Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/101
101 De Homo economicus en de pay-for-performancebenadering
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS371392:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Jensen & Meckling 1976, p.5.
Zie hiervoor onder meer de passage: “If a wholly-owned firm is managed by the owner, he will make operating decisions that maximize his utility. These decisions will involve not only the benefits he derives from pecuniary returns but also the utility generated by various non-pecuniary aspects of his entrepreneurial activities […].” Jensen & Meckling 1976, p. 10/11.
“Some of these reformulation attempts have rejected the fundamental principle of maximizing behavior as well as rejecting the more specific profit-maximizing model. We retain the notion of maximizing behavior on the part of all individuals in the analysis that follows.” In noot 4 verwijzen Jensen en Meckling naar een artikel van Meckling dat in hetzelfde jaar verscheen en waarin Meckling het model van de REMM reeds opvoerde, zie Meckling 1976, p. 548. Hetzelfde artikel is, enigszins aangepast, in 1994 nogmaals uitgebracht, dit keer door Jensen en Meckling samen, zie Jensen & Meckling 1994.
Jensen & Meckling 1994, p. 5.
Hierdoor is er wel sprake van voornoemde tautologie. Volgt men de lijn van Demsetz dan zal men moeten afstappen van de bredere opvatting van de Homo economicus waarbij alles onder zijn eigen belang geschaard wordt en kiezen voor de Homo economicus die streeft naar het maximaliseren van zijn persoonlijk materieel voordeel. Een daadwerkelijke keuze kan in beginsel in het midden worden gelaten als men slechts de theorie beschrijft. De keuze komt wel kijken bij de toepassing van de principaal-agenttheorie. Het feit dat men bij de principaal-agenttheorie ervan uitgaat dat er een conflict tussen principaal en agent aanwezig is, sluit overigens een geheel brede opvatting van de Homo economicus uit. Als iedere reden om te handelen uiteindelijk onder het eigen belang geschaard zou kunnen worden, dan zou de agent ook uit bijvoorbeeld plichtsbesef voor het belang van de aandeelhouder kunnen gaan, waardoor er geen sprake is van conflicterende belangen.
“Like other human beings, however, CEOs tend to engage in activities that increase their own well-being”. Jensen & Murphy 1990b, p. 4. In Performance Pay and Top Management schrijven zij: “But the CEO compares only his private gain and cost from pursuing a particular activity.” ‘Private gain and cost’ moet vermoedelijk in de brede zin worden opgevat, waarbij zowel financieel, als non-financieel voordeel/nadeel als gain/cost wordt aangemerkt. Jensen & Murphy 1990a, p. 1.
Jensen & Murphy 1990b, p. 21. In dezelfde trant: Jensen & Murphy 1990a, p. 32.
Jensen & Murphy 1990b, p. 21. In dezelfde trant: Jensen & Murphy 1990a, p. 32/33.
Jensen & Meckling 1994, p. 15.
In de Theory of the Firm, waarin de principaal-agenttheorie uiteen wordt gezet, lijken Jensen en Meckling de keuze voor een expliciet mensbeeld open te laten door slechts te stellen dat als beide partijen ‘utility maximizers’ zijn er een goede reden bestaat om te geloven dat de agent niet zal handelen in het grootste belang van de principaal.1 Uit het vervolg van het artikel blijkt echter dat Jensen en Meckling voortbouwen op de aanname dat de bestuurder een ‘utility maximizer’ is, waarbij ‘utility’ overigens niet beperkt wordt tot het materiële voordeel dat de bestuurder uit een onderneming haalt.2
Voor de hand ligt, dat Jensen en Meckling het (door henzelf bedachte) mensbeeld van het ‘Resourceful Evaluative Maximizing Model’ (hierna: REMM) voor ogen hebben, dat een uitwerking is van de brede opvatting van de Homo economicus.3
De basiselementen van het REMM bestaan uit de volgende hypothesen: het individu geeft om alles en iedereen (dus ook moraal, ethiek etc.), is in staat om te evalueren, de wensen van een individu zijn onbeperkt. Hij geeft altijd de voorkeur aan meer van een (positief) goed, dan minder en heeft nooit genoeg, ieder individu is een ‘maximizer’ en het individu is vindingrijk.4 Als men dus kijkt naar de principaal-agenttheorie zoals deze door Jensen en Meckling is geschapen, dan lijkt de brede opvatting van de Homo economicus te prevaleren.5
Het mensbeeld dat aan de pay-for-performancebenadering ten grondslag ligt, lijkt ten onrechte overeen te komen met het mensbeeld dat opgevoerd wordt in de principaal-agenttheorie. De wijze waarop het onderliggende mensbeeld wordt gebracht, is echter misleidend.
De pay-for-performancebenadering neemt aan dat bestuurders de neiging hebben om voor activiteiten te gaan die hun eigen welzijn doen toenemen.6 Afhankelijk van de persoonlijke voorkeuren van de individuele bestuurder kan hij zijn welzijn dus vergroten door een toename van zijn materiële nut (zoals inkomen) en/of zijn immateriële nut (zoals macht, status, aanzien of bijvoorbeeld het succes van de onderneming). Met dit mensbeeld wordt aangesloten bij de bredere opvatting van de Homo economicus die ook aan de principaal-agenttheorie ten grondslag ligt.
De pay-for-performancebenadering verlaat dit mensbeeld echter doordat het zich enkel richt op financiële prikkels en alle andere mogelijke niet-financiële voorkeuren van de bestuurder buiten beschouwing laat. Daarbij wordt de (positieve) werking van financiële prikkels als een vaststaand gegeven aangenomen.
Een ongebreideld vertrouwen in de werking van financiële prikkels komt voort uit het beeld van de mens die louter zijn eigen materiële nut wil maximaliseren. Immers, als de persoonlijke voorkeuren van de bestuurder volledig (of zelfs deels) bestaan uit niet-financiële componenten, dan heeft het geen (of minder) zin om te proberen de bestuurder te sturen met financiële prikkels.
Jensen en Murphy zijn niet blind voor mogelijke kritiek op hun eenzijdige focus op financiële prikkels.
“Some may object to our focus on monetary incentives as the central motivator of CEO behavior. Are there not important nonmonetary rewards associated with running a large organization? Benefits such as power, prestige, and public visibility certainly do affect the level of monetary compensation necessary to attract highly qualified people to the corporate sector.”7
De reden om alleen gebruik te maken van financiële prikkels en dus om andere niet-financiële beloningen buiten beschouwing te laten, is dat niet-financiële beloningen niet kunnen variëren met de waarde van de onderneming en daardoor niet effectiever zijn dan de vaste bezoldiging als controlemechanisme om bestuurders te laten handelen in het belang van de aandeelhouders.8
Bovenstaand argument zegt echter niets over de werking van financiële prikkels, maar alleen over de toepasbaarheid (of eerder de niet-toepasbaarheid) van niet-financiële prikkels als controlemechanisme. Door de aandacht alleen te richten op financiële prikkels worden de voorkeuren die de bestuurder kan hebben gereduceerd tot louter materiële voorkeuren, waardoor Jensen en Murphy impliciet de bredere opvatting van de Homo economicus reduceren tot een veel beperktere opvatting, namelijk tot een mensbeeld dat uiteindelijk slechts geïnteresseerd is in geld. Het grote voordeel van deze manoeuvre is dat de pay-for-performancebenadering in hoge mate aan voorspellende waarde wint, terwijl het lijkt alsof alle voorkeuren (zowel de financiële als de niet financiële) van de bestuurder worden meegenomen. De bestuurder kan altijd door betere financiële prikkels gestuurd worden. Het resultaat is echter dat de bestuurder wordt gereduceerd tot een persoon die zich slechts laat leiden door extrinsieke financiële prikkels, waarbij belangrijke niet-financiële voorkeuren van de bestuurder buiten spel worden gezet.
Jensen bekritiseert deze simpele benadering van de mens juist samen met Meckling en doet dit beperkte model af als oninteressant.
“The economic model is, of course, not very interesting as a model of human behavior. People do not behave this way. In most cases use of this model reflects economists’ desire for simplicity in modeling; the exclusive pursuit of wealth or money income is easier to model than the complexity of the actual preferences of individuals. As a consequence, however, non-economists often use this model as a foil to discredit economics–that is, to argue that economics is of limited use because economists focus only on a single characteristic of behavior–and one of the least attractive at that, the selfish desire for money.”9
De pay-for-performancebenadering komt voort uit de toepassing van de principaal-agenttheorie waarin een beperkter mensbeeld wordt gehanteerd dan het mensbeeld dat ten grondslag ligt aan de principaal-agenttheorie. Hierdoor is de situatie ontstaan dat aan de pay-for-performancebenadering een model van de mens ten grondslag ligt dat door (in ieder geval) één van de bedenkers als oninteressant wordt afgeschilderd. Het gebruik van dat beperkte model van de mens heeft verstrekkende gevolgen vanwege de conclusies die getrokken worden. Heel de noodzaak van het gebruik van de bezoldiging van bestuurders als controlemechanisme is immers gebaseerd op de toepassing van dit beperkte model van de mens.