemene lijnen’.
Verburg 2015, p. 73.
Zie in gelijke zin Verburg 2015, p. 73.
Kamerstukken I, 28 179, 2003-2004, B (MvA), p. 15/16.
Kamerstukken II, 28 179, nr. 31 (Tweede Nota van Wijziging), 28 augustus 2003, p. 6/7.
Zo volgt immers ook uit een letterlijke interpretatie van de wetsgeschiedenis, zie Kamerstukken I, 2003/2004, 28179, B, p. 15.
Zie over het geheel of gedeeltelijk ontzeggen van de nietigheid en partiële nietigheid de randnummers 384 en 385.
Zie iets terughoudender, maar in gelijke zin Van Veen 2005, p. 209.
De soepele benadering zou ik, met het oog op de gedachte achter de aanpassingen van art. 2:135 BW en de parlementaire geschiedenis, niet willen volgen. Toegegeven moet worden dat tekstueel gezien de termen ‘beleid’ en ‘met inachtneming van’ inderdaad ruimte lijken te bieden aan mogelijkheden tot handelen in strijd met of in afwijking van het bezoldigingsbeleid. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat de grenzen die het bezoldigingsbeleid stelt, strikt dienen te worden geïnterpreteerd. Op de vraag of, in het geval waarin de bevoegdheid tot vaststelling van de individuele bezoldiging gedelegeerd is aan een ander orgaan, de bezoldiging niet behoefde te worden vastgesteld ‘met inachtneming van het beleid’ antwoorden de ministers bij de behandeling in de Eerste Kamer:
“Ook indien in de statuten een ander orgaan dan de algemene vergadering is aangewezen voor de bepaling van de individuele bezoldiging van een bestuurder, dient die vaststelling plaats te vinden met inachtneming van het bezoldigingsbeleid. Lid 3 [het huidige lid 4, ECHJL] is de grondslag voor aanwijzing van een ander orgaan. Bij grotere vennootschappen met een verspreid aandelenbezit is het gebruikelijk dat de raad van commissarissen de bezoldiging van individuele bestuurders bepaalt. Hij dient daarbij te blijven binnen de kaders voor bezoldiging die zijn vastgelegd door de algemene vergadering.” [cursivering ECHJL]1
En:
“Indien een ander orgaan op grond van de statuten bevoegd is tot vaststelling van de bezoldiging bepaalt de algemene vergadering via het bezoldigingsbeleid de grenzen waarbinnen die bezoldiging moet worden vastgesteld. Het is aan de algemene vergadering om te beslissen hoe gedetailleerd zij die grenzen wenst te trekken.” [cursivering ECHJL]2
De wetgever lijkt geen ruimte te laten aan de raad van commissarissen om een bezoldigingsbesluit te nemen waarmee buiten de kaders van het bezoldigingsbeleid wordt getreden.3 Verburg merkt hierover op, dat wat met ‘met inachtneming van het beleid’ is bedoeld weliswaar niet eenvoudig te bepalen kan zijn, maar dat dit de strekking nog niet onduidelijk maakt: de raad van commissarissen zal bij het vaststellen van de individuele bezoldiging de voorwaarden die de wet en de statuten stelt, in acht moeten nemen. De vaststellingsbevoegdheid van de raad van commissarissen is derhalve door de wetgever dwingendrechtelijk ingeperkt met als uiterste grens de kaders van het vastgestelde bezoldigingsbeleid.4 Nu de vaststellingsbevoegdheid van de raad van commissarissen een vertegenwoordigingsbevoegdheid betreft, lijkt hieruit te volgen dat zodoende ook de vertegenwoordigingsbevoegdheid dwingend is beperkt.
Slechts indien de slotzin van art. 2:135 lid 5 BW analoog kan worden toegepast op het handelen in strijd met het bezoldigingsbeleid is hiervan geen sprake. In dat geval kleurt de uitzondering – de lex specialis – de regel.
Tegen deze laatste zienswijze bestaan mijns inziens krachtige argumenten. Het belangrijkste tegenargument is (ironisch genoeg) een tekstuele: deze slotzin is niet opgenomen in art. 2:135 lid 4 BW. Hieruit vloeit naar mijn mening voort dat – behoudens tegenovergestelde aanwijzingen – de wetgever een verschillende benadering voor ogen staat.5 Daar komt bij dat het voorstel waarvoor ex lid 5 goedkeuring dient te worden gevraagd weliswaar betrekking heeft op regelingen voor het gehele bestuur, maar volgens de wetgever gezien moet worden als een uitwerking van het algemene bezoldigingsbeleid.
“Lid 4 [het huidige lid 5, ECHJL] bevat een specifieke regeling voor de goedkeuring van aandelen- en optieregelingen, die de algemene beleidsbepaling van lid 1 en de invulling daarvan in lid 3 [het huidige lid 4, ECHJL] uitwerkt.”6
Met de aandelen- en optieregeling van lid 5 wordt aldus het door de algemene vergadering vastgestelde algemene bezoldigingsbeleid nader uitgewerkt (lees: meer gespecificeerd), maar dat laat mijns inziens onverlet dat bij die uitwerking gekleurd dient te worden binnen de lijnen zoals uiteengezet in het bezoldigingsbeleid. Zolang binnen de grenzen van het bezoldigingsbeleid wordt gebleven, ligt het voor de hand dat het ontbreken van een expliciete goedkeuring de vertegenwoordigingsbevoegdheid niet aantast. Immers, met het algemene bezoldigingsbeleid heeft de algemene vergadering reeds goedkeuring gegeven aan de raad van commissarissen om binnen deze grenzen de individuele bezoldiging vast te stellen. Het zou onnodige obstakels opwerpen voor de praktijk wanneer de vertegenwoordigingsbevoegdheid vervolgens ook nog zou afhangen van het krijgen van goedkeuring voor de uitwerking van het algemene bezoldigingsbeleid. Die uitwerking is vanuit praktisch oogpunt juist gedelegeerd aan de raad van commissarissen. Sterker nog, om de besluitvorming goed te laten verlopen en zekerheid te verschaffen aan zowel de raad van commissarissen als de bestuurders ligt het voor de hand expliciet op te nemen dat een eventuele goedkeuring voor de nadere uitwerking de vertegenwoordigingsbevoegdheid niet aantast. Dat laat onverlet dat het vragen van goedkeuring alsnog van waarde kan zijn. De wetgever wijst in dit verband onder meer op het risico van verwatering en meer in het algemeen de wijziging die door het toekennen van aandelen en opties wordt aangebracht in de samenstelling van de aandeelhoudersvergadering.7 Door de verplichting om goedkeuring te vragen voor een dergelijke regeling blijft de algemene vergadering op de hoogte en kan meer specifiek richting worden gegeven aan de invulling van het bezoldigingsbeleid wat het belonen met aandelen en opties betreft. Begrijpelijkerwijze gaat het de wetgever te ver om hiervoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid in te perken.
In mijn optiek is aldus de hoofdregel, dat de raad van commissarissen te allen tijde gehouden is om het ‘algemeen’ bezoldigingsbeleid, dat is vastgesteld door de algemene vergadering, te eerbiedigen.8 Het is aan de algemene vergadering, zoals de wetgever ook opmerkt, om te bepalen hoe gedetailleerd de grenzen van het algemene bezoldigingsbeleid worden getrokken. Is in het bezoldigingsbeleid het toekennen van aandelen en opties niet nader uitgewerkt, dan zal een voorstel ter goedkeuring moeten worden voorgelegd aan de algemene vergadering, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel aandelen of rechten tot het nemen van aandelen aan het bestuur mogen worden toegekend en welke criteria gelden voor toekenning of wijziging. Het uitblijven van een eventuele goedkeuring laat echter onverlet, dat het aangewezen orgaan bevoegd is om binnen de kaders van het bezoldigingsbeleid over te gaan tot het vaststellen van de individuele bezoldiging. Staat het bezoldigingsbeleid dat toe, dan kan deze individuele bezoldiging deels uit aandelen en/of opties bestaan. Treedt de raad van commissarissen zonder dat goedkeuring is verkregen voor de aandelen- en optieregeling met het bezoldigingsbesluit buiten de grenzen van het bezoldigingsbeleid van lid 1, dan is het bezoldigingsbesluit waarin deze regelingen zijn opgenomen alsnog nietig.9 De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de raad van commissarissen wordt in dat geval niet aangetast vanwege het ontbreken van goedkeuring voor het voorstel ex art. 2:135 lid 5 BW, maar vanwege het overschrijden van de grenzen van het bezoldigingsbeleid.10