Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.1.6:6.3.1.6 Slotsom
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/6.3.1.6
6.3.1.6 Slotsom
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS500360:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf zijn diverse aspecten van art. 29 lid 7 Wet OB 1968 aan bod gekomen. Ik heb betoogd dat wat betreft het begrip ‘niet-betaling’ aansluiting moet worden gezocht bij de betekenis ervan onder art. 29 lid 1 Wet OB 1968. Verder heb ik mij voorstander verklaard van een materiële benadering van de verplichting tot herziening. Dit houdt onder meer in dat een ondernemer die aanvankelijk feitelijk geen btw-aftrek heeft genoten, maar daar wel recht op had, naar mijn idee wel door de regeling moet worden geraakt (hetgeen een mogelijk verzoek tot ambtshalve teruggaaf evenwel ongemoeid laat). Ten onrechte gefactureerde btw valt niet onder de reikwijdte van de regeling. Ik ben van oordeel dat de regeling, behoudens het gemis van een materiële benadering, in overeenstemming is met het Unierecht en (conceptueel) meer dan voldoende recht doet aan het rechtskarakter van de btw.