Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.3.4.2
5.3.4.2 Wijze waarop de informatie dient te worden verstrekt
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972012:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hof Amsterdam (OK) 13 maart 2020, ARO 2020/87 (Brouwer Bloembollen), r.o. 3.10. Deze overweging heeft betrekking op een beheerder van aandelen, maar dat acht ik niet relevant voor de hieruit af te leiden rechtsregel.
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 26 mei 1983, NJ 1984/481 m.nt. J.M.M. Maeijer (Linders/Hofstee): “In een geval als het onderhavige waarin de ondernemingsleiding voor de voorgenomen transactie – zij het onverplicht – de goedkeuring heeft willen verkrijgen van de algemene vergadering van aandeelhouders, dient aan aandeelhouders tijdig die informatie te worden verstrekt die zij redelijkerwijs voor het vormen van een verantwoord oordeel over die transactie nodig hebben. Dit kan met zich brengen dat de te verstrekken informatie niet slechts mondeling doch ook schriftelijk wordt gegeven. De redelijkheid en billijkheid die ten aanzien van aandeelhouders in acht moet worden genomen kan daartoe verplichten.” (onderstr. PH)
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 13 maart 2020, ARO 2020/87 (Brouwer Bloembollen), r.o. 3.10.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 15 oktober 2021, ARO 2021/180 (Veldman Beheer), r.o. 4.13, al lijkt hier niet te worden ingegaan op de positie van de STAK als zodanig.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I), r.o. 3.7: “Gelet op de vennootschappelijke structuur die hierboven is geschetst dient [het verstrekken van de relevante informatie – PH] in ieder geval te gebeuren binnen STAK, door het juist, tijdig en volledig informeren van [de onafhankelijk bestuurder van de STAK – PH] door de andere bestuursleden, maar is het daartoe niet beperkt.”; en Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.6, waarin wordt gesproken over “de informatieverstrekking aan STAK c.q. de certificaathouders”.
Zie Hof Amsterdam (OK) 13 maart 2020, ARO 2020/87 (Brouwer Bloembollen), r.o. 3.10.
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 27 februari 2020, JOR 2020/203 (Fuelplants), r.o. 3.15 onder (a); de noot van Schmieman bij Hof Amsterdam (OK) 28 februari 2007, JOR 2007/141 (Dialoc), onder 7; en Hof Amsterdam (OK) 26 mei 1983, NJ 1984/481 m.nt. J.M.M. Maeijer (Linders/Hofstee).
De Ondernemingskamer stelt centraal dat de aandeelhouder in staat moet worden gesteld om een behoorlijk beeld te vormen over de gang van zaken of de aangelegenheid waarop het informatierecht ziet.1 Dat kan met zich meebrengen dat informatie op schrift beschikbaar wordt gesteld,2 zoveel mogelijk in kopie of digitaal.3 Hieruit blijkt wederom de pragmatische opstelling van de Ondernemingskamer, waarmee onnodige obstructie wordt voorkomen.
Indien de aandelen zijn gecertificeerd zal de vraag rijzen aan wie de informatie dient te worden verstrekt: is dat de STAK of de achterliggende certificaathouder? In de rechtspraak lijkt veelal te worden verwezen naar de certificaathouder als informatiegerechtigde,4 of lijkt dit in het midden te worden gelaten.5 Ik meen dat een pragmatische benadering hier op zijn plaats is. Denkbaar is bijvoorbeeld dat de vennootschapsleiding de informatieverstrekking zoveel mogelijk via de STAK zal willen kanaliseren met het verzoek om onnodige logistieke belasting te voorkomen. Zij zal zich daarin echter niet te formalistisch mogen opstellen en dient ook open te staan voor bilateraal contact met certificaathouders.
Dan de timing van de informatieverstrekking. Ook dit wordt bepaald door de redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de omstandigheden van het geval.6 Informatie moet in ieder geval ‘tijdig’ worden verstrekt,7 waarbij de aandeelhouder – indien mogelijk – de tijd moet worden gegund om op behoorlijke wijze kennis te kunnen nemen van die informatie. Hoewel de zorgplicht uit Zwagerman niet strekt tot een consultatieplicht of goedkeuringsrecht, kunnen zich omstandigheden voordoen die nopen tot voorafgaande informatieverstrekking. Aangezien het informatierecht buiten vergadering (mede) dient om de belangen van de betrokken aandeelhouders te beschermen, zal het veelal voor de hand liggen dat zij zoveel mogelijk van tevoren worden geïnformeerd. Op die manier worden zij in staat gesteld tijdig voor hun belangen op te komen. De vennootschapsleiding zal er over het algemeen verstandig aan doen om niet onnodig te wachten met het verstrekken van informatie aan haar aandeelhouders.