Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/IX.2.1
IX.2.1 Inleiding
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178813:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 3 juni 2016, NJ 2016/357, m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2016/233, m.nt. Van Vught (IMG), rov. 4.1.2.
HR 8 november 1991, NJ 1992/174, m.nt. Maeijer (Nimox), rov. 3.3.1.
Overigens had de curator de vernietiging van het dividendbesluit wel gevorderd, maar hij was daarin niet-ontvankelijk verklaard nu hij via de (gelijktijdige) onrechtmatigedaadsactie reeds bereikte dat Autitrade de schade moest vergoeden die de gezamenlijke schuldeisers hadden geleden.
Zie over samenloop uitvoeriger § X.2.3.
Zie o.m. HR 28 juni 1957, NJ 1957/514, m.nt. Rutten (Erba/Amsterdamsche Bank), HR 6 maart 1959, NJ 1959/349, m.nt. Hijmans van den Bergh (Bertha/Revenir), HR 15 november 2002, NJ 2003/48, m.nt. Vranken (AVO/Petri), rov. 3.7.2 en HR 19 januari 2007, NJ 2007/62, rov. 4.2, waarover Brunner 1984, p. 13-14, Boukema 1992/7, Janssen 2007, p. 4-10, Houben 2007, p. 27 e.v., Bakels 2009, p. 342, Bennaars 2015, p. 98-103 en Castermans & Krans 2019/31.
Zie Boukema 1992/7 en 10 alsmede Houben 2007, p. 30-31.
Als gezegd overweegt de Hoge Raad in IMG dat het verstrijken van de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW een vordering uit onrechtmatige daad niet uitsluit. De vordering tot vernietiging beoogt het besluit aan te tasten, terwijl die uit onrechtmatige daad zich richt op ‘vergoeding van de schade die de eiser lijdt door de handeling waartoe is besloten’. De beoogde rechtsgevolgen lopen dus uiteen. Dit betekent, aldus de Hoge Raad, dat het verlopen van de termijn van art. 2:15 lid 5 BW slechts de rechtsvordering tot vernietiging van het besluit treft. Dat NVT – het getroffen lid – zich tardief op de ongeldigheid van het opzeggingsbesluit heeft beroepen, laat onverlet dat IMG – de vereniging – de uit de opzegging ontstane schade moet vergoeden.1
Alvorens het IMG-arrest uit te diepen, is het zinvol stil te staan bij hetgeen de Hoge Raad eerder in het bekende Nimox-arrest heeft overwogen:
‘Ook indien van de geldigheid van het besluit als zodanig moet worden uitgegaan bij gebreke van vernietiging bij rechterlijk vonnis op de voet van [art. 2:15 BW], volgt hieruit niet dat uitvoering van het besluit tegenover derden zoals schuldeisers van de vennootschap niet onrechtmatig kan zijn, noch dat het door uitoefening van het stemrecht bewerkstelligen van de totstandkoming van het besluit tegenover derden niet onrechtmatig kan zijn. [onderstr. KvV]’2
Al eerder oordeelde de Hoge Raad dus dat een actie uit onrechtmatige daad openstaat wanneer die zich richt tegen een besluit dat geldig is omdat het niet is vernietigd. Het verschil met IMG is dat het in Nimox om een derde ging. De curator van Nimox ageerde namens de gezamenlijke schuldeisers tegen Auditrade, die als enig aandeelhouder enkele maanden voorafgaand aan faillissement had besloten alle reserves aan zichzelf uit te keren. In zo’n geval ligt het voor de hand dat een actie uit onrechtmatige daad mogelijk blijft ook al is het (beweerdelijk) onrechtmatige besluit niet vernietigd. Het kan een derde immers niet worden verweten dat hij heeft nagelaten de vernietiging van het besluit te vorderen. Voor zover hij dat al kan, hoeft de derde geen vernietigingsactie in te stellen nu de besluitvorming in een rechtspersoon een interne kwestie is die hem niet aangaat.3 Gezien de hierboven onderstreepte zinsneden ziet Nimox slechts op derden, zoals schuldeisers van de vennootschap. In IMG geeft de Hoge Raad voor ‘insiders’ dezelfde regel. Als verenigingslid was NVT geen derde.
Terug naar het IMG-arrest. Is de daarin gegeven beslissing systematisch juist? In wezen gaat het hier om samenloop.4 Op eenzelfde rechtsfeit komen twee regels voor toepassing in aanmerking. Cumulatie is dan het uitgangspunt: beide regels gelden naast elkaar. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komt een regel slechts exclusieve werking toe waar de wet dit voorschrijft of ‘onvermijdelijk meebrengt’.5 Naar dit strenge criterium is exclusiviteit alleen dan aan de orde, indien zij volgt uit de wet, de parlementaire geschiedenis of de strekking van de desbetreffende regel. Het ‘onvermijdelijk meebrengen’ houdt in dat met de bijzondere regel beoogd moet zijn een en ander uitputtend te regelen. Ook kan een bijzondere regel ertoe strekken aan een rechtsfeit beperktere rechtsgevolgen te verbinden dan de meer algemene regel doet, met als doel in dat speciale geval minder rechten toe te kennen.6 Het criterium is vaag, maar maakt wel duidelijk dat van exclusiviteit niet licht sprake is.
De formele samenloop tussen art. 2:15 BW en art. 6:162 BW kan langs twee wegen worden benaderd, namelijk vanuit de termijn die gegeven is om de vordering in te stellen (§ 2.2) en vanuit de mogelijkheid om de rechtsvordering in te stellen als zodanig (§ 2.3).