Procestaal: Pools.
HvJ EU, 20-02-2024, nr. C-715/20
ECLI:EU:C:2024:139
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
20-02-2024
- Magistraten
K. Lenaerts, L. Bay Larsen, A. Arabadjiev, A. Prechal, E. Regan, F. Biltgen, N. Piçarra, S. Rodin, P.G. Xuereb, L.S. Rossi, A. Kumin, N. Wahl, I. Ziemele, J. Passer, D. Gratsias
- Zaaknummer
C-715/20
- Conclusie
G. pitruzzella
- Roepnaam
X (Absence de motifs de résiliation)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:139, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 20‑02‑2024
ECLI:EU:C:2023:281, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 30‑03‑2023
Uitspraak 20‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Sociaal beleid — Richtlijn 1999/70/EG — Door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd — Clausule 4 — Non-discriminatiebeginsel — Ongelijke behandeling bij ontslag — Beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd — Geen verplichting om de redenen voor de beëindiging te vermelden — Rechterlijke toetsing — Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
K. Lenaerts, L. Bay Larsen, A. Arabadjiev, A. Prechal, E. Regan, F. Biltgen, N. Piçarra, S. Rodin, P.G. Xuereb, L.S. Rossi, A. Kumin, N. Wahl, I. Ziemele, J. Passer, D. Gratsias
Partij(en)
In zaak C-715/20,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy dla Krakowa — Nowej Huty w Krakowie (rechter in eerste aanleg Krakau — Nowa Huta, Polen) bij beslissing van 11 december 2020, ingekomen bij het Hof op 18 december 2020, in de procedure
K.L.
tegen
X sp. z o.o.,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Arabadjiev, A. Prechal, E. Regan, F. Biltgen en N. Piçarra, kamerpresidenten, S. Rodin, P. G. Xuereb, L. S. Rossi, A. Kumin (rapporteur), N. Wahl, I. Ziemele, J. Passer en D. Gratsias, rechters,
advocaat-generaal: G. Pitruzzella,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 november 2022,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, J. Lachowicz en A. Siwek-Ślusarek als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Martin, D. Recchia en A. Szmytkowska als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 maart 2023,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van clausule 4 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is gesloten op 18 maart 1999 (hierna: ‘raamovereenkomst’) en is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB 1999, L 175, blz. 43), alsmede van de artikelen 21 en 30 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen K.L., een ontslagen werknemer, en X sp. z o.o., een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Pools recht en voormalige werkgever van K.L., over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die tussen hen was gesloten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 1999/70
3
Overweging 14 van richtlijn 1999/70 luidt als volgt:
‘Overwegende dat de partijen bij deze overeenkomst beoogden een raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te sluiten waarin de algemene beginselen en minimumvoorschriften inzake arbeidsovereenkomsten en arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd worden geformuleerd; dat zij hun wil te kennen hebben gegeven de kwaliteit van arbeid voor bepaalde tijd te verbeteren door de toepassing van het non-discriminatiebeginsel te garanderen, en een kader vast te stellen om misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen’.
4
Artikel 1 van richtlijn 1999/70 bepaalt:
‘Deze richtlijn is gericht op de uitvoering van de [raamovereenkomst].’
Raamovereenkomst
5
De derde alinea van de preambule van de raamovereenkomst luidt als volgt:
‘Deze overeenkomst bevat de algemene beginselen en minimumeisen met betrekking tot arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, onder erkenning van het feit dat bij de nadere toepassing ervan rekening moet worden gehouden met de specifieke nationale, sectoriële en seizoensituaties. Zij is een blijk van de bereidheid van de sociale partners een algemeen kader vast te stellen om de gelijke behandeling van werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te waarborgen door hen tegen discriminatie te beschermen, en om gebruik te maken van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd op een manier die zowel voor de werkgevers als voor de werknemers aanvaardbaar is.’
6
Volgens clausule 1 van de raamovereenkomst beoogt deze overeenkomst, ten eerste, de kwaliteit van arbeid voor bepaalde tijd te verbeteren door de toepassing van het non-discriminatiebeginsel te waarborgen en, ten tweede, een kader vast te stellen om misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen.
7
Clausule 2 van de raamovereenkomst, met het opschrift ‘Werkingssfeer’, bepaalt in punt 1:
‘Deze overeenkomst is van toepassing op werknemers met een contract voor bepaalde tijd die werken uit hoofde van een arbeidsovereenkomst of een arbeidsverhouding, als omschreven bij wet, collectieve overeenkomsten of gebruiken in iedere lidstaat.’
8
Clausule 3 van de raamovereenkomst luidt:
‘In deze overeenkomst wordt verstaan onder:
- 1.
‘werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd’: iemand met een rechtstreeks tussen een werkgever en een werknemer aangegane arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding voor bepaalde tijd waarvan het einde wordt bepaald door objectieve voorwaarden zoals het bereiken van een bepaald tijdstip, het voltooien van een bepaalde taak of het intreden van een bepaalde gebeurtenis;
- 2.
‘vergelijkbare werknemer in vaste dienst’: een werknemer met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd, in dezelfde vestiging, die hetzelfde of soortgelijk werk verricht of dezelfde of een soortgelijke functie uitoefent, waarbij rekening wordt gehouden met kwalificaties/bekwaamheden. Indien in dezelfde vestiging geen vergelijkbare werknemer in vaste dienst werkzaam is, wordt de vergelijking gemaakt op basis van de geldende collectieve overeenkomst of, bij ontstentenis van een geldende collectieve overeenkomst, overeenkomstig de wetgeving, de nationale collectieve overeenkomsten of gebruiken.’
9
Clausule 4 van de raamovereenkomst, getiteld ‘Non-discriminatiebeginsel’, bepaalt in punt 1:
‘Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden worden werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd louter op grond van het feit dat zij voor bepaalde tijd werken, niet minder gunstig behandeld dan vergelijkbare werknemers in vaste dienst, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is.’
Pools recht
10
Overeenkomstig artikel 8 van de ustawa — Kodeks pracy (wet houdende het wetboek arbeidsrecht), van 26 juni 1974 (Dz. U. nr. 24, volgnr. 141), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (Dz. U. van 2020, volgnr. 1320, zoals gewijzigd) (hierna: ‘arbeidswetboek’), mag een recht niet worden uitgeoefend in strijd met het sociaal-economische doel ervan of met de beginselen van sociaal samenleven.
11
Artikel 183a, §§ 1 en 2, van het arbeidswetboek bepaalt:
- ‘§ 1.
Werknemers dienen met betrekking tot het aangaan en de beëindiging van de arbeidsverhouding, de arbeidsvoorwaarden, bevorderingskansen en de toegang tot opleiding met het oog op de uitbreiding van hun beroepsvaardigheden gelijk te worden behandeld, in het bijzonder ongeacht hun geslacht, leeftijd, handicap, ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging, lidmaatschap van een vakvereniging, etnische afkomst, overtuiging, seksuele geaardheid, en ongeacht of zij voor bepaalde of onbepaalde tijd, voltijds of deeltijds in dienst zijn.
- § 2.
Gelijke behandeling in arbeid en beroep betekent het ontbreken van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op grond van een van de in § 1 genoemde gronden.’
12
Artikel 183b, § 1, van het arbeidswetboek luidt:
‘Onder voorbehoud van de §§ 2 tot en met 4 is er sprake van schending van het beginsel van gelijke behandeling in arbeid en beroep wanneer de werkgever met betrekking tot de situatie van een werknemer om een van de in artikel 183a, § 1, genoemde redenen een onderscheid maakt dat met name tot gevolg heeft dat:
- 1)
geen arbeidsverhouding wordt aangegaan of de arbeidsverhouding wordt beëindigd,
- 2)
nadelige beloningsvoorwaarden of andere arbeidsvoorwaarden worden vastgelegd of een bevordering of andere werkgerelateerde prestaties niet worden toegekend,
- 3)
[…]
- —
tenzij de werkgever aantoont dat daartoe objectieve redenen bestonden.’
13
Artikel 30 van het arbeidswetboek bepaalt:
- ‘§ 1.
De arbeidsovereenkomst eindigt:
- 1)
krachtens overeenstemming tussen de partijen;
- 2)
na een verklaring door een van de partijen met inachtneming van een opzegtermijn (beëindiging van de arbeidsovereenkomst met opzegtermijn);
- 3)
na een verklaring door een van de partijen zonder inachtneming van een opzegtermijn (beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder opzegtermijn);
- 4)
bij het verstrijken van de termijn waarvoor zij is gesloten;
[…]
[…]
- § 3.
De verklaring van elke partij inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met of zonder opzegtermijn moet schriftelijk worden gedaan.
- § 4.
In het geval van beëindiging door de werkgever van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn of indien een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd zonder opzegtermijn, moeten de redenen voor de beëindiging van de overeenkomst worden opgegeven.
[…]’
14
Artikel 44 van het arbeidswetboek luidt:
‘De werknemer kan tegen de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst beroep instellen bij de sąd pracy [(rechter in arbeidszaken, Polen)] […]’
15
Artikel 45, § 1, van het arbeidswetboek bepaalt:
‘Wanneer wordt vastgesteld dat de beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ongerechtvaardigd is of in strijd is met de bepalingen inzake de beëindiging van arbeidsovereenkomsten, verklaart de sąd pracy, op verzoek van de werknemer, de beëindiging nietig of doet hij, indien de overeenkomst reeds beëindigd is, uitspraak over het opnieuw in dienst nemen van de werknemer onder de toen geldende voorwaarden of over een schadevergoeding.’
16
Artikel 50, § 3, van dit wetboek luidt als volgt:
‘Wanneer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is beëindigd in strijd met de bepalingen inzake de beëindiging van een dergelijke overeenkomst, heeft de werknemer slechts recht op een vergoeding.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
17
K.L. en X hebben een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en voor deeltijdwerk gesloten voor de periode van 1 november 2019 tot en met 31 juli 2022.
18
Op 15 juli 2020 heeft X aan K.L., verzoeker in het hoofdgeding, een verklaring van beëindiging van deze arbeidsovereenkomst doen toekomen, met inachtneming van een opzegtermijn van een maand. Die beëindiging gold dus vanaf 31 augustus 2020, zonder dat de redenen daarvoor evenwel werden meegedeeld aan K.L.
19
Na zijn ontslag heeft K.L. bij de Sąd Rejonowy dla Krakowa — Nowej Huty w Krakowie (rechter in eerste aanleg Krakau — Nowa Huta, Polen), de verwijzende rechter, een vordering tot schadevergoeding ingesteld krachtens artikel 50, § 3, van het arbeidswetboek, op grond dat zijn ontslag onrechtmatig was.
20
In het kader van die vordering stelt K.L., ten eerste, dat de verklaring van X vormfouten bevatte die gebreken opleverden waaraan een recht op schadevergoeding kon worden ontleend overeenkomstig artikel 50, § 3, van het arbeidswetboek. Ten tweede voert hij aan dat, zelfs indien het arbeidswetboek werkgevers niet de verplichting oplegt om de redenen voor de beëindiging mee te delen bij beëindiging van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, het ontbreken van die vermelding het non-discriminatiebeginsel schendt dat is neergelegd in het Unierecht en het Poolse recht, aangezien deze verplichting bestaat bij de beëindiging van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd.
21
X voert daarentegen aan dat hij verzoeker in het hoofdgeding heeft ontslagen overeenkomstig de geldende Poolse bepalingen van arbeidsrecht, hetgeen deze verzoeker niet betwist.
22
De verwijzende rechter bevestigt in het verzoek om een prejudiciële beslissing dat naar Pools recht de bevoegde rechter bij wie een werknemer beroep heeft ingesteld tegen de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, de reden voor het ontslag niet onderzoekt, en de werknemer geen recht heeft op vergoeding wegens het ontbreken van een rechtvaardiging van dat ontslag. Een dergelijke werknemer wordt aldus de bescherming ontzegd die voortvloeit uit artikel 30 van het Handvest, volgens hetwelk ‘[i]edere werknemer […] overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken recht [heeft] op bescherming tegen iedere vorm van kennelijk onredelijk ontslag’.
23
In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat de Trybunał Konstytucyjny (grondwettelijk hof, Polen) in 2008 een arrest heeft gewezen dat betrekking had op de verenigbaarheid van artikel 30, § 4, van het arbeidswetboek met de Konstytucja Rzeczypospolitej Polskiej (grondwet van de Republiek Polen) van 2 april 1997 (Dz. U. van 1997, nr. 78, volgnr. 483) (hierna: ‘grondwet’), gelet op de verschillen waarin deze bepaling voorziet wat de bij beëindiging in acht te nemen vereisten betreft naargelang van het type arbeidsovereenkomst dat aan de orde is.
24
In dat arrest heeft de Trybunał Konstytucyjny geoordeeld dat artikel 30, § 4, van het arbeidswetboek, voor zover het niet voorziet in een verplichting om de reden voor de beëindiging te vermelden in de verklaring van de werkgever houdende beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, en artikel 50, § 3, van dit wetboek, voor zover het niet voorziet in het recht van de werknemer op vergoeding wegens ongerechtvaardigde beëindiging van een dergelijke arbeidsovereenkomst, verenigbaar zijn met artikel 2 van de grondwet, waarin het beginsel van de democratische rechtsstaat is neergelegd, alsmede met artikel 32 van de grondwet, waarin het beginsel van gelijkheid voor de wet en het verbod van discriminatie in het politieke, sociale of economische leven om welke reden ook zijn verankerd.
25
De Trybunał Konstytucyjny is tot de slotsom gekomen dat er evenmin een reden was om aan te nemen dat het ingevoerde onderscheid, dat is gebaseerd op het kenmerk van de duur van tewerkstelling, niet was gemaakt aan de hand van een relevant criterium in de zin van artikel 32 van de grondwet.
26
De verwijzende rechter zet in dit verband uiteen dat de Sąd NajwyŻszy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen) daarentegen in 2019 een arrest heeft gewezen waarin hij twijfels heeft geuit over de juiste tenuitvoerlegging van clausule 4 van de raamovereenkomst in het Poolse recht, en bijgevolg over de verenigbaarheid van de relevante bepalingen van het arbeidswetboek met het Unierecht. Desalniettemin heeft de Sąd NajwyŻszy erop gewezen dat een entiteit die geen overheidsorgaan is, zoals een particuliere werkgever, niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de onrechtmatigheid bestaande in de onjuiste omzetting van richtlijn 1999/70 in het nationale recht. Deze hoogste rechterlijke instantie mocht dus artikel 30, § 4, van het arbeidswetboek niet buiten toepassing laten in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, aangezien zelfs een duidelijke, nauwkeurige en onvoorwaardelijke bepaling van een richtlijn die ertoe strekt rechten toe te kennen of verplichtingen op te leggen aan particulieren, niet kan worden toegepast in het kader van een uitsluitend tussen particulieren aanhangig geding.
27
De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat in deze context met name rekening dient te worden gehouden met de arresten van 22 januari 2019, Cresco Investigation (C-193/17, EU:C:2019:43), en 19 april 2016, DI (C-441/14, EU:C:2016:278). In dit verband preciseert hij dat de verboden criteria van onderscheid tussen werknemers, welke criteria aan de orde waren in die twee arresten, te weten godsdienst in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 22 januari 2019, Cresco Investigation (C-193/17, EU:C:2019:43), en leeftijd in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 19 april 2016, DI (C-441/14, EU:C:2016:278), uitdrukkelijk zijn vermeld in artikel 21 van het Handvest, terwijl een arbeidsverhouding in het kader van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geen deel uitmaakt van de in die bepaling vermelde criteria. De verwijzende rechter merkt evenwel op dat artikel 21, lid 1, van het Handvest elke discriminatie verbiedt, aangezien de daarin genoemde criteria geen uitputtende lijst vormen, zoals blijkt uit het gebruik van het bijwoord ‘met name’ in die bepaling.
28
Ten slotte is de verwijzende rechter van mening dat, indien het Hof van Justitie de raamovereenkomst in die zin uitlegt dat deze zich verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, zonder te verduidelijken of de Unieregeling waarvan om uitlegging wordt verzocht rechtstreekse horizontale werking heeft, naar Pools recht twee afzonderlijke regelingen voor de beëindiging van overeenkomsten voor bepaalde tijd zouden worden toegepast naargelang de werkgever al dan niet een overheidsorgaan is.
29
In die omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy dla Krakowa — Nowej Huty w Krakowie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Moeten artikel 1 van richtlijn [1999/70] en de clausules 1 en 4 van [de raamovereenkomst] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die slechts in het geval van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd voorziet in de verplichting van de werkgever om de beslissing tot beëindiging van een arbeidsovereenkomst schriftelijk te motiveren en die aldus de redenen voor de beëindiging van overeenkomsten voor onbepaalde tijd aan rechterlijke toetsing onderwerpt, terwijl een dergelijke verplichting voor de werkgever (namelijk de vermelding van de redenen voor de beëindiging) niet bestaat in het geval van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (waardoor enkel de conformiteit van de beëindiging met de bepalingen inzake de beëindiging van overeenkomsten aan rechterlijke toetsing is onderworpen)?
- 2)
Kunnen partijen in een geding tussen particulieren zich beroepen op clausule 4 van [de raamovereenkomst] en het algemene Unierechtelijke beginsel van non-discriminatie (artikel 21 van het [Handvest]), en hebben deze bepalingen derhalve horizontale werking?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
30
Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Dat een nationale rechter bij de formulering van een prejudiciële vraag formeel gesproken heeft gerefereerd aan bepaalde voorschriften van het Unierecht, staat er niet aan in de weg dat het Hof die rechter alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak, ongeacht of hij naar die voorschriften heeft verwezen in zijn vragen. In dit verband staat het aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing de elementen van het Unierecht te putten die uitlegging behoeven, gelet op het voorwerp van het geding (arrest van 5 december 2023, Nordic Info, C-128/22, EU:C:2023:951, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Gelet op alle door de verwijzende rechter verstrekte gegevens en de opmerkingen van de Poolse regering en de Europese Commissie dienen in casu de gestelde vragen te worden geherformuleerd teneinde de verwijzende rechter nuttige uitleggingsgegevens te verschaffen.
32
Zonder dat hoeft te worden ingegaan op het verzoek om uitlegging van artikel 21 van het Handvest, dient derhalve te worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, in wezen wenst te vernemen of clausule 4 van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling die een werkgever niet verplicht om een schriftelijke motivering te verstrekken wanneer hij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd beëindigt met inachtneming van een opzegtermijn, terwijl hij daartoe wel verplicht is bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, en of deze clausule kan worden ingeroepen in het kader van een geding tussen particulieren.
33
In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat de raamovereenkomst van toepassing is op alle werknemers die tegen betaling arbeid verrichten in het kader van een arbeidsverhouding voor bepaalde tijd met hun werkgever (zie in die zin arrest van 30 juni 2022, Comunidad de Castilla y León, C-192/21, EU:C:2022:513, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
In casu staat vast dat verzoeker in het hoofdgeding in het kader van zijn arbeidsverhouding met X werd beschouwd als een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de zin van clausule 2, punt 1, van de raamovereenkomst, gelezen in samenhang met clausule 3, punt 1, ervan, zodat het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van deze raamovereenkomst valt.
35
In de tweede plaats heeft het in clausule 4 van de raamovereenkomst opgenomen verbod om werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd minder gunstig te behandelen dan werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, betrekking op de arbeidsvoorwaarden van de werknemers. Bijgevolg dient te worden vastgesteld of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, voor zover zij ziet op de beëindiging van een arbeidsovereenkomst, valt onder het begrip ‘arbeidsvoorwaarden’ in de zin van clausule 4 van de raamovereenkomst.
36
Uit de formulering en het doel van genoemde clausule 4 vloeit voort dat deze geen betrekking heeft op de keuze als zodanig om arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in plaats van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd te sluiten, maar op de arbeidsvoorwaarden van werknemers die het eerste type arbeidsovereenkomst hebben gesloten ten opzichte van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers die op grond van het tweede type arbeidsovereenkomst in dienst zijn genomen (arrest van 8 oktober 2020, Universitatea ‘Lucian Blaga’ Sibiu e.a., C-644/19, EU:C:2020:810, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
In dit verband is het beslissende criterium om te bepalen of een maatregel onder het begrip ‘arbeidsvoorwaarden’ in de zin van clausule 4 van de raamovereenkomst valt, juist het dienstverband, namelijk de arbeidsverhouding die tussen een werknemer en zijn werkgever tot stand is gekomen [beschikking van 18 mei 2022, Ministero dell'istruzione (Elektronische kaart), C-450/21, EU:C:2022:411, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
38
Zo heeft het Hof geoordeeld dat met name onder dat begrip vallen de aan een werknemer verleende bescherming bij onrechtmatig ontslag (arrest van 17 maart 2021, Consulmarketing, C-652/19, EU:C:2021:208, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsmede de regels betreffende de vaststelling van de opzegtermijn in geval van opzegging van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en de regels betreffende de vergoeding die aan de werknemer wordt toegekend wegens de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst met zijn werkgever, aangezien deze vergoeding wordt betaald wegens de arbeidsverhouding die tussen hen is ontstaan (arrest van 25 juli 2018, Vernaza Ayovi, C-96/17, EU:C:2018:603, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
Een uitlegging van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst waarbij de opzegvoorwaarden van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van de definitie van het begrip ‘arbeidsvoorwaarden’ worden uitgesloten, zou immers ertoe leiden dat de werkingssfeer van de aan werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd toegekende bescherming tegen een minder gunstige behandeling in strijd met de doelstelling van deze bepaling wordt ingeperkt (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Vernaza Ayovi, C-96/17, EU:C:2018:603, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
In het licht van deze rechtspraak valt een nationale regeling als die in het hoofdgeding dus onder het begrip ‘arbeidsvoorwaarden’ in de zin van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst. Deze regeling betreft immers de regeling van beëindiging van een arbeidsovereenkomst bij ontslag, waarbij de bestaansreden van die regeling is gelegen in de arbeidsverhouding die is ontstaan tussen een werknemer en zijn werkgever.
41
In de derde plaats dient eraan te worden herinnerd dat in clausule 1, onder a), van de raamovereenkomst staat te lezen dat deze overeenkomst onder andere tot doel heeft de kwaliteit van arbeid voor bepaalde tijd te verbeteren door de toepassing van het non-discriminatiebeginsel te waarborgen. Voorts wordt in de derde alinea van de preambule van de raamovereenkomst gepreciseerd dat deze overeenkomst ‘een blijk [is] van de bereidheid van de sociale partners een algemeen kader vast te stellen om de gelijke behandeling van werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te waarborgen door hen tegen discriminatie te beschermen’. In overweging 14 van richtlijn 1999/70 staat in dit verband te lezen dat het doel van de raamovereenkomst met name is de kwaliteit van arbeid voor bepaalde tijd te verbeteren door minimumvoorschriften vast te stellen waarmee de toepassing van het non-discriminatiebeginsel kan worden gegarandeerd (arrest van 17 maart 2021, Consulmarketing, C-652/19, EU:C:2021:208, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
De raamovereenkomst, in het bijzonder clausule 4 ervan, ziet erop dat het non-discriminatiebeginsel wordt toegepast op werknemers met een overeenkomst voor bepaalde tijd, teneinde te voorkomen dat dit type arbeidsverhouding door een werkgever wordt gebruikt om deze werknemers rechten te onthouden die wel toekomen aan werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (arrest van 3 juni 2021, Servicio Aragonés de Salud, C-942/19, EU:C:2021:440, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43
Bovendien is het discriminatieverbod van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst slechts de specifieke uitdrukking van het algemene gelijkheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de grondbeginselen van het Unierecht (arrest van 19 oktober 2023, Lufthansa CityLine, C-660/20, EU:C:2023:789, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44
Gelet op deze doelstellingen moet deze clausule worden opgevat als de uitdrukking van een grondbeginsel van sociaal recht van de Unie, dat niet restrictief mag worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 19 oktober 2023, Lufthansa CityLine, C-660/20, EU:C:2023:789, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
In overeenstemming met de doelstelling om een einde te maken aan discriminatie tussen werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en die met een overeenkomst voor onbepaalde tijd, bevat clausule 4, die rechtstreekse werking heeft, in punt 1 een verbod om, wat de arbeidsvoorwaarden betreft, werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd louter op grond van het feit dat zij voor bepaalde tijd werken, minder gunstig te behandelen dan vergelijkbare werknemers in vaste dienst, tenzij het verschil in behandeling om ‘objectieve redenen’ gerechtvaardigd is (zie in die zin arresten van 8 september 2011, Rosado Santana, C-177/10, EU:C:2011:557, punten 56 en 64, en 5 juni 2018, Montero Mateos, C-677/16, EU:C:2018:393, punt 42).
46
Meer concreet dient te worden onderzocht of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, wat de bepalingen inzake beëindiging betreft, leidt tot een verschil in behandeling waarbij werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd minder gunstig worden behandeld dan vergelijkbare werknemers in vaste dienst, alvorens in voorkomend geval te bepalen of een dergelijk verschil in behandeling gerechtvaardigd is om ‘objectieve redenen’.
47
Wat, ten eerste, de vraag betreft of de situaties in kwestie vergelijkbaar zijn, moet, om te beoordelen of de betrokken personen hetzelfde of soortgelijk werk in de zin van de raamovereenkomst verrichten, overeenkomstig clausule 3, punt 2, en clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst worden onderzocht of deze personen, gelet op een reeks van factoren, zoals de aard van het werk, de opleidingsvereisten en de arbeidsomstandigheden, kunnen worden geacht zich in een vergelijkbare situatie te bevinden [arresten van 5 juni 2018, Grupo Norte Facility, C-574/16, EU:C:2018:390, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 5 juni 2018, Montero Mateos, C-677/16, EU:C:2018:393, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
48
Gelet op het algemene karakter van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, die de voorlichting regelt van ontslagen werknemers wat de redenen voor de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst betreft, blijkt dat deze regeling van toepassing is op werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die vergelijkbaar kunnen zijn met werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
49
Het staat aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om de feiten te beoordelen, om na te gaan of verzoeker in het hoofdgeding zich in een situatie bevond die vergelijkbaar was met die van werknemers die tijdens dezelfde periode met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst waren genomen bij X (zie naar analogie arresten van 14 september 2016, de Diego Porras, C-596/14, EU:C:2016:683, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 17 maart 2021, Consulmarketing, C-652/19, EU:C:2021:208, punt 54).
50
Wat, ten tweede, de vraag betreft of werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd minder gunstig worden behandeld dan werknemers in vaste dienst, staat vast dat de werkgever, wanneer hij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd beëindigt met inachtneming van een opzegtermijn, niet gehouden is om de werknemer meteen schriftelijk in kennis te stellen van de reden of redenen voor die beëindiging, terwijl hij daartoe gehouden is wanneer hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd beëindigt met inachtneming van een opzegtermijn.
51
Om te beginnen dient in dit verband te worden vastgesteld dat het bestaan van een minder gunstige behandeling in de zin van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst objectief moet worden beoordeeld. In een situatie als die in het hoofdgeding wordt een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die wordt beëindigd met inachtneming van een opzegtermijn, niet ingelicht over de reden of redenen voor dat ontslag, in tegenstelling tot een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die wordt beëindigd, zodat hem informatie wordt ontzegd die belangrijk is om te beoordelen of het ontslag onrechtmatig is en om te overwegen eventueel een zaak aanhangig te maken bij een rechterlijke instantie. Er is dus sprake van een verschillende behandeling van deze twee categorieën werknemers in de zin van die bepaling.
52
Voorts stelt zowel de verwijzende rechter als de Poolse regering dat het ontbreken van een dergelijke informatieplicht de betrokken werknemer niet belet om een zaak aanhangig te maken bij de bevoegde arbeidsrechter, zodat deze kan nagaan of het betrokken ontslag eventueel een discriminatie oplevert of rechtsmisbruik vormt wegens de onverenigbaarheid ervan met het sociaal-economische doel van het betrokken recht of wegens schending van de beginselen van sociaal samenleven in de zin van artikel 8 van het arbeidswetboek.
53
Opgemerkt dient te worden dat een dergelijke situatie ongunstige gevolgen kan hebben voor een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, aangezien die werknemer — gesteld dat rechterlijke toetsing van de gegrondheid van de redenen voor beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst gewaarborgd is en aldus de effectieve rechterlijke bescherming van de betrokkene wordt verzekerd — niet vooraf beschikt over informatie die beslissend kan zijn voor zijn keuze om al dan niet een rechtsvordering in te stellen tegen de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst.
54
Indien de betrokken werknemer twijfels heeft over de rechtmatigheid van de reden voor zijn ontslag, heeft hij dus — bij gebreke van een vrijwillige mededeling van die reden door de werkgever — geen andere keuze dan beroep in te stellen bij de bevoegde arbeidsrechter om dat ontslag aan te vechten. Deze werknemer kan pas in het kader van dat beroep verkrijgen dat deze rechter zijn werkgever gelast om de betrokken reden of redenen mee te delen, zonder dat hij vooraf de kans op slagen van dat beroep kan beoordelen. Volgens de door de Republiek Polen ter terechtzitting gegeven uitleg dient deze werknemer in het kader van dat beroep prima facie zijn betoog te staven dat ertoe strekt aan te tonen dat zijn ontslag discriminatie oplevert of rechtsmisbruik vormt, ondanks het feit dat hij de redenen voor dat ontslag niet kent. Hierbij komt nog dat, hoewel het instellen van een dergelijk beroep bij die arbeidsrechter door een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gratis is volgens de verklaring van de Republiek Polen ter terechtzitting, de voorbereiding en de opvolging van de procedure waarin dat beroep wordt behandeld kosten voor die werknemer met zich kunnen brengen, of zelfs kosten die moeten worden gedragen bij verwerping van dat beroep.
55
Ten slotte dient in deze context eraan te worden herinnerd dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de toekomst geen rechtsgevolgen meer sorteert na het daarin vastgestelde einde, hetgeen, zoals in casu, het bereiken van een bepaalde datum kan zijn. De partijen bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kennen dus vanaf het sluiten ervan de datum die bepalend is voor het einde van de overeenkomst. Dit einde beperkt de duur van de arbeidsverhouding, zonder dat de partijen na het sluiten van de overeenkomst hierover hun wil te kennen hoeven te geven (arrest van 5 juni 2018, Grupo Norte Facility, C-574/16, EU:C:2018:390, punt 57). Wanneer een dergelijke arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever vroegtijdig wordt beëindigd door omstandigheden die niet te voorzien waren op de datum van sluiting van die overeenkomst en die dus het normale verloop van de arbeidsverhouding verstoren, kan die beëindiging aldus — door de onvoorziene aard ervan — een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd minstens even hard raken als de overeenkomstige werknemer wiens arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt beëindigd.
56
Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties levert een nationale regeling als die in het hoofdgeding derhalve een verschil in behandeling op waarbij werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd minder gunstig worden behandeld dan werknemers in vaste dienst, doordat voor laatstgenoemden niet de beperking in kwestie geldt wat de informatieverstrekking over de redenen voor het ontslag betreft.
57
Ten derde, onder voorbehoud van de verificatie waartoe de verwijzende rechter in punt 49 van het onderhavige arrest wordt verzocht over te gaan, dient nog te worden vastgesteld of de verschillende behandeling van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en vergelijkbare werknemers in vaste dienst — waarop de twijfels van de verwijzende rechter betrekking hebben — kan worden gerechtvaardigd om ‘objectieve redenen’ in de zin van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst.
58
In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het begrip ‘objectieve redenen’ in de zin van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst volgens vaste rechtspraak niet aldus mag worden begrepen dat het toestaat een verschil in behandeling tussen werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en die met een overeenkomst voor onbepaalde tijd te rechtvaardigen met het feit dat dit verschil is vastgelegd in een algemene, abstracte nationale regeling, zoals een wet of een collectieve arbeidsovereenkomst (zie in die zin arrest van 19 oktober 2023, Lufthansa CityLine, C-660/20, EU:C:2023:789, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59
Dit begrip verlangt daarentegen dat het vastgestelde verschil in behandeling wordt gerechtvaardigd door precieze en concrete gegevens, die kenmerkend zijn voor de betreffende arbeidsvoorwaarde, in de bijzondere context waarin deze voorwaarde is gesteld en op grond van objectieve en transparante criteria, zodat kan worden nagegaan of dit verschil in behandeling voorziet in een werkelijke behoefte en passend en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel. Dergelijke gegevens kunnen met name voortvloeien uit de bijzondere aard van de taken waarvoor overeenkomsten voor bepaalde tijd zijn gesloten en uit de daaraan inherente kenmerken, of eventueel uit het nastreven van een legitieme doelstelling van sociaal beleid van een lidstaat (arrest van 19 oktober 2023, Lufthansa CityLine, C-660/20, EU:C:2023:789, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60
In casu baseert de Poolse regering zich op de redenering die de Trybunał Konstytucyjny heeft gevolgd in het in de punten 23 tot en met 25 hierboven vermelde arrest en beroept zij zich op de verschillende sociaal-economische functie van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en die voor onbepaalde tijd.
61
Volgens de Poolse regering wordt met het in het Poolse recht gemaakte onderscheid op het gebied van de motiveringsplicht — naargelang een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of een voor onbepaalde tijd wordt beëindigd — de legitieme doelstelling van een ‘nationaal sociaal beleid van volledige en productieve werkgelegenheid’ nagestreefd. Hiertoe is een grote flexibiliteit van de arbeidsmarkt vereist. Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd draagt bij tot die flexibiliteit door, enerzijds, een groter aantal personen een kans op werk te geven en tegelijkertijd de betrokken werknemers een passende bescherming te bieden en, anderzijds, de werkgevers in staat te stellen in hun behoeften te voorzien in geval van toename van hun activiteit, zonder dat zij op permanente basis aan de betrokken werknemer gebonden zijn.
62
De Poolse regering benadrukt aldus dat de verwezenlijking van die doelstelling in het gedrang zou komen indien werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hetzelfde beschermingsniveau zou worden geboden als dat wat werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt geboden tegen beëindiging van een arbeidsovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn. De Trybunał Konstytucyjny heeft dit bevestigd door te verklaren dat een dergelijke verschillende regeling in overeenstemming was met de artikelen 2 en 32 van de grondwet, waarin het beginsel van de democratische rechtsstaat respectievelijk het beginsel van gelijkheid voor de wet en het verbod van discriminatie in het politieke, sociale of economische leven zijn neergelegd.
63
Vastgesteld dient evenwel te worden dat de gegevens die de Poolse regering aanvoert ter rechtvaardiging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, geen precieze en concrete gegevens zijn die kenmerkend zijn voor de betreffende arbeidsvoorwaarde, zoals vereist door de in de punten 58 en 59 hierboven aangehaalde rechtspraak, maar eerder lijken op een criterium dat op algemene en abstracte wijze uitsluitend verwijst naar de duur zelf van het dienstverband. Met die gegevens kan dus niet worden verzekerd dat het litigieuze verschil in behandeling voorziet in een werkelijke behoefte in de zin van die rechtspraak.
64
Indien zou worden aanvaard dat de tijdelijke aard van de arbeidsverhouding op zichzelf reeds volstaat om een verschil in behandeling tussen werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en werknemers in vaste dienst te rechtvaardigen, zouden de doelstellingen van de raamovereenkomst elke betekenis verliezen en zou een voor de werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ongunstige situatie worden bestendigd [zie in die zin arrest van 16 juli 2020, Governo della Repubblica italiana (Status van de Italiaanse vrederechters), C-658/18, EU:C:2020:572, punt 152 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
65
Hoe dan ook moet volgens de in de punten 58 en 59 hierboven vermelde rechtspraak een dergelijk verschil in behandeling niet alleen beantwoorden aan een werkelijke behoefte, maar ook passend en noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel. Bovendien moet dit doel, in overeenstemming met de vereisten van die rechtspraak, op coherente en stelselmatige wijze worden nagestreefd (arrest van 19 oktober 2023, Lufthansa CityLine, C-660/20, EU:C:2023:789, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66
De in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling blijkt niet noodzakelijk te zijn voor het bereiken van de door de Poolse regering aangevoerde doelstelling.
67
Zelfs indien werkgevers verplicht zouden zijn om de redenen voor de vroegtijdige beëindiging van een overeenkomst voor bepaalde tijd te vermelden, zou hun immers hierdoor niet de flexibiliteit worden ontnomen die eigen is aan dit type arbeidsovereenkomst, dat kan bijdragen tot volledige tewerkstelling op de arbeidsmarkt. In dit verband dient te worden beklemtoond dat de betrokken arbeidsvoorwaarde niet ziet op de mogelijkheid zelf voor een werkgever om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn, maar op de schriftelijke mededeling aan de werknemer van de reden of redenen voor zijn ontslag, zodat niet kan worden aangenomen dat die flexibiliteit aanzienlijk kan worden beïnvloed door deze voorwaarde.
68
Wat de vraag betreft of een nationale rechter in het kader van een geding tussen particulieren verplicht is om een nationale bepaling buiten toepassing te laten die in strijd is met clausule 4 van de raamovereenkomst, dient eraan te worden herinnerd dat wanneer de nationale rechterlijke instanties een dergelijk geding dienen te beslechten waarin blijkt dat de betrokken nationale regeling in strijd is met het Unierecht, het de taak van die rechterlijke instanties is om de voor de justitiabelen uit de bepalingen van het Unierecht voortvloeiende rechtsbescherming te verzekeren en de volle werking van die bepalingen te waarborgen (arrest van 7 augustus 2018, Smith, C-122/17, EU:C:2018:631, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69
Meer in het bijzonder heeft het Hof bij herhaling geoordeeld dat een nationale rechter bij wie een geding aanhangig is tussen uitsluitend particulieren, bij de toepassing van de ter uitvoering van de verplichtingen van een richtlijn vastgestelde nationale bepalingen het gehele nationale recht in beschouwing moet nemen, en dit zo veel mogelijk in het licht van de bewoordingen en van de doelstelling van deze richtlijn moet uitleggen om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het daarmee beoogde doel (arrest van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin, C-261/20, EU:C:2022:33, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70
Het beginsel van conforme uitlegging van het nationale recht kent evenwel een aantal beperkingen. Zo wordt de verplichting van de nationale rechter om bij de uitlegging en de toepassing van de relevante bepalingen van zijn nationale recht uit te gaan van hetgeen is vastgesteld in een richtlijn, begrensd door de algemene rechtsbeginselen en kan deze verplichting niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van dat nationale recht (arrest van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin, C-261/20, EU:C:2022:33, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71
Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepaling, te weten artikel 30, § 4, van het arbeidswetboek, kan worden uitgelegd in overeenstemming met clausule 4 van de raamovereenkomst.
72
Wanneer het niet mogelijk is om een nationale bepaling uit te leggen in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht, verlangt het beginsel van voorrang van het Unierecht dat de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid Unierechtelijke bepalingen moet toepassen, elke nationale bepaling buiten toepassing laat die in strijd is met Unierechtelijke bepalingen die rechtstreekse werking hebben.
73
Evenwel blijkt uit vaste rechtspraak dat een richtlijn op zich geen verplichtingen kan opleggen aan particulieren, en een richtlijn als zodanig dus niet tegenover een particulier kan worden ingeroepen voor een nationale rechter. Krachtens artikel 288, derde alinea, VWEU bestaat het verbindende karakter van een richtlijn, dat de grondslag vormt voor de mogelijkheid om zich daarop te beroepen, immers slechts ten aanzien van ‘elke lidstaat waarvoor zij bestemd is’, aangezien de Unie alleen bevoegd is om algemeen en abstract met onmiddellijke werking verplichtingen op te leggen aan particulieren wanneer haar de bevoegdheid is toegekend om verordeningen vast te stellen. Een nationale rechter mag derhalve niet op grond van een bepaling van een richtlijn, zelfs al is deze duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk, een hiermee strijdige bepaling van zijn nationale recht buiten toepassing laten indien aldus een extra verplichting wordt opgelegd aan een particulier (arresten van 24 juni 2019, Popławski, C-573/17, EU:C:2019:530, punten 65–67, en 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin, C-261/20, EU:C:2022:33, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74
Een nationale rechter is dan ook niet verplicht om louter op grond van het Unierecht een bepaling van nationaal recht die in strijd is met een Unierechtelijke bepaling buiten toepassing te laten indien deze laatste bepaling geen rechtstreekse werking heeft, evenwel onverminderd de mogelijkheid voor deze rechter en voor elke bevoegde nationale administratieve instantie om op basis van het nationale recht elke bepaling van nationaal recht buiten toepassing te laten die in strijd is met een Unierechtelijke bepaling die geen rechtstreekse werking heeft (zie in die zin arrest van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin, C-261/20, EU:C:2022:33, punt 33).
75
Het is juist dat het Hof de rechtstreekse werking van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst heeft erkend door te oordelen dat deze bepaling inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om door particulieren voor de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen tegen de staat in ruime zin (zie in die zin arresten van 15 april 2008, Impact, C-268/06, EU:C:2008:223, punt 68, en 12 december 2013, Carratù, C-361/12, EU:C:2013:830, punt 28; zie ook arrest van 10 oktober 2017, Farrell, C-413/15, EU:C:2017:745, punten 33–35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76
Niettemin gaat het in casu in het hoofdgeding om een geschil tussen particulieren, zodat het Unierecht de nationale rechter niet ertoe kan verplichten om artikel 30, § 4, van het arbeidswetboek buiten toepassing te laten op grond van de loutere vaststelling dat deze bepaling in strijd is met clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst.
77
Wanneer een lidstaat een regeling vaststelt tot precisering en concrete invulling van de arbeidsvoorwaarden waarop met name clausule 4 van de raamovereenkomst van toepassing is, brengt deze lidstaat het Unierecht ten uitvoer in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, zodat hij met name de eerbiediging van het in artikel 47 van het Handvest verankerde recht op een doeltreffende voorziening in rechte moet waarborgen [zie naar analogie arrest van 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken), C-245/19 en C-246/19, EU:C:2020:795, punten 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
78
Uit de uiteenzetting in de punten 47 tot en met 56 hierboven blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, die bepaalt dat een werknemer wiens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt beëindigd met inachtneming van een opzegtermijn — anders dan een werknemer in vaste dienst — niet meteen schriftelijk in kennis wordt gesteld van de reden of redenen voor dat ontslag, voor bovengenoemde werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de toegang tot de rechter beperkt, die met name krachtens artikel 47 van het Handvest moet worden gewaarborgd. Op die manier wordt deze werknemer immers informatie ontzegd die belangrijk is om te beoordelen of zijn ontslag eventueel onrechtmatig is en om in voorkomend geval een rechtszaak ter betwisting van dat ontslag voor te bereiden.
79
Gelet op deze overwegingen dient te worden vastgesteld dat het in het toepasselijke nationale recht voorziene verschil in behandeling, zoals vastgesteld in punt 56 hierboven, afbreuk doet aan het in artikel 47 van het Handvest neergelegde grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte, aangezien een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet de mogelijkheid heeft — die een werknemer in vaste dienst wel heeft — om vooraf te beoordelen of het passend is in rechte op te komen tegen de beslissing houdende beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, en in voorkomend geval een beroep in te stellen waarbij de motivering van die beëindiging nauwgezet kan worden betwist. Gelet op de uiteenzetting in de punten 60 tot en met 67 hierboven, kunnen de door de Poolse regering aangevoerde gegevens een dergelijke beperking van dat grondrecht niet rechtvaardigen overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest.
80
Het Hof heeft gepreciseerd dat artikel 47 van het Handvest op zichzelf volstaat en niet hoeft te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht, om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen (zie in die zin arrest van 17 april 2018, Egenberger, C-414/16, EU:C:2018:257, punt 78).
81
Bijgevolg is de nationale rechterlijke instantie in de in punt 76 van het onderhavige arrest bedoelde situatie gehouden om binnen het kader van haar bevoegdheden de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen uit artikel 47 van het Handvest — gelezen in samenhang met clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst — voortvloeit met betrekking tot het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dat de toegang tot de rechter omvat, en moet zij dus artikel 30, § 4, van het arbeidswetboek buiten toepassing laten voor zover dit nodig is om de volle werking van die bepaling van het Handvest te waarborgen [zie in die zin arresten van 17 april 2018, Egenberger, C-414/16, EU:C:2018:257, punt 79, en 8 maart 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Rechtstreekse werking), C-205/20, EU:C:2022:168, punt 57].
82
Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat clausule 4 van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling die een werkgever niet verplicht om een schriftelijke motivering te verstrekken wanneer hij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd beëindigt met inachtneming van een opzegtermijn, terwijl hij daartoe wel verplicht is bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Een nationale rechter bij wie een geding tussen particulieren aanhangig is, is gehouden om, wanneer hij het toepasselijke nationale recht niet in overeenstemming met die clausule kan uitleggen, binnen het kader van zijn bevoegdheden de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen uit artikel 47 van het Handvest voortvloeit en om de volle werking van die bepaling te waarborgen door — voor zover nodig — elke daarmee strijdige nationale bepaling buiten toepassing te laten.
Kosten
83
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
Clausule 4 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is gesloten op 18 maart 1999 en is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd,
moet aldus worden uitgelegd dat
zij in de weg staat aan een nationale regeling die een werkgever niet verplicht om een schriftelijke motivering te verstrekken wanneer hij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd beëindigt met inachtneming van een opzegtermijn, terwijl hij daartoe wel verplicht is bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Een nationale rechter bij wie een geding tussen particulieren aanhangig is, is gehouden om, wanneer hij het toepasselijke nationale recht niet in overeenstemming met die clausule kan uitleggen, binnen het kader van zijn bevoegdheden de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen uit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voortvloeit en om de volle werking van die bepaling te waarborgen door — voor zover nodig — elke daarmee strijdige nationale bepaling buiten toepassing te laten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑02‑2024
Conclusie 30‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd — Clausule 4 — Non-discriminatiebeginsel — Discriminatieverbod — Ongelijke behandeling bij ontslag — Opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd — Geen vermelding van redenen voor de opzegging
G. pitruzzella
Partij(en)
Zaak C-715/201.
K.L.
tegen
X sp. z o.o.
[verzoek van de Sąd Rejonowy dla Krakowa — Nowej Huty w Krakowie (rechter in eerste aanleg Krakau-Nowa Huta, Polen) om een prejudiciële beslissing]
1.
Kan een nationale bepaling volgens welke de redenen voor ontslag uitsluitend moeten worden aangegeven in geval van opzegging van een overeenkomst voor onbepaalde tijd en niet in geval van een overeenkomst voor bepaalde tijd in overeenstemming zijn met het Unierecht, en met name met het non-discriminatiebeginsel als bedoeld in clausule 4 van de raamovereenkomst die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG2.? Kan de eventuele vaststelling dat die regeling niet in overeenstemming is met het Unierecht tot gevolg hebben dat de bepalingen van richtlijn 1999/70 ook van toepassing zijn op een geding tussen particulieren?
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
Richtlijn 1999/70
2.
Artikel 1 van richtlijn 1999/70 bepaalt het volgende:
‘Deze richtlijn is gericht op de uitvoering van de op 18 maart 1999 door de algemene brancheoverkoepelende organisaties (EVV, Unice, CEEP) gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die in de bijlage is opgenomen.’
Raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd3.
3.
Clausule 4, met het opschrift ‘Non-discriminatiebeginsel’, bepaalt:
- ‘1.
Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden worden werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd louter op grond van het feit dat zij voor bepaalde tijd werken, niet minder gunstig behandeld dan vergelijkbare werknemers in vaste dienst, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is.
[…]
- 3.
De wijze waarop deze clausule wordt toegepast, wordt door de lidstaten — na raadpleging van de sociale partners — en/of de sociale partners bepaald met inachtneming van de Europese wetgeving en de nationale wetgeving, collectieve arbeidsovereenkomsten en gebruiken.
[…]’
B. Pools recht
4.
Ustawa z dnia 26 czerwca 1974 r. Kodeks pracy (wet van 26 juni 1974 houdende het wetboek arbeidsrecht) (geconsolideerde tekst: Dziennik Ustaw van 2020, volgnr. 1320, zoals gewijzigd) (hierna: ‘arbeidswetboek’), bepaalt in artikel 183a:
- ‘§ 1.
Werknemers dienen met betrekking tot de aanvang en de beëindiging van de arbeidsverhouding, de arbeidsvoorwaarden, bevorderingskansen en de toegang tot opleiding met het oog op de uitbreiding van hun beroepsvaardigheden gelijk te worden behandeld, in het bijzonder ongeacht hun geslacht, leeftijd, handicap, ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging, lidmaatschap van een vakvereniging, etnische afkomst, overtuiging, seksuele geaardheid, en ongeacht of zij voor bepaalde of onbepaalde tijd, voltijds of deeltijds in dienst zijn.
- § 2.
Gelijke behandeling in arbeid en beroep betekent het ontbreken van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op grond van een van de in lid 1 genoemde gronden […].’
5.
Artikel 30 van het arbeidswetboek bepaalt:
- ‘§ 1.
De arbeidsovereenkomst eindigt:
- 1)
krachtens overeenstemming tussen de partijen;
- 2)
na een verklaring door een van de partijen met inachtneming van een opzegtermijn (beëindiging van de arbeidsovereenkomst met opzegtermijn);
- 3)
na een verklaring door een van de partijen zonder inachtneming van een opzegtermijn (beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder opzegtermijn);
- 4)
bij het verstrijken van de termijn waarvoor zij is gesloten.
[…]
- § 3.
De verklaring van elke partij inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met of zonder opzegtermijn moet schriftelijk worden gedaan.
- § 4.
In het geval van opzegging door de werkgever van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn of indien een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd zonder opzegtermijn, moeten de redenen voor de opzegging of de beëindiging van de overeenkomst worden opgegeven.
[…]’
6.
Artikel 44 van het arbeidswetboek bepaalt:
‘De werknemer kan tegen de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst beroep instellen bij de sąd pracy [(rechter in arbeidszaken, Polen)] bedoeld in afdeling twaalf.’
II. Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
7.
Op 1 november 2019 hebben de verzoekende en de verwerende partij in het hoofdgeding een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en voor deeltijdwerk gesloten met een looptijd tot 31 juli 2022.
8.
Op 15 juli 2020 heeft de werkgever verzoeker een schriftelijke verklaring van beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen overhandigd, met een opzegtermijn van een maand die afliep op 31 augustus 2020, zonder evenwel de redenen daarvoor te vermelden.
9.
Daarom heeft de werknemer bij de Sąd Rejonowy dla Krakowa — Nowej Huty w Krakowie (rechter in eerste aanleg Krakau-Nowa Huta, Polen) vergoeding gevorderd van de schade als gevolg van het volgens hem onrechtmatige ontslag (op grond van artikel 50, lid 3, van het arbeidswetboek).
10.
In het hoofdgeding heeft verzoeker tot staving van zijn schadevordering in de eerste plaats aangevoerd dat de mededeling van de werkgever van 15 juli 2020 vormfouten bevatte die gebreken opleverden waaraan een recht op schadevergoeding kon worden ontleend, en in de tweede plaats dat met de opzegging het Unierechtelijke beginsel van non-discriminatie op grond van het type arbeidsovereenkomst alsmede de bepalingen van het Poolse recht zijn geschonden.4.
11.
Verweerster in het hoofdgeding heeft daarentegen aangevoerd dat zij de nationale voorschriften in acht heeft genomen en bijgevolg noch het nationale recht, noch het Unierecht heeft geschonden.5.
12.
De Sąd Rejonowy dla Krakowa — Nowej Huty w Krakowie, waarbij de werknemer de vordering tot schadevergoeding had ingesteld, koestert twijfel over de uitlegging van artikel 1 van richtlijn 1999/70 en de clausules 1 en 4 van de voornoemde raamovereenkomst, en over de mogelijkheid voor particulieren om zich voor de nationale rechter rechtstreeks te beroepen op de bepalingen van de voornoemde richtlijn en de voornoemde raamovereenkomst.
13.
In die omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy dla Krakowa — Nowej Huty w Krakowie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Moeten artikel 1 van [richtlijn 1999/70 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP] gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, en de clausules 1 en 4 van die raamovereenkomst aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die slechts in het geval van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd voorziet in de verplichting van de werkgever om de beslissing tot opzegging van een arbeidsovereenkomst schriftelijk te motiveren en die aldus de redenen voor de opzegging van overeenkomsten voor onbepaalde tijd aan rechterlijke toetsing onderwerpt, terwijl dergelijke verplichting voor de werkgever (namelijk de vermelding van de redenen voor de opzegging) niet bestaat in het geval van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (waardoor enkel de conformiteit van de opzegging met de bepalingen inzake de opzegging van overeenkomsten aan rechterlijke toetsing is onderworpen)?
- 2)
Kunnen partijen in een geding tussen particulieren zich beroepen op clausule 4 van bovenvermelde raamovereenkomst en het algemene Unierechtelijke beginsel van non-discriminatie (artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: ‘Handvest’)]), en hebben deze bepalingen derhalve horizontale werking?’
III. Juridische analyse
A. Eerste prejudiciële vraag
1. Opmerkingen vooraf
14.
Het hoofdgeding betreft een vordering tot schadevergoeding die een werknemer heeft ingesteld tegen een (particuliere) werkgever omdat laatstgenoemde de arbeidsovereenkomst schriftelijk en met inachtneming van de opzegtermijn heeft opgezegd, doch zonder daarbij de redenen voor de opzegging te hebben vermeld. De werkgever meent naar behoren te hebben gehandeld, aangezien hij volgens het Poolse recht uitsluitend verplicht is om de redenen voor de opzegging te vermelden wanneer de overeenkomst die hij wil opzeggen voor onbepaalde tijd is.
15.
In dit kader vraagt de verwijzende rechter het Hof of de verschillende behandeling van twee verschillende soorten overeenkomsten (namelijk voor bepaalde en voor onbepaalde tijd) met betrekking tot de motiveringsplicht bij ontslag en de gestelde daaruit voortvloeiende beperking van de rechtsbescherming betreffende de gegrondheid van die motivering, een door de clausules 1 en 4 van de raamovereenkomst verboden discriminatie vormt.
16.
Om deze vraag te beantwoorden moet de juridische situatie die in de nationale wettelijke regeling ongelijk wordt behandeld, juist worden omschreven, door alle relevante bepalingen van het nationale recht te onderzoeken, teneinde te kunnen vaststellen of het formele verschil tussen de twee soorten overeenkomsten met betrekking tot de verplichting om de redenen voor de opzegging te vermelden, een bij clausule 4 van de raamovereenkomst daadwerkelijke en vergaande verboden discriminatie van de werknemer voor bepaalde tijd inhoudt. Aan de hand van deze analyse kan worden beoordeeld of het nationale recht in overeenstemming met het Unierecht kan worden uitgelegd.
17.
De analyse omvat de volgende fasen: a) een korte omschrijving van de draagwijdte van clausule 4 om het doel en de werkingssfeer ervan te begrijpen, met name wat betreft de begrippen ‘arbeidsvoorwaarden’, ‘vergelijkbare werknemers in vaste dienst’, ‘minder gunstige’ behandeling ‘louter op grond van het feit dat zij voor bepaalde tijd werken’; b) vaststelling van de juridische situatie waarin er beweerdelijk sprake is van ongelijke behandeling (‘minder gunstige’ behandeling), waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het materiële aspect van de aan de werknemer verleende bescherming tegen kennelijk onredelijk ontslag en het formele aspect van de mededeling van de redenen voor de opzegging; c) algehele beoordeling op grond van de gegevens in het dossier van het in het Poolse recht opgezette beschermingssysteem voor de werknemer voor bepaalde tijd, om vast te stellen of hem een doeltreffende bescherming tegen kennelijk onredelijk ontslag wordt geboden die inhoudelijk niet minder gunstig is dan die welke aan de werknemer voor onbepaalde tijd wordt gegarandeerd, en d) beoordeling of er sprake is van eventuele ‘objectieve redenen’ op grond waarvan de bepaling niet van toepassing is.
18.
Het staat aan de verwijzende rechter om in het licht van alle omstandigheden van de concrete zaak vast te stellen of de nationale regeling in overeenstemming is met het non-discriminatiebeginsel, met inachtneming van de aanwijzingen die in de onderhavige zaak zullen worden gegeven.
2. Doel en werkingssfeer van clausule 4 van de raamovereenkomst
19.
In clausule 4 is een ‘non-discriminatiebeginsel’ vastgesteld, dat niet gelijkstaat aan een verplichting tot absolute gelijkheid van behandeling van werknemers voor onbepaalde tijd en werknemers voor bepaalde tijd. De twee soorten overeenkomsten hebben een verschillende sociaal-economische functie6., maar het Unierecht wil voorkomen dat de nationale wetgever, en uiteindelijk de werkgever, uitsluitend op grond van de duur van de overeenkomst in verschillende behandelingen kunnen voorzien die niet om objectieve redenen ‘gerechtvaardigd’ zijn.
20.
Het non-discriminatiebeginsel, en dus het verbod dat werknemers voor bepaalde tijd ‘minder gunstig’ [worden] behandeld dan ‘vergelijkbare werknemers in vaste dienst’ geldt met betrekking tot ‘arbeidsvoorwaarden’.
21.
Uit het dossier blijkt dat: i) verzoeker in het hoofdgeding een werknemer voor bepaalde tijd was, en ii) het Poolse recht voorziet in een verschillende behandeling van werknemers voor bepaalde tijd (ten opzichte van werknemers voor onbepaalde tijd) ten aanzien van de verplichting voor de werkgever om in het opzeggingsbesluit de redenen te vermelden.
22.
Wat het begrip ‘arbeidsvoorwaarden’ in de zin van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst betreft, vormt juist het dienstverband, namelijk de arbeidsverhouding die tussen een werknemer en zijn werkgever tot stand is gekomen, het beslissende criterium om te bepalen of een maatregel onder dat begrip valt.7.
23.
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat onder dat begrip onder meer de regels betreffende de vaststelling van de opzegtermijn in geval van opzegging van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd vallen, alsook de regels betreffende de vergoeding die aan de werknemer wordt toegekend wegens de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst.8. Uit deze rechtspraak kan eenvoudig worden afgeleid dat de wijze waarop de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd onder het begrip ‘arbeidsvoorwaarden’ valt. Een uitlegging van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst, volgens welke de opzegvoorwaarden van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van de definitie van dit begrip zijn uitgesloten, zou ertoe leiden dat de werkingssfeer van de aan werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd toegekende bescherming tegen discriminatie in strijd met de doelstelling van deze bepaling wordt ingeperkt.9.
24.
Ten aanzien van het begrip ‘vergelijkbare werknemers in vaste dienst’ geldt volgens vaste rechtspraak van het Hof10. dat ‘het non-discriminatiebeginsel [verlangt] dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is’11..
25.
Deze beoordeling vindt plaats in drie stappen: i) verificatie of de situaties vergelijkbaar zijn; ii) beoordeling van het nadeel, en iii) vaststelling of het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is.
26.
De eerste stap houdt in dat de feitelijke situaties worden beoordeeld om vast te stellen of zij, ook al zijn zij niet identiek, vergelijkbaar zijn.12.
27.
Indien de nationale rechter van oordeel is dat de feitelijke situaties vergelijkbaar zijn, moet hij nagaan of er voor de werknemer voor bepaalde tijd een nadeel bestaat (de ‘minder gunstige’ behandeling). Op dit aspect zal ik in de volgende punten nader ingaan voor de juiste vaststelling van de juridische situatie die het voorwerp van de ongelijke behandeling is.
28.
Alleen indien de uitkomst van de eerste twee stappen is dat de situaties vergelijkbaar zijn en dat er sprake is van een minder gunstige behandeling, dient de nationale rechter na te gaan of er sprake is van objectieve redenen die het verschil in behandeling kunnen rechtvaardigen.
3. Juridische situatie waarop de gestelde discriminatie betrekking heeft: de ‘minder gunstige’ behandeling
29.
Nu de werkingssfeer van clausule 4 is verduidelijkt, moet de juridische situatie worden vastgesteld waarop het in clausule 4 van de raamovereenkomst bedoelde verschil in behandeling betrekking heeft. Deze juridische situatie vormt, zoals ik hieronder zal uiteenzetten, in samenhang met de algehele bescherming die voor de werknemer voor bepaalde tijd is opgezet, het doorslaggevende punt voor de beoordeling of een Unierechtconforme uitlegging mogelijk is.
30.
Uit het dossier blijkt dat volgens artikel 30, lid 4, van het arbeidswetboek ‘de redenen voor de opzegging of de beëindiging van de overeenkomst [moeten] worden opgegeven’ in het geval van ‘opzegging door de werkgever van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn’ of ‘indien een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd zonder opzegtermijn’.
31.
Na in lid 3 te hebben bepaald dat alle soorten overeenkomsten (met of zonder opzegtermijn) schriftelijk moeten worden opgezegd, heeft de Poolse wetgever de verplichting van de formele vermelding van de redenen dus willen beperken tot uitsluitend het geval van opzegging zonder opzegtermijn (van een overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd). Hieruit volgt dat de voornoemde formele verplichting om de redenen voor de opzegging te vermelden, niet geldt in geval van beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een opzegtermijn.
32.
Uit deze omstandigheid kan evenwel niet worden afgeleid dat de Poolse wetgever heeft bedoeld om voor werknemers voor bepaalde tijd een ander beschermingssysteem tegen kennelijk onredelijk ontslag op te zetten dan voor werknemers voor onbepaalde tijd.
33.
Er moet namelijk onderscheid worden gemaakt tussen het (materiële) aspect van bescherming van de werknemer tegen kennelijk onredelijk ontslag — dat inhoudt dat het niet mogelijk mag zijn om de werknemer voor bepaalde tijd om een discriminerende of onrechtmatige reden te ontslaan — en het (formele) aspect, bestaande in de verplichting om in het opzeggingsbesluit al dan niet de redenen te vermelden op grond waarvan de werkgever heeft besloten de overeenkomst voortijdig te beëindigen.
34.
De enige bepaling van Unierecht die de werknemer bescherming tegen (individueel) onrechtmatig ontslag toekent, is vervat in artikel 30 van het Handvest.
35.
Daarin staat te lezen dat ‘[i]edere werknemer […] overeenkomstig het Unierecht en de nationale wetgevingen en praktijken recht [heeft] op bescherming tegen iedere vorm van kennelijk onredelijk ontslag’.
36.
De verwijzende rechter plaatst in zijn analyse inderdaad vraagtekens bij de verenigbaarheid van de nationale regeling met artikel 30 van het Handvest, maar de reden daarvoor is dat de nationale regeling volgens zijn zienswijze ‘in beginsel de mogelijkheid voor de sąd pracy [uitsluit] om na te gaan of het ontslag van een op grond van een dergelijke overeenkomst aangeworven werknemer gerechtvaardigd is’.13. Ik zal in het volgende punt onderzoeken hoe juist uit deze omstandigheid — met name de mogelijkheid van de nationale rechter om te toetsen of het ontslag van een werknemer voor bepaalde tijd gerechtvaardigd is —, waarover in de Poolse rechtspraak tegengestelde standpunten zijn ingenomen, volgt of een Unierechtconforme uitlegging al dan niet mogelijk is.
37.
De normatieve inhoud van de bepaling verwijst naar de bescherming tegen het ‘kennelijk onredelijke karakter’ van het ontslag, en niet naar de (formele) aspecten van de inhoud van de mededelingen van de werkgever.
38.
Garanderen dat de werkgever verplicht is om de werknemer in het opzeggingsbesluit te informeren over de redenen die formeel aan het ontslag ten grondslag liggen, staat immers niet gelijk aan het garanderen van een doeltreffende bescherming daartegen.
39.
Gelet op het nuttige effect van richtlijn 1999/70 is het daarentegen essentieel dat de werknemer de mogelijkheid heeft om de gegrondheid van de aan het ontslag ten grondslag liggende redenen daadwerkelijk door een onpartijdige rechter te laten toetsen.
40.
Zoals de Europese Commissie heeft opgemerkt, valt zeker niet te ontkennen dat indien de redenen vooraf worden meegedeeld, de werknemer zijn recht van verdediging sneller kan uitoefenen; hij hoeft immers niet tot de gerechtelijke fase te wachten om kennis te nemen van de redenen voor het ontslag.
41.
Het Unierecht schrijft de lidstaten evenwel niet specifiek voor om de werkgever te verplichten om bij de opzegging het ontslag uitdrukkelijk te motiveren, zoals de Republiek Polen in haar opmerkingen heeft opgemerkt.14.
42.
Ik ga derhalve over tot de laatste fase van mijn analyse van de eerste prejudiciële vraag: biedt de Poolse rechtsorde de werknemer voor bepaalde tijd in geval van voortijdige opzegging een doeltreffende bescherming, ook indien de redenen daarvoor niet vooraf formeel worden meegedeeld?
4. In de Poolse rechtsorde opgezet beschermingssysteem voor de werknemer voor bepaalde tijd
43.
Met betrekking tot dit specifieke aspect van mijn analyse heb ik in de motivering van de verwijzende rechter enerzijds en in de schriftelijke en mondelinge opmerkingen van de Poolse regering anderzijds, verschillende standpunten gezien.
44.
Dienaangaande lijkt er namelijk ook in de nationale rechtspraak enige onzekerheid te bestaan en lijkt vooral de beslissing van de verwijzende rechter enige inconsistenties te vertonen.
45.
Enerzijds herinnert de verwijzende rechter eraan dat de Sąd NajwyŻszy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen) in zijn arrest van 8 mei 2012 (I PK 41/18) heeft erkend dat de rechter de redenen voor de opzegging van een overeenkomst voor bepaalde tijd opnieuw kan onderzoeken en beoordelen, al heeft hij twijfel over de verenigbaarheid van artikel 30, lid 4, van het arbeidswetboek met het Unierecht.
46.
In een andere optiek heeft de Trybunał Konstytucyjny (grondwettelijk hof, Polen) voorts geoordeeld dat de bevoegde arbeidsrechter de beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ook kan onderzoeken vanuit het gezichtspunt van een mogelijke schending van het sociaal-economische doel van de wet of de beginselen van sociaal samenleven (artikel 8 van het arbeidswetboek), of het bestaan van een verschil in behandeling of van bij wet verboden discriminatie van de werknemer in het geval bedoeld in artikel 113 en artikel 183a van het arbeidswetboek, bepalingen die dus niet in strijd zijn met artikel 2 van de Poolse grondwet (te weten het beginsel van de democratische rechtsstaat) en artikel 32 (waarin het beginsel van gelijkheid voor de wet en het verbod van discriminatie in het politieke, sociale of economische leven om welke reden ook zijn verankerd).
47.
Anderzijds verklaart de verwijzende rechter in punt 34 van de verwijzingsbeslissing dat de litigieuze nationale regeling in beginsel de mogelijkheid uitsluit dat de arbeidsrechter in dit verband toetst of het ontslag van een op grond van een overeenkomst voor bepaalde tijd aangeworven werknemer gerechtvaardigd is.
48.
De Poolse regering merkt met meer nauwkeurigheid en met nadere details op15. dat in de opzet van het Poolse recht het feit dat de werkgever niet verplicht is om de redenen te vermelden, hem niet het recht geeft om de werknemer zonder rechtvaardiging te ontslaan. Voor de rechter is de werkgever namelijk verplicht om de redenen voor het ontslag te geven wanneer hij daarom wordt gevraagd.
49.
Daartoe volstaat het dat de werknemer prima facie bewijs bijvoegt op grond waarvan kan worden vermoed dat de beëindiging discriminerend of oneerlijk is omdat zij in strijd is met beginselen van sociaal samenleven of met het sociaal-economische doel van de wet.16.
50.
Het staat dan aan de werkgever om aan te tonen dat de redenen die hij op verzoek van de rechter heeft gegeven, gegrond zijn.
51.
Daarnaast betoogt de Poolse regering dat de voor arbeidsgeschillen vastgestelde regeling ook werknemers voor bepaalde tijd een doeltreffende bescherming garandeert, die in wezen vergelijkbaar is met die van werknemers voor onbepaalde tijd: de arbeidsrechter is een gespecialiseerde rechter, de toegang tot de rechter is kosteloos, de rechter heeft ambtshalve vrij ruime bevoegdheden, en ik meen te begrijpen dat de zwakkere partij van de rechtsverhouding daarmee een doeltreffende bescherming kan worden geboden.
52.
Ook de Commissie17. erkent in haar opmerkingen dat een Unierechtconforme uitlegging mogelijk is, al heeft zij kritiek op de keuze van de Poolse wetgever.
53.
Zoals gezegd lijkt de verwijzende rechter echter eerder van oordeel te zijn dat de nationale regeling niet in overeenstemming is met het Unierecht, doch mijns inziens op grond van een automatische koppeling die niet is aangetoond: in de tekst van de eerste prejudiciële vraag verbindt hij aan het niet vermelden van de redenen in het opzeggingsbesluit de consequentie (‘aldus’) dat er geen rechterlijke toetsing van de redenen voor beëindiging plaatsvindt. Het lijkt er dus op dat de verwijzende rechter zijn twijfel over de verenigbaarheid van het Poolse recht met het Unierecht, wat betreft de verplichting om de redenen voor de opzegging te vermelden, juist laat afhangen van de omstandigheid dat het ontbreken van die verplichting voor overeenkomsten voor bepaalde tijd tot gevolg heeft dat ‘de redenen voor de opzegging van overeenkomsten voor onbepaalde tijd [niet] aan rechterlijke toetsing [wordt onderworpen]’.
54.
Het is evident dat indien dit het geval zou zijn, dat wil zeggen indien het feit dat de werkgever niet verplicht is om in het opzeggingsbesluit de redenen te vermelden (automatisch) tot gevolg heeft dat de rechter geen bevoegdheid heeft om de gegrondheid en de rechtmatigheid van de opzegging te toetsen, de nationale regeling zonder meer in strijd zou zijn met het Unierecht.
55.
In het omgekeerde geval, indien de nationale rechter de volgende omstandigheden zou vaststellen — die alle gericht zijn op een effectieve rechterlijke bescherming van de werknemer voor bepaalde tijd die in wezen niet slechter is dan die van de werknemer voor onbepaalde tijd (wat het doel is van het in clausule 4 bedoelde non-discriminatiebeginsel) — zou er ruimte zijn voor een Unierechtconforme uitlegging: de mogelijkheid voor de werknemer om de discriminerende aard en de onrechtmatigheid van het ontslag voor de rechter aan te voeren; een procedure voor een gespecialiseerde rechter die ambtshalve over ingrijpende bevoegdheden beschikt om de werkgever, na een loutere bewering van de werknemer die gericht is op erkenning van het discriminerende karakter van het ontslag, te verplichten om de rechtmatigheid van de redenen voor het ontslag aan te tonen; toegang tot kosteloze rechtsbijstand zonder bijzondere lasten en formaliteiten.
56.
Een laatste opmerking over een omstandigheid die ter terechtzitting te berde is gebracht: naar verluidt wordt er een wetsvoorstel voorbereid dat ertoe strekt de bepalingen van het arbeidswetboek aldus te wijzigen dat het huidige verschil tussen overeenkomsten voor bepaalde en voor onbepaalde tijd, wat betreft de verplichting om de redenen voor opzegging te vermelden, wordt opgeheven. Hoewel ik het initiatief van de Poolse wetgever waardeer, acht ik deze omstandigheid irrelevant voor de uitgevoerde analyse, aangezien zij eenvoudigweg kan getuigen van de wil van de Poolse wetgever om elke twijfel over de uitlegging weg te nemen, en niet noodzakelijkerwijs een aanwijzing is dat de geldende bepalingen thans niet in overeenstemming zijn met het Unierecht.
57.
Gelet op het voorgaande ben ik daarom van mening dat de verwijzende rechter inderdaad kan toetsen of een Unierechtconforme uitlegging mogelijk is, met toepassing van de bovenvermelde criteria.
5. ‘Objectieve redenen’ om de toepassing van het non-discriminatiebeginsel uit te sluiten
58.
Indien de verwijzende rechter van oordeel is dat hij geen Unierechtconforme uitlegging kan geven op basis van een beoordeling van een minder gunstige behandeling, moet — zoals hierboven vermeld — nog worden nagegaan of op basis van ‘objectieve redenen’ kan worden afgeweken van de toepassing van het non-discriminatiebeginsel.
59.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof verlangt het begrip ‘objectieve redenen’ dat de geconstateerde ongelijke behandeling wordt gerechtvaardigd door precieze en concrete gegevens, die kenmerkend zijn voor de betreffende arbeidsvoorwaarde, in de bijzondere context waarin deze voorwaarde is gesteld en op grond van objectieve en transparante criteria, zodat kan worden nagegaan of deze ongelijkheid voorziet in een werkelijke behoefte, geschikt is om de nagestreefde doelstelling te bereiken en daartoe noodzakelijk is.18.
60.
Dat het om een tijdelijke arbeidsverhouding gaat, vormt als zodanig geen objectieve reden.19. Bij aanvaarding van het tegendeel zouden de doelstellingen van richtlijn 1999/70 en de raamovereenkomst elke betekenis verliezen. De Commissie betwist juist op basis van die argumenten dat er sprake is van objectieve redenen.20. De Republiek Polen heeft in zijn schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting daarentegen aangevoerd dat die objectieve redenen moeten worden gezocht in de redenen van werkgelegenheidsbeleid die een verschil in behandeling kunnen rechtvaardigen, en met name in de behoefte aan grotere flexibiliteit van de arbeidsmarkt.21. In wezen lijkt zij juist te verwijzen naar een algemeen en abstract criterium dat kan worden gekoppeld aan de duur zelf van het dienstverband.
61.
In het licht van de aangehaalde rechtspraak en de gegevens in het dossier ben ik — onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter — van mening dat de argumenten van de Poolse regering dat het al dan niet voorzien in een motiveringsplicht voor de opzegging van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd wordt gerechtvaardigd door de verschillende sociaal-economische functie van deze twee soorten overeenkomsten en het nastreven van een objectief doel van sociaal beleid van de betrokken lidstaat, te weten volledige en productieve werkgelegenheid, niet kunnen worden aanvaard.
B. Tweede prejudiciële vraag
62.
Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of clausule 4 van de raamovereenkomst door de partijen kan worden ingeroepen in een geding waarin beide partijen particulieren zijn.
63.
In de eerste plaats moet eraan worden herinnerd dat in het beginsel van voorrang van het Unierecht de bevestiging besloten ligt dat het Unierecht voorrang heeft op het recht van de lidstaten en dat het alle instanties van de lidstaten ertoe verplicht om volle werking te verlenen aan de verschillende normen van de Europese Unie, aangezien het recht van de lidstaten niet kan afdoen aan de werking die op het grondgebied van deze staten toekomt aan die verschillende normen. Dit beginsel verplicht de nationale rechterlijke instanties met name ertoe om, teneinde de doeltreffendheid van alle Unierechtelijke bepalingen te waarborgen, hun nationale recht zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en de particulieren de mogelijkheid te bieden om schadevergoeding te verkrijgen wanneer hun rechten worden aangetast door een schending van het Unierecht die kan worden toegerekend aan een lidstaat.22.
64.
Meer in het bijzonder heeft het Hof bij herhaling geoordeeld dat een nationale rechter die uitspraak moet doen in een geding tussen uitsluitend particulieren, bij de toepassing van de ter uitvoering van de verplichtingen van een richtlijn vastgestelde nationale bepalingen het gehele nationale recht in beschouwing moet nemen en dit zoveel mogelijk in het licht van de bewoordingen en van de doelstelling van deze richtlijn moet uitleggen om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het daarmee beoogde doel.23.
65.
Voor dit beginsel van conforme uitlegging van het nationale recht gelden echter bepaalde beperkingen. Aldus wordt de verplichting van de nationale rechter om bij de uitlegging en de toepassing van de relevante bepalingen van zijn nationale recht te verwijzen naar de inhoud van een richtlijn begrensd door de algemene rechtsbeginselen en kan zij niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht.24.
66.
In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat, wanneer de nationale regelgeving niet in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht kan worden uitgelegd, het beginsel van voorrang van het Unierecht vereist dat de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid tot taak heeft de bepalingen van dit recht toe te passen, verplicht is de volle werking van deze bepalingen te verzekeren en daarbij, ook op eigen gezag, zo nodig elke, zelfs latere, strijdige bepaling van de nationale wettelijke regeling buiten toepassing te laten, zonder dat hij de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure hoeft te vragen of af te wachten.25.
67.
Niettemin moet ook rekening worden gehouden met de andere wezenlijke kenmerken van het Unierecht en in het bijzonder met de aard en de juridische gevolgen van richtlijnen.26. Een richtlijn waarvan de bepalingen duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn, heeft rechtstreekse werking jegens de staat, met andere woorden ‘verticale rechtstreekse werking’27.. Een richtlijn kan uit zichzelf echter geen verplichtingen aan particulieren opleggen en kan als zodanig dus niet tegenover een particulier worden ingeroepen voor een nationale rechter.28. Krachtens artikel 288, derde alinea, VWEU bestaat het verbindende karakter van een richtlijn, dat de grondslag vormt voor de mogelijkheid om zich daarop te beroepen, namelijk slechts ten aanzien van ‘elke lidstaat waarvoor zij bestemd is’, aangezien de Unie alleen bevoegd is om algemeen en abstract met onmiddellijke werking verplichtingen op te leggen aan particulieren wanneer haar de bevoegdheid is toegekend om verordeningen vast te stellen.
68.
Een nationale rechter mag volgens vaste rechtspraak van het Hof derhalve niet op grond van een bepaling van een richtlijn, zelfs al is deze duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk, een hiermee strijdige bepaling van zijn nationale recht buiten toepassing laten indien aldus een extra verplichting wordt opgelegd aan een particulier.29.
69.
In de onderhavige zaak heeft clausule 4, lid 1, van de raamovereenkomst volgens de rechtspraak van het Hof ‘verticale rechtstreekse werking’30., maar kan deze bepaling, gezien de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak, geen ‘horizontale rechtstreekse werking’ hebben. Aan de raamovereenkomst en richtlijn 1999/70 kan de werknemer derhalve geen recht ontlenen dat hij voor een nationale rechter tegen een werkgever kan inroepen.
70.
Op dit punt moet worden nagegaan of een recht dat tegen een werkgever kan worden ingeroepen rechtstreeks kan worden ontleend aan het Handvest, dat onder andere door de vermelde clausule 4, lid 1, ten uitvoer wordt gelegd. Daarmee betreden wij het delicate terrein van de horizontale rechtstreekse werking die het Hof in een aantal welomschreven gevallen aan enkele bepalingen van het Handvest heeft toegekend. De bepalingen van het Handvest die in de onderhavige zaak zouden kunnen worden aangehaald zijn de artikelen 21 (non-discriminatie), 20 (gelijkheid voor de wet), 30 (recht op bescherming bij kennelijk onredelijk ontslag) en 47 (recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht).
71.
Het Hof heeft erkend dat artikel 21 horizontale rechtstreekse werking heeft.31. In de betreffende arresten heeft het Hof echter verwezen naar uitdrukkelijk in die bepaling genoemde factoren van discriminatie, zoals leeftijd en godsdienst. Wat in deze zaak moet worden verduidelijkt is of artikel 21 ook van toepassing is op discriminatie tussen werknemers voor bepaalde tijd en werknemers voor onbepaalde tijd, dus discriminatie op basis van een sociaal-economisch criterium.
72.
Het eerste aspect waarop moet worden gewezen is dat de opstellers van het Handvest opzettelijk32. hebben gekozen voor een niet-uitputtende lijst van gronden van discriminatie als bedoeld in artikel 21, zoals blijkt uit het gebruik van de woorden ‘met name’, op grond waarvan moet worden erkend dat ook andere gronden van discriminatie dan die welke uitdrukkelijk in de bepaling zijn genoemd, binnen de werkingssfeer ervan vallen.
73.
Aanvaarden dat de lijst van de gronden van discriminatie niet uitputtend is, betekent evenwel niet dat dit een volstrekt ongedefinieerde lijst is die openstaat voor de meest uiteenlopende gronden van discriminatie. In dit opzicht is de gebruikte wetgevingstechniek veelzeggend. De opstellers van het Handvest hebben het verbod van discriminatie op een aantal uitdrukkelijk vermelde gronden gebaseerd, die niet de enige gronden zijn, aangezien de lijst wordt voorafgegaan door de woorden ‘met name’ (in het Frans notamment, in het Engels such as, in het Spaans en particular, in het Duits insbesondere). Deze uitdrukking geeft enerzijds weliswaar aan dat de lijst van gronden niet uitputtend is, maar geeft anderzijds aan dat de uitdrukkelijk genoemde gronden voorbeelden zijn van het soort discriminatie dat in artikel 21 aan de orde is. Andere gronden van discriminatie vallen onder deze bepaling mits zij vergelijkbaar zijn met de in die bepaling genoemde gronden.
74.
Als de uitdrukkelijk genoemde gronden worden bekeken, kan eenvoudig worden vastgesteld dat zij alle betrekking hebben op discriminatie die de menselijke waardigheid aantast. Discriminatie op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, al deze vormen houden verband met het belang van de menselijke waardigheid.
75.
In deze zin kan artikel 21 van het Handvest worden aangemerkt als een specificatie van de menselijke waardigheid waarmee de lijst van in artikel 2 VEU verankerde waarden aanvangt. Zoals het Hof met name met betrekking tot de ‘rechtsstaat’33. en ‘solidariteit’34. heeft verduidelijkt, zijn deze waarden geen louter politieke richtsnoeren. Zij hebben veeleer daadwerkelijke rechtskracht en worden gespecificeerd in een aantal algemene beginselen op het niveau van het primaire recht zelf en vervolgens in meer gedetailleerde regelingen.
76.
Het belang van de menselijke waardigheid vormt de ware Grundnorm van het Europese constitutionalisme van na de Tweede Wereldoorlog, als reactie op de verschrikkingen van het totalitarisme dat de menselijke persoon elke waarde ontzegde. De menselijke waardigheid, die centraal staat in de constitutionele tradities van de lidstaten en in lijn daarmee de grondslag vormt voor de constitutionele identiteit van de Unie, dient als leidraad voor de uitlegging van het primaire recht en bepaalt de expansieve kracht van de beginselen waarin zij is gespecificeerd, zoals juist het non-discriminatiebeginsel. Tegelijkertijd geeft zij echter de grenzen daarvan aan door de horizontale werking van het recht in artikel 21, waarin het beginsel van het verbod van discriminatie is vervat, een grondwettelijke basis te geven wanneer de gronden van discriminatie kunnen worden teruggevoerd op een schending van de menselijke waardigheid.
77.
Bijgevolg kan er onder de in artikel 21 van het Handvest bedoelde discriminatiegronden geen ruimte zijn voor een grond van sociaal-economische aard, zoals die betreffende de status van de werknemer of de aard van de contractuele verhouding die hem met de werkgever verbindt.
78.
Die conclusie wordt bevestigd door drie andere overwegingen. Ten eerste moet, eveneens met betrekking tot de in artikel 21 van het Handvest gebruikte wetgevingstechniek, worden opgemerkt dat het feit dat er geen uitputtende lijst van verboden discriminatiegronden is, niet heeft geleid tot de vaststelling van een ‘algemene clausule’ of wat de Duitse rechtsleer een ‘onbepaald rechtsbegrip’ (unbestimmter Rechtsbegriff) noemt, zoals ‘goede trouw’, ‘urgentie’, ‘openbare veiligheid’, die in wezen elastisch zijn en kunnen worden verrijkt met varianten en daardoor kunnen worden aangepast aan veranderingen in het rechtsstelsel en het sociaal bewustzijn. Integendeel, de opstellers van het Handvest hebben bepaalde discriminatiegronden aangegeven, die zij elk een specificatie achten (‘met name’) van een bepaald soort discriminatie, te weten die welke de menselijke waardigheid aantast.
79.
Daar komt nog bij dat het Hof herhaaldelijk heeft verklaard dat het niet bevoegd is om de in artikel 21 van het Handvest genoemde lijst van gronden uit te breiden.35.
80.
Ten tweede moet worden opgemerkt dat in de ‘toelichtingen bij het Handvest’ is gepreciseerd dat artikel 21 ‘[v]oor zover het samenvalt met artikel 14 van het [Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)] […] in overeenstemming daarmee [wordt] toegepast’. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft het discriminatieverbod, door middel van de ‘alle andere voorwaarden’-clausule, uitgebreid tot gevallen waarin de ongelijkheid is gebaseerd op genderidentiteit36., alsook op seksuele geaardheid37., handicap38. en leeftijd39., allemaal factoren die betrekking hebben op de dimensie van waardigheid van de persoon, en dus de enige factoren die door het EHRM kunnen worden beoordeeld.
81.
Tot slot kan het nuttig zijn in herinnering te brengen dat het Hof in zijn rechtspraak artikel 1 van richtlijn 2000/78 aldus heeft uitgelegd dat die richtlijn niet ziet op discriminaties op grond van de beroepscategorie.40.
82.
Nu is uitgesloten dat artikel 21 van het Handvest op de onderhavige zaak van toepassing is, kan de vraag worden gesteld of artikel 20 kan worden ingeroepen. Het Hof heeft namelijk erkend dat het gelijkheidsbeginsel, wat werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd betreft, ten uitvoer is gelegd door richtlijn 1999/70, meer bepaald door clausule 4 van de raamovereenkomst.41. Er bestaan evenwel geen uitspraken van het Hof waaruit horizontale rechtstreekse werking van dit artikel blijkt. Daarom moet een dergelijke uitlegging van artikel 20 mijns inziens worden uitgesloten.
83.
Een bepaling van het Handvest heeft horizontale rechtstreekse werking indien zij dwingend en onvoorwaardelijk is. Het Hof heeft horizontale rechtstreekse werking bijgevolg uitgesloten wanneer een bepaling, zoals bijvoorbeeld artikel 27, verwijst naar de gevallen en de voorwaarden waarin het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken voorzien.42.
84.
Welbeschouwd is artikel 20, hoewel een uitdrukkelijke verwijzing naar het recht van de Unie en de nationale wetgevingen ontbreekt, evenmin onvoorwaardelijk en dwingend. Deze kenmerken veronderstellen namelijk dat uit de bepaling een recht voor de particulier voortvloeit waar een precieze verplichting van een andere particulier tegenover staat. Dit betekent dat zowel de inhoud van het recht als de inhoud van de overeenkomstige verplichting rechtstreeks uit het Handvest kunnen worden afgeleid, zonder dat andere normatieve handelingen nodig zijn.
85.
In het geval van artikel 21 en artikel 31, lid 2, van het Handvest, betreffende het recht op vakantie met behoud van loon, heeft de particulier, indien aan de voorwaarden van beide bepalingen is voldaan, een recht met een precieze inhoud waar een verplichting van een andere particulier met een evenzo precieze inhoud tegenover staat.43.
86.
Anders dan de bepalingen waaraan het Hof horizontale rechtstreekse werking heeft toegekend, heeft artikel 20 een ‘open structuur’, die belet dat daaruit rechtstreeks een subjectief recht en een overeenkomstige wettelijke verplichting met een vastgestelde inhoud worden afgeleid, ongeacht of zij middels een wetgevingshandeling zijn vastgesteld.
87.
Wanneer een particulier zich erover beklaagt dat de wet hem, hoewel hij zich in een andere situatie bevindt dan een andere particulier, hetzelfde behandelt als die andere particulier, en hij dus aanspraak maakt op een verschillende behandeling, kan de precieze inhoud van die behandeling niet uit het Handvest worden afgeleid en blijft dus ook de overeenkomstige verplichting van de andere particulier onbepaald. In dergelijke gevallen is de nationale of Uniewetgever, wanneer eenmaal is vastgesteld dat de (nationale of Europese) wetgevingshandeling in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, verplicht om zijn wetgeving ter zake aan te passen, waarbij hij een meer of minder ruime keuzevrijheid heeft.44.
88.
Wanneer iemand in het omgekeerde geval vervolgens klaagt dat hij in vergelijkbare situaties ongelijk is behandeld, moet worden opgemerkt dat de resultaten van het vergelijkend onderzoek niet automatisch en eenduidig zijn. Het is immers moeilijk om met zekerheid en automatisch een objectief criterium of een coherente rechtstheorie vast te stellen om te bepalen wanneer situaties als vergelijkbaar worden beschouwd. Advocaat-generaal Sharpston heeft dit erkend: ‘Het is […] duidelijk dat de criteria inzake relevante gelijkenissen en verschillen variëren naargelang de fundamentele morele visie van een bepaalde persoon of een bepaalde samenleving.’45. De advocaat-generaal heeft eerlijk toegegeven dat ons gevoel wat een relevant of irrelevant verschil is, afhangt van een aantal waardeoordelen die cultureel en historisch bepaald zijn.
89.
Deze fluïditeit maakt het niet altijd makkelijk om te voorzien hoe het vergelijkend onderzoek zal worden toegepast op een bepaald aantal situaties. Wanneer het gelijkheidsbeginsel in het geding is, is het dus niet mogelijk om uit artikel 20 van het Handvest rechtstreeks de concrete inhoud af te leiden van het recht van de particulier die zich daarop beroept en van de overeenkomstige verplichting van een andere particulier die een rechtsbetrekking is aangegaan met de eerstgenoemde particulier, ongeacht of daartoe een wetgevingshandeling is vastgesteld.
90.
Heel anders is de situatie die valt onder artikel 21, waarin de gronden voor differentiatie zijn genoemd die een discriminatie onverenigbaar maken met de menselijke waardigheid, welke discriminatie derhalve door het primaire recht verboden is, met als gevolg dat de gediscrimineerde persoon zijn recht kan uitoefenen opdat de op die gronden gebaseerde discriminatie wordt weggenomen en de gunstiger behandeling ook voor hem geldt.
91.
Overigens, indien het ongerechtvaardigde verschil in behandeling ten nadele van een particulier zou volstaan om die particulier in staat te stellen, op de gebieden waarop het Handvest van toepassing is, artikel 20 in te roepen tegen een andere particulier, zou artikel 21 in wezen zijn betekenis verliezen. Zoals eerder opgemerkt, heeft dit laatste artikel namelijk een horizontale rechtstreekse werking die alleen betrekking heeft op discriminatie die is gebaseerd op gronden die verband houden met de eerbiediging van de menselijke waardigheid, met name die welke uitdrukkelijk zijn vermeld, en niet op alle soorten discriminatie.
92.
Wat het recht op bescherming bij kennelijk onredelijk ontslag betreft, kan ook artikel 30 geen rechtstreekse werking hebben, aangezien de toepassing ervan afhankelijk is van de nationale wetgevingen en praktijken.46. Toepassing van artikel 30 van het Handvest juncto clausule 4 van de raamovereenkomst is derhalve niet mogelijk.
93.
Zoals bekend, en zoals door het Hof is gepreciseerd met betrekking tot artikel 27 van het Handvest, dat een vrijwel identieke structuur heeft als artikel 30, moet in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing kunnen vinden in alle situaties die door het recht van de Unie worden beheerst.47.
94.
Clausule 4 van de in de bijlage bij richtlijn 1999/70 opgenomen raamovereenkomst vormt geen uitvoering van artikel 30 van het Handvest en geen enkele bepaling van afgeleid Unierecht regelt de aspecten betreffende de verplichting om bij het ontslag van de werknemer de redenen daarvoor te vermelden.
95.
De verplichting om de redenen voor de opzegging ook in geval van overeenkomsten voor bepaalde tijd te vermelden, kan niet als een rechtstreeks toepasselijke rechtsregel uit de bewoordingen van artikel 30 worden afgeleid, en daarom ben ik van mening, in de woorden van het Hof die perfect op de onderhavige zaak toegesneden lijken te zijn, dat ‘de omstandigheden in het hoofdgeding verschillen van die welke aanleiding hebben gegeven tot het arrest in de zaak Kücükdeveci (C-555/07, EU:C:2010:21), aangezien het in dit arrest aan de orde zijnde beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, neergelegd in artikel 21, lid 1, van het Handvest, op zich volstaat om aan particulieren een subjectief recht te verlenen waarop als zodanig een beroep kan worden gedaan’.48.
96.
In een geding als het onderhavige kan artikel 30 van het Handvest bijgevolg niet als zodanig worden ingeroepen om de slotsom te rechtvaardigen dat de eventueel niet met richtlijn 1999/70 overeenstemmende nationale bepaling buiten toepassing moet worden gelaten.
97.
Indien wordt aanvaard dat in casu noch artikel 21, noch artikel 20, noch artikel 30 van het Handvest van toepassing is, kan ook artikel 47 van het Handvest geen toepassing vinden.
98.
Het Hof heeft aan artikel 47 horizontale rechtstreekse werking toegekend. Er zij evenwel op gewezen dat deze horizontale werking steeds is erkend in combinatie met andere rechten die tegen een particulier kunnen worden ingeroepen. Horizontale rechtstreekse werking voor artikel 47 is in het bijzonder erkend in het arrest Egenberger49., maar dit artikel werd toegepast in samenhang met het algemene non-discriminatiebeginsel zoals vastgelegd in artikel 21 van het Handvest en verduidelijkt in richtlijn 2000/78. De combinatie, in die zaak, van artikel 47 met een andere bepaling van het Handvest met horizontale rechtstreekse werking wordt opgelegd door de normatieve structuur van voornoemd artikel 47. Dat artikel waarborgt immers het recht op een doeltreffende voorziening in rechte voor eenieder ‘wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden’.
99.
De toepassing van artikel 47 van het Handvest veronderstelt dus dat de particulier een door het Unierecht gewaarborgd recht of gewaarborgde vrijheid heeft waarop hij zich in rechte kan beroepen. Het Hof gaat bij het onderzoek of deze bepaling kan worden ingeroepen derhalve na of er sprake is van een bepaling van materieel recht die de betrokkene in de concrete situatie rechten verleent waarop hij zich voor de rechter kan beroepen.50.
100.
Dit betekent niet alleen dat de situatie in kwestie binnen de werkingssfeer van het Handvest moet vallen — anders zou het Handvest in zijn geheel niet van toepassing zijn — maar ook dat de specifieke betrokkene een concreet recht of een concrete vrijheid moet hebben die door het Unierecht wordt beschermd.51.
101.
In de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten DI, Bauer en Willmeroth, en Cresco Investigation52., is deze vraag niet aan de orde gekomen, aangezien de verzoekers materiële rechten ontleenden aan de artikelen 21 en 31 van het Handvest, die in de overeenkomstige richtlijnen zijn gespecificeerd, en artikel 47 van het Handvest niet werd ingeroepen. Daarnaast merk ik op dat er beperkingen kunnen worden gesteld aan de uitoefening van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dat is verankerd in artikel 47 van het Handvest.53.
102.
In de onderhavige zaak is niet voldaan aan de in de voorgaande punten genoemde voorwaarde, aangezien de werknemer aan de raamovereenkomst geen recht jegens de werkgever ontleent, en een dergelijk recht evenmin kan ontlenen aan artikel 20 of artikel 21 van het Handvest.
IV. Conclusie
103.
In het licht van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Sąd Rejonowy dla Krakowa — Nowej Huty w Krakowie te beantwoorden als volgt:
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij niet in de weg staan aan een nationale regeling die slechts in het geval van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd voorziet in de verplichting van de werkgever om de beslissing tot opzegging van een arbeidsovereenkomst schriftelijk te motiveren, mits de nationale rechter vaststelt, indien hij van oordeel is dat een Unierechtconforme uitlegging van de nationale bepalingen mogelijk is, dat rechterlijke toetsing van de gegrondheid van de redenen voor de opzegging van overeenkomsten voor bepaalde tijd wordt gewaarborgd en dat de werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan rekenen op effectieve rechterlijke bescherming in het licht van de bovengenoemde criteria.
Clausule 4 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kan niet door partijen worden ingeroepen in een geschil tussen particulieren.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 30‑03‑2023
Oorspronkelijke taal: Italiaans.
Richtlijn van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB 1999, L 175, blz. 43) (hierna ‘richtlijn 1999/70’).
Ingevolge artikel 30, lid 4, van het Poolse arbeidswetboek is de werkgever namelijk alleen in het geval van overeenkomsten voor onbepaalde tijd verplicht om de redenen voor het ontslag op te geven.
Aangezien de bepalingen van het arbeidswetboek met betrekking tot de verplichting om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te motiveren onderscheid maakten tussen werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, kon het ontbreken van de motivering van het betrokken ontslag geen discriminatie inhouden.
De sociaal-economische functie van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is doorgaans een oplossing te bieden voor tijdelijke situaties, zoals de verwezenlijking van een louter occasioneel project van het bedrijf of de vervanging van een andere werknemer wegens ziekte of zwangerschapsverlof.
Zie arresten van 5 juni 2018, Grupo Norte Facility (C-574/16, EU:C:2018:390, punt 41), en 25 juli 2018, Etablissements Fr. Colruyt (C-96/17, EU:C:2018:603, punt 27).
Zie arrest van 5 juni 2018, Grupo Norte Facility, (C-574/16, EU:C:2018:390, punten 42, 44 en 45).
Zie arrest van 5 juni 2018, Grupo Norte Facility, (C-574/16, EU:C:2018:390, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arresten van 17 april 1997, EARL de Kerlast (C-15/95, EU:C:1997:196, punt 35); 13 april 2000, Karlsson e.a. (C-292/97, EU:C:2000:202, punt 39); 6 maart 2003, Niemann (C-14/01, EU:C:2003:128, punt 49); 30 maart 2006, Spanje/Raad (C-87/03 en C-100/03, EU:C:2006:207, punt 48); 11 juli 2006, Franz Egenberger (C-313/04, EU:C:2006:454, punt 33); 20 december 2017, Vega González (C-158/16, EU:C:2017:1014, punt 42); 5 juni 2018, Grupo Norte Facility (C-574/16, EU:C:2018:390, punt 46), en 5 juni 2018, Montero Mateos (C-677/16, EU:C:2018:393, punt 49).
Arrest van 18 oktober 2012, Valenza (C-302/11-C-305/11, EU:C:2012:646, punt 40).
Volgens vaste rechtspraak moet, om te beoordelen of de betrokken personen hetzelfde of soortgelijk werk in de zin van de raamovereenkomst verrichten, overeenkomstig clausule 3, punt 2, en clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst worden onderzocht of deze personen, gelet op een reeks van factoren, zoals de aard van het werk, de opleidingsvereisten en de arbeidsomstandigheden, kunnen worden geacht zich in een vergelijkbare situatie te bevinden, zie beschikking van 18 mei 2022, Ministero dell'istruzione (Elektronische kaart) (C-450/21, niet gepubliceerd, EU:C:2022:411, punt 41).
Verwijzingsbeslissing, punt 34.
Opmerkingen van de Republiek Polen, punt 31.
Proces-verbaal van de terechtzitting, blz. 2 en schriftelijke opmerkingen, punt 23.
Opmerkingen van de Republiek Polen, punt 25.
Schriftelijke opmerkingen, punt 32; ook al komt de Commissie in haar antwoord op de vragen vervolgens tot de slotsom dat de nationale regeling niet in overeenstemming is met het Unierecht.
Deze gegevens kunnen met name voortvloeien uit de bijzondere aard van de taken waarvoor overeenkomsten voor bepaalde tijd zijn gesloten en uit de daaraan inherente kenmerken, of eventueel uit het nastreven van een legitieme doelstelling van sociaal beleid van een lidstaat; zie beschikkingen van 18 mei 2022, Ministero dell'istruzione (Elektronische kaart) (C-450/21, niet gepubliceerd, EU:C:2022:411, punt 45), en 22 maart 2018, Centeno Meléndez (C-315/17, niet gepubliceerd EU:C:2018:207, punt 65).
Zie beschikking van 22 maart 2018, Centeno Meléndez (C-315/17, niet gepubliceerd, EU:C:2018:207, punt 62).
Zie de opmerkingen van de Commissie, punt 25, waar het volgende wordt opgemerkt: ‘Een verschil in behandeling ter zake van de arbeidsvoorwaarden tussen werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en werknemers in vaste dienst kan […] niet worden gerechtvaardigd door een criterium dat algemeen en abstract gebaseerd is op de duur zelf van het dienstverband. Zou worden aanvaard dat de tijdelijke aard van een arbeidsverhouding op zichzelf een dergelijk verschil kan rechtvaardigen, dan zouden de doelstellingen van richtlijn 1999/70 en van de raamovereenkomst elke betekenis verliezen. De toepassing van een dergelijk criterium zou de kwaliteit van de arbeid voor bepaalde tijd niet verbeteren en evenmin de door richtlijn 1999/70 en de raamovereenkomst nagestreefde gelijkheid van behandeling bevorderen, maar integendeel neerkomen op de bestendiging van een voor de werknemers in tijdelijke dienst ongunstige situatie (beschikking van 9 februari 2012, Lorenzo Martínez, C-556/11, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Opmerkingen van de Republiek Polen, punt 10.
Zie arresten van 24 juni 2019, Popławski (C-573/17, EU:C:2019:530, punten 53, 54 en 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin (C-261/20, EU:C:2022:33, punten 25 en 26).
Zie arresten van 15 januari 2014, Association de médiation sociale (C-176/12, EU:C:2014:2, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 4 juni 2015, Faber (C-497/13, EU:C:2015:357, punt 33).
Zie in die zin arresten van 15 januari 2014, Association de médiation sociale (C-176/12, EU:C:2014:2, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 13 december 2018, Hein (C-385/17, EU:C:2018:1018, punt 51).
Zie in die zin arrest van 24 juni 2019, Popławski (C-573/17, EU:C:2019:530, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 24 juni 2019, Popławski (C-573/17, EU:C:2019:530, punt 59).
Zie arresten van 9 november 1995, Francovich (C-479/93, EU:C:1995:372, punt 11); 11 juli 2002, Marks & Spencer (C-62/00, EU:C:2002:435, punt 25), en 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a. (C-397/01—C-403/01, EU:C:2004:584, punt 103).
Zie arresten van 26 februari 1986, Marshall (152/84, EU:C:1986:84, punt 48); 14 juli 1994, Faccini Dori (C-91/92, EU:C:1994:292, punt 20); 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a. (C-397/01—C-403/01, EU:C:2004:584, punten 108 en 109); 24 januari 2012, Dominguez (C-282/10, EU:C:2012:33, punt 42); 15 januari 2014, Association de médiation sociale (C-176/12, EU:C:2014:2, punt 36), en 7 augustus 2018, Smith (C-122/17, EU:C:2018:631, punt 43).
Zie arresten van 24 juni 2019, Popławski (C-573/17, EU:C:2019:530), en 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin (C-261/20, EU:C:2022:33, punten 31–33).
Zie arrest van 15 april 2008, Impact (C-268/06, EU:C:2008:223, punt 68).
Zie arresten van 17 april 2018, Egenberger (C-414/16, EU:C:2018:257); 6 november 2018, Max-Planck-Gesellschaft zur Förderung der Wissenschaften (C-684/16, EU:C:2018:874); 22 januari 2019, Cresco Investigation (C-193/17, EU:C:2019:43), en 19 april 2016, DI (C-441/14, EU:C:2016:278).
Zie arresten van 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en Raad (C-156/21, EU:C:2022:97, punten 137 en 232), en 16 februari 2022, Polen/Parlement en Raad (C-157/21, EU:C:2022:98, punten 145 en 264).
Zie arrest van 15 juli 2021, Duitsland/Commissie (C-848/19 P, EU:C:2021:598, punten 43, 45 en 49).
Zie arresten van l1 juli 2006, Chacón Navas (C-13/05, EU:C:2006:456, punt 56); 17 juli 2008, Coleman (C-303/06, EU:C:2008:415, punt 46); 7 juli 2011, Agafiţei e.a. (C-310/10, EU:C:2011:467), en 9 maart 2017, Milkova (C-406/15, EU:C:2017:1989).
EHRM, 12 mei 2015, Identoba e.a. tegen Georgië, CE:ECHR:2015:0512JUD007323512, § 96.
EHRM, 26 februari 2002, Fretté tegen Frankrijk, CE:ECHR:2002:0226JUD003651597, § 32.
EHRM, 30 april 2009, Glor tegen Zwitserland, CE:ECHR:2009:0430JUD001344404, EHRM, 22 maart 2016, Guberina tegen Kroatië, CE:ECHR:2016:0322JUD002368213.
EHRM, 10 juni 2010, Schwizgebel tegen Zwitserland, CE:ECHR:2010:0610JUD002576207.
Zie arrest van 13 juni 2017, Florescu e.a. (C-258/14, EU:C:2017:448, punt 63).
Zie arrest van 25 juli 2018, Vernaza Ayovi (C-96/17, EU:C:2018:603, punt 20).
Zie arrest van 15 januari 2014, Association de médiation sociale, C-176/12, EU:C:2014:2, punt 45 en 49).
Arrest van 6 november 2018, Max-Planck-Gesellschaft zur Förderung der Wissenschaften (C-684/16, EU:C:2018:874, punt 79).
Zie arrest van 16 september 2010, Chatzi (C-149/10, EU:C:2010:534, punten 68 en 71).
Zie de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Bartsch (C-427/06, EU:C:2008:297, punt 44).
Artikel 30 van het Handvest verleent iedere werknemer ‘overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken recht op bescherming tegen iedere vorm van kennelijk onredelijk ontslag’.
Zie arrest van 15 januari 2014, Association de médiation sociale (C-176/12, EU:C:2014:2, punt 42).
Zie arrest van 15 januari 2014, Association de médiation sociale (C-176/12, EU:C:2014:2, punt 48).
Zie arrest van 17 april 2018 (C-414/16, EU:C:2018:257, punten 75–77).
Zie arrest van 1°augustus 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Afwijzing van het verzoek tot overname van een niet-begeleide Egyptische minderjarige) (C-19/21, EU:C:2022:605, punt 50).
Zie arrest van 1°augustus 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Afwijzing van het verzoek tot overname van een niet-begeleide Egyptische minderjarige) (C-19/21, EU:C:2022:605, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arresten van 19 april 2016, DI (C-441/14, EU:C:2016:278); 6 november 2018, Bauer en Willmeroth (C-569/16 en C-570/16, EU:C:2018:871), en 22 januari 2019, Cresco Investigation (C-193/17, EU:C:2019:43).
Zie arrest van 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken) (C-245/19 en C-246/19, EU:C:2020:795, punt 62).