Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/6.3.3.1
6.3.3.1 Criteria-based content analysis
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Vrij 2008, p. 209.
Rassin & Van Koppen 2010, p. 601.
Vrij 2008, p. 204 e.v.
Deze criteria zijn in Engels geformuleerd door Steller & Köhnken 1989, p. 221. De bovenstaande vertaling is gebaseerd op Rassin & Van Koppen 2010, p. 597 en Verschuere, Meijer & Vrij 2010, p. 711.
Vrij 2008, p. 209-212.
Vrij 2005, p. 15-16 en Vrij 2008, p. 228 e.v. Uit het onderzoek van Vrij uit 2008 blijkt dat 80% van de studies de hypothese ondersteunt dat in ware verklaringen meer CBCA-kenmerken aanwezig zijn dan in verklaringen die niet berusten op echte verklaringen. In onderzoek uit 2005 kwam dat percentage nog uit op 92%.
Deze methode is vanuit de praktijk ontwikkeld, vandaar dat deze criteria er wel bij staan.
Vrij 2005, p. 16.
Vrij 2005, p. 15-16 en Vrij 2008, p. 228 e.v.
Vrij 2008, p. 229.
Zie het overzicht in Vrij 2008, p. 258-259.
Vrij 2008, p. 222.
Köhnken 2004, p. 48-49.
Zie tabel 8.3 in Vrij 2008, p. 233-234.
Van Koppen & Rassin 2010, p. 601.
Griesel & Yuille 2007, p. 360.
Blandón-Gitlin e.a. 2009, p. 904.
Blandón-Gitlin e.a. 2009, p. 917.
Rassin 1999, p. 273. De validity checklist voorziet hier deels in, maar zoals hierna nog duidelijk zal worden wordt deze niet altijd toegepast en behelst die geen gestandaardiseerd instrument.
Rassin & Van Koppen 2010, p. 601.
Vrij 2008, p. 241 e.v.
Rassin 1999, p. 274, Verschuere, Meijer & Vrij 2010, p. 712 en Vrij 2008, p. 232. Voorstanders van een dergelijk formeel scoringssysteem zijn Verschuere, Meijer & Vrij 2010 (p. 712-713). Er worden echter ook kanttekeningen geplaatst bij het gebruiken van algemene beslisregels. Zie Vrij 2008, p. 232. Zie voor het gebruik van beslissingsregels ook Griesel & Yuille 2007, p. 359.
Verschuere, Meijer & Vrij 2010, p. 713.
Verschuere, Meijer & Vrij 2010, p. 716.
Vrij 2008, p. 236-239.
Griesel & Yuille 2007, p. 359.
Een methode om de geloofwaardigheid van verklaringen in kaart te brengen is de criteria-based content analysis (hierna: CBCA). Deze methode is gebaseerd op de eerdergenoemde Undeutsch-hypothese die veronderstelt dat verklaringen over echte ervaringen qua inhoud verschillen van verklaringen die zijn ingebeeld, verzonnen of door een ander geïnstrueerd.1 De CBCA is gericht op het onderscheiden van waarachtige en verzonnen verklaringen. Het waarheidsgehalte van een getuigenverklaring wordt geanalyseerd aan de hand van negentien criteria. Het uitgangspunt is dat hoe meer kenmerken in de verklaring aanwezig zijn, hoe meer geloof kan worden gehecht aan de inhoud van de verklaring. Hoewel de CBCA is ontwikkeld ten behoeve van het analyseren van de verklaringen van jeugdige zedenslachtoffers, wordt deze methode ook wel toegepast bij andersoortige delicten en op verklaringen van volwassenen en dat laatste is – zoals hierna duidelijk zal worden – een kritiekpunt.2
De CBCA maakt onderdeel uit van de statement validity assessment (SVA). Deze methode omvat tevens een dossieranalyse en een validity checklist. De dossieranalyse is gericht op het verkrijgen van inzicht in de zaak tegen de verdachte door analyse van de verklaring en de belangrijkste punten daarin. Met behulp van de validity checklist kunnen de resultaten van de CBCA nader worden geanalyseerd. Er wordt dan gekeken naar de kwaliteit van het afgenomen verhoor, bepaalde persoonlijkheidskenmerken van de getuige (bijvoorbeeld suggestibiliteit), mogelijke drijfveren om een valse verklaring af te leggen en de specifieke omstandigheden van de zaak (zoals de mate waarin de geanalyseerde verklaring overeenkomt met het overige beschikbare bewijsmateriaal).3 Het accent ligt in deze paragraaf op de CBCA en de resultaten die met de toepassing daarvan in de forensische context kunnen worden behaald.
Criteria van de CBCA
In de CBCA worden de verklaringen geanalyseerd aan de hand van negentien kenmerken, die zijn onderverdeeld in een viertal categorieën. Verklaringen die berusten op echte ervaringen zouden veel van deze kenmerken bevatten, terwijl deze niet in dezelfde mate kunnen worden aangetroffen in verklaringen die door de getuige zijn verzonnen of die door een ander zijn geïnstrueerd. In onderstaande kenmerken zien we overeenkomsten met de eerder genoemde hoofdcategorieën.
Algemene kenmerken
Logische structuur
Ongestructureerde, spontane reproductie
Vermelding van een groot aantal relevante details
Specifieke inhoud
Inbedding in ruimere context
Beschrijving van non-verbale interacties
Beschrijving van verbale interacties
Vermelding van onverwachte complicaties
Beschrijving van ongewone details
Beschrijving van niet-relevante details
Beschrijving van accurate, maar niet begrepen details
Verwijzing naar relevante, maar externe gebeurtenissen
Verwijzing naar de eigen mentale toestand
Verwijzing naar de mentale toestand van de dader
Motivatie-gerelateerde inhoud
Spontane correcties
Toegeven bepaalde dingen niet meer te herinneren
Uiten van twijfel aan de eigen verklaring
Zichzelf beschuldigen of zelfafkeuring
Rechtvaardigen van de dader
Elementen van het misdrijf
Vermelding van details die kenmerkend zijn voor het misdrijf.4
Het aantreffen van een criterium draagt bij aan de geloofwaardigheid van de verklaring. Hoe meer criteria worden aangetroffen hoe geloofwaardiger de verklaring wordt bevonden.
De criteria zijn onderverdeeld in vier categorieën. De eerste categorie betreft de verklaring als geheel. Ware verklaringen zouden logisch zijn, dat wil zeggen coherent en geen contradicties bevatten, niet op chronologische wijze worden verteld en een rijkdom aan details bevatten. De tweede categorie behelst een nadere specificatie van het algemene criterium van de hoeveelheid details.
De premisse die aan deze en de voorgaande categorie ten grondslag ligt, is dat bepaalde details te lastig zijn om te verzinnen. Waarachtige verklaringen zouden eerder details bevatten omtrent de inhoud van gevoerde gesprekken en details omtrent tijd en plaats zouden vaker zijn gerelateerd aan de dagelijkse routine van de verklarende persoon. Waarheidsgetrouwe verklaringen zouden ook meer ongebruikelijke details bevatten. De derde categorie heeft betrekking op de wijze waarop de verklarende persoon zijn verhaal presenteert en is gerelateerd aan de beweegredenen van de verklarende persoon. De veronderstelling is dat oprechte personen minder bezig zijn om hun verklaring geloofwaardig te doen overkomen en dat hun verklaringen om die reden andere kenmerken bevatten dan verklaringen afgelegd door personen die trachten de ander te misleiden. Zo zou een oprecht persoon eerder twijfel uiten over zijn eigen verklaring dan iemand die de ander wat op de mouw probeert te spelden.5 De vierde categorie richt zich op elementen die kenmerkend zijn voor het misdrijf. De criteria 1 tot en met 13 en 19 worden wel aangeduid als de cognitieve factoren ter onderscheiding van de in criteria 14 tot en met 18 opgenomen motivatiegerelateerde factoren.
Er is veel onderzoek verricht naar de validiteit van de CBCA: in hoeverre kunnen waarheidsgetrouwe verklaringen daadwerkelijk aan de hand van deze criteria worden onderscheiden van verzonnen verklaringen? Een meta-analyse van deze studies laat zien dat verklaringen die zijn gebaseerd op echte ervaringen inderdaad hoger scoren op de CBCA dan verzonnen verklaringen.6 In diezelfde meta-analyse is gekeken hoeveel empirische steun bestaat voor de afzonderlijke criteria uit de CBCA. Daaruit blijkt dat bepaalde criteria een sterkere indicator opleveren dan andere. Over het algemeen genomen geldt dat er meer steun bestaat voor de zogeheten cognitieve criteria (criteria 1 tot en met 13 en 19) dan voor de motivatiegerelateerde criteria (criteria 14 tot en met 18). Meer concreet is de vermelding van een groot aantal relevante details (criterium 3) het kenmerk dat het meest terugkomt in de verschillende studies. De verklaringen van mensen die de waarheid vertellen, bevatten significant meer details dan de verklaringen van personen die liegen. Een stevige basis in de empirie hebben voorts de criteria van de ongestructureerde productie (criterium 2), de inbedding in een ruimere context (criterium 4) en de vermelding van verbale interactie (criterium 6). Dit zijn de criteria met de hoogste validiteit of sensitiviteit. De CBCA bevat tevens criteria waarvoor niet of nauwelijks empirische ondersteuning kan worden gevonden.7 Dit is het geval voor de beschrijving van accurate maar niet begrepen details (criterium 10) en het uiten van twijfel aan de eigen verklaring (criterium 16). Vrij geeft hiervoor als mogelijke verklaring dat deze kenmerken vaak helemaal niet aanwezig zijn in verklaringen (en de mate waarin zij discrimineren tussen ware en verzonnen verklaringen derhalve niet goed valt vast te stellen).8 Ten aanzien van het criterium zelfafkeuring (criterium 17) is geconstateerd dat dit minder vaak voorkomt in verklaringen gebaseerd op waargebeurde ervaringen en derhalve niet kan fungeren als indicator voor geloofwaardigheid.9
Geconstateerd kan worden dat de gedetailleerdheid van de verklaring een belangrijk aanknopingspunt is om vast te stellen of een getuige al dan niet de waarheid spreekt. Vrij merkt hierbij echter op dat het niet zozeer gaat om de hoeveelheid details als wel om de kwaliteit ervan.10 Personen die worden geïnstrueerd om te liegen kunnen een gedetailleerde verklaring afleggen, maar hun verklaringen bevatten minder vaak details met betrekking tot de context, gevoerde gesprekken of ongewone details.11
Toepassing op andersoortige verklaringen
CBCA is ontworpen met als doel op accurate wijze onderscheid te maken tussen waarachtige en verzonnen verklaringen van jeugdige zedenslachtoffers. Als gezegd wordt de methode ook wel breder toegepast. Met name over de toepassing van de methode op de verklaringen van volwassenen bestaat nog discussie.12 Dit komt mede doordat een duidelijke theoretische grondslag ontbreekt. Er zijn auteurs die het ‘succes’ van de CBCA bij kinderen verklaren vanuit de cognitieve en motivatiegerelateerde factoren.13 Kinderen zouden niet in staat zijn bepaalde details te verzinnen en hun best doen om hun verklaringen echt te laten overkomen (en daarmee ten prooi vallen aan het stereotype beeld van hoe zij denken dat een oprechte verklaring eruit zou moeten zien). De vraag is of deze cognitieve en motivatiegerelateerde factoren ook gelden voor de verklaringen van volwassenen, die over betere cognitieve capaciteiten beschikken en misschien beter weten hoe zij hun verklaring geloofwaardig kunnen doen overkomen. Er is echter onderzoek dat erop duidt dat de CBCA ook bij volwassenen discrimineert tussen waarachtige en verzonnen of gelogen verklaringen.14 Maar niet alle criteria lijken voor volwassenen even relevant te zijn.15
Een ander punt is in hoeverre het aan de hand van deze methode mogelijk is om onderscheid te maken tussen ware verklaringen en ingebeelde verklaringen. De motivatiegerelateerde criteria lijken in dit verband niet bruikbaar, omdat het juist gaat om personen die in alle oprechtheid een onjuiste verklaring afleggen.16 Vanuit cognitief aspect bestaat wel de verwachting dat er verschillen optreden. Echte herinneringen worden opgeslagen in een uitgebreid netwerk van informatie dat ook een grote kwantiteit aan zintuiglijke details en contextuele informatie bevat. Herinneringen aan echte gebeurtenissen zouden daarom meer echt, gedetailleerd en levendig lijken. Echter, ook bij het construeren van een pseudoherinnering treedt verbinding op van de ingebeelde gebeurtenis aan schema’s of soortgelijke gebeurtenissen in het geheugen. Informatie gebaseerd op echte waarnemingen kan dan worden gecombineerd met ingebeelde informatie. Dit kan ook herinneringen opleveren die rijk zijn aan details, overtuigend zijn en echt lijken.17 De vraag is dus of het zin heeft om de CBCA in dit verband in te zetten. Uit studie van Blandón- Gilin en collega’s onder rechters komt naar voren dat de algemene criteria uit de eerste categorie het beste discrimineren tussen ware en ingebeelde verklaringen. Ware verklaringen worden door de rechters die hebben deelgenomen aan het onderzoek beoordeeld als logischer en meer coherent, terwijl zij ook meer detail zouden bevatten. De criteria uit de tweede categorie hadden echter weinig onderscheidende waarde. De onderzoekers stellen vast dat de verklaringen van personen die in hun studie zeer levendige herinneringen ontwikkelden aan gesuggereerde gebeurtenissen, niet met behulp van de CBCA konden worden onderscheiden van waarachtig verklaringen. Hun verklaringen zullen waarschijnlijk eerder echt lijken en dus als waar worden geclassificeerd naar de standaarden van de CBCA.18
Kritiek op de CBCA
De CBCA is ontwikkeld in Duitsland en wordt thans in veel verschillende landen toegepast door het inroepen van deskundigen. Vanuit de literatuur zijn echter de nodige kanttekeningen geplaatst bij de forensische toepassing van deze methode. Er is nog een veelheid aan theoretische en empirische vragen die tot dusver onbeantwoord is gebleven. Een van de belangrijkste punten betreft de validiteit van de methode. Onderzoek naar kenmerken van getuigenverklaringen aan de hand van toepassing van de CBCA-methode laat weliswaar verschillen zien tussen waarachtige verklaringen en onwaarachtige verklaringen, maar de diagnostische waarde van deze methode in individuele gevallen is zeer bescheiden. Hier doet zich hetzelfde probleem voor als met de poppenspel-methode zoals beschreven in § 5.3.3. De methode levert relatief veel fout-positieve oordelen op, wat betekent dat verklaringen ten onrechte als geloofwaardig kunnen worden aangemerkt. Dit is onder meer het gevolg van de truth bias die aan deze methode kleeft. Binnen de CBCA wordt namelijk uitsluitend gezocht naar kenmerken die erop duiden dat de verklaring naar waarheid is afgelegd. Nu de methode vooral wordt toegepast op verklaringen van vermeende zedenslachtoffers, behelst het primair een zoektocht naar bewijs dat de verdachte schuldig is. Rassin heeft betoogd dat dit wetenschappelijk geen valide strategie is. Immers, om de geloofwaardigheid goed te beoordelen dient echter niet alleen te worden gezocht naar confirmatie van de beschuldigingen van het slachtoffer aan het adres van verdachte, maar moet ook worden gekeken naar falsificerende informatie, dat wil zeggen alternatieve verklaringen voor bevindingen en signalen van bedrog.19 In principe voorziet de validity checklist daar in, maar deze twee instrumenten worden niet altijd tezamen toegepast. In de praktijk komt het geregeld voor dat deskundigen zich uitsluitend concentreren op de CBCA.20 Bovendien is ook op de validity checklist veel kritiek, omdat het geen gestandaardiseerd instrument betreft en vaak niet duidelijk is hoe de daarin genoemde factoren doorwerken op de inhoud van de verklaring.21
De toepassing van de methode wordt in individuele gevallen bemoeilijkt doordat de CBCA niet duidelijk aangeeft hoeveel en welke criteria aanwezig moeten zijn alvorens kan worden geconcludeerd dat een individuele verklaring geloofwaardig is. Met andere woorden, er bestaat geen vast scoringssysteem met bijbehorende beslisregels.22 Dit heeft consequenties voor de betrouwbaarheid en validiteit van de methode. Immers, de persoon die de methode toepast kan naar eigen inzicht beslissen hoeveel gewicht aan bepaalde criteria moet worden toegekend en of er voldoende criteria aanwezig zijn om de verklaring als geloofwaardig te bestempelen. Dit probleem doet zich niet voor in grootschalig onderzoek waarin één of slechts enkele personen de verklaringen scoren aan de hand van de kenmerken uit de CBCA.23
Een ander kritiekpunt op de CBCA is dat de behaalde scores worden beïnvloed door factoren die los staan van de waarachtigheid van de verklaring.24 De leeftijd van de gehoorde persoon is hier een voorbeeld van. Hoe ouder het kind hoe hoger de CBCA-score. Veel van de criteria zijn gecorreleerd met leeftijd. Ook de manier van interviewen is van invloed op de CBCA-score. Zo resulteert het stellen van open vragen en het doen van aanmoedigingen om te vertellen wat er is gebeurd in hogere CBCA-scores. Tot slot heeft ook coaching van de verklarende persoon invloed op de score, omdat deze daarmee in staat wordt gesteld om zich geloofwaardiger te doen overkomen.25
Al met al wordt de methode onvoldoende sterk bevonden om aan de hand daarvan in een individueel geval een veilige conclusie te trekken omtrent het waarheidsgehalte van de onderzochte verklaring. Dit heeft uiteraard consequenties voor het gebruik in de forensische context. De methode kan uitsluitend dienen als richtsnoer maar toepassing daarvan kan geen zekerheid verschaffen.26