Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/354
354 Het vertegenwoordigingsaspect van art. 2:16 lid 2 BW
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS365375:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie de bijdrage van Honée (Honée 1990, p. 33-43) en de repliek op deze bijdrage van Van Schilfgaarde (Van Schilfgaarde 1990, p. 73/74).
Honée 1990, p. 34.
Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2017, nr. 98.
In de wet is opgenomen dat de ‘harde regel’ slechts geldt wanneer het besluit tot benoeming van een bestuurder nietig is of wordt vernietigd. In alle overige gevallen geldt de hoofdregel zoals Van Schilfgaarde propageert.
Zie bijvoorbeeld de artikelen 2:63j lid 2 BW; 2:107a lid 2 BW; 2:164/274 lid 2 BW; art. 2:164a/274a lid 4 BW. Zie in dit verband tevens HR 13 juli 2007, NJ 2007/434 (ABN Amro).
Asser/Kroeze 2015, nr. 322, p. 309/310. Tevens Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2017, nr 98. Zie in dit verband bijvoorbeeld Hof Arnhem 26 augustus 2003, ECLI:NL: GHARN:2003:AJ9993, JOR 2003/250 (Advanced Travel Partners). Ook wanneer in een directiereglement is bepaald dat aan een externe rechtshandeling van een bestuurder een bestuursbesluit vooraf dient te gaan, wordt niet toegekomen aan art. 2:16 lid 2 BW. Gelet op art. 2:130 lid 3 BW is dat bestuursbesluit immers geen vereiste voor de geldigheid van de externe rechtshandeling.
Zie bijvoorbeeld de artikelen 2:44 lid 2 BW en 2:291 lid 2 BW.
Dit geldt ook wanneer er sprake is van andere beperkingen of vereisten die ‘uit de wet voortvloeien’ in de zin van art. 2:130/2:240 lid 3 BW. Zie Asser/Kroeze 2015, nr. 322, p. 310.
Assink 2013, p. 343 e.v.
Assink 2013, p. 345.
Voordat kan worden bepaald of de nietigheid van een bezoldigingsbesluit de bestuurder kan worden tegengeworpen, zal moeten worden gekeken of de bestuurder een beroep kan doen op de bescherming van art. 2:16 lid 2 BW. In de literatuur wordt in dat kader van belang geacht of bij het direct extern werkende besluit het besluit- of vertegenwoordigingsaspect dient te overheersen. Het onderscheid tussen beide aspecten bij direct extern werkende besluiten, dat door Van Schilfgaarde is geïntroduceerd, heeft in het verleden voor enige verwarring gezorgd.1
Honée interpreteerde de woorden van Van Schilfgaarde zo, dat wanneer het besluitaspect overheerst, primair van belang is of de besluitvormende instantie in de verhouding tot de rechtspersoon bevoegd was het besluit te nemen en zich ook overigens aan de wettelijke en statutaire regels omtrent besluitvorming heeft gehouden. Overheerst daarentegen het vertegenwoordigingsaspect dan neemt Honée aan dat de omstandigheid of de derde te goeder trouw is in beginsel niet van belang is. Goede of kwade trouw speelt dan dezelfde teruggedrongen rol als bij zuivere vertegenwoordigingshandelingen.2 Aan vorengenoemde overweging hangt Honée de consequentie op, dat bij art. 2:16 lid 2 BW het besluitaspect overheerst. Overheerst echter het vertegenwoordigingsaspect, dan is art. 2:16 lid 2 BW niet van toepassing.
In zijn repliek op de bijdrage van Honée legt Van Schilfgaarde uit dat er sprake is van een misverstaan van de termen besluit- en vertegenwoordigingsaspect. Vorengenoemd misverstand wordt mijns inziens gevoed doordat Van Schilfgaarde c.s. schrijven: “De in art. 16 lid 2 gegeven regels laten zich als volgt parafraseren: over het algemeen prevaleert het vertegenwoordigingsaspect, bij benoeming van bestuurders en commissarissen prevaleert echter het besluitaspect. In een aantal gevallen geeft de wet overigens zelf aan dat het vertegenwoordigingsaspect prevaleert, zie art. 107 lid 2: het ontbreken van de goedkeuring van de AVA voor ingrijpende bestuursbesluiten tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur of bestuurders niet aan. In dezelfde zin art. 274(164) lid 2 voor het ontbreken van goedkeuring door de RvC bij de structuurvennootschap. Aan art. 16 lid 2 komen we niet toe [cursivering ECHJL].”3 Deze passage kan voor enige verwarring zorgen. Immers, Van Schilfgaarde c.s. stellen juist dat, wanneer het vertegenwoordigingsaspect overheerst, art. 2:16 lid 2 BW van toepassing is. Wanneer echter in de gevallen zoals art. 2:107a lid 2 BW de wet bepaalt dat het vertegenwoordigingsaspect overheerst, wordt weer niet toegekomen aan art. 2:16 lid 2 BW, aldus Van Schilfgaarde c.s.
Van Schilfgaarde stelt met het onderscheid aan te willen geven dat, wanneer het besluitaspect overheerst, de nietigheid van het besluit tot gevolg heeft dat zowel het besluit als de vertegenwoordigingshandeling nietig is. Er geldt in dat geval een ‘harde regel’: besluit weg, vertegenwoordigingshandeling weg. Overheerst het vertegenwoordigingsaspect, dan geldt dat, ofschoon het besluit nietig is, het toch zo kan zijn dat inmiddels een rechtshandeling heeft te gelden, namelijk omdat de derde te goeder trouw kon menen dat er een rechtsgeldig besluit tot stand gekomen is. Art. 2:16 lid 2 BW is in die gevallen van toepassing.4 Volgens Van Schilfgaarde overheerst bij een nietig direct extern werkend besluit in beginsel het vertegenwoordigingsaspect. De ‘harde regel’ geldt slechts in geval van een besluit tot benoeming van een bestuurder dat nietig blijkt te zijn of wordt vernietigd.
Er zijn daarnaast ook bepaalde gevallen waarin er wel sprake is van een nietig of vernietigd besluit met direct externe werking maar waarbij art. 2:16 lid 2 BW toch niet van toepassing is. In art. 2:16 lid 2 BW wordt onderscheid gemaakt tussen een nietig besluit als een rechtshandeling gericht is jegens een wederpartij en een nietig besluit dat een vereiste is voor de geldigheid van zulk een rechtshandeling. Wat dit laatste betreft zal de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur (lees: de bevoegdheid om externe handelingen te verrichten) in de regel niet afhankelijk zijn van de bestuursbevoegdheid van het bestuur (lees: de bevoegdheid om interne beslissingen te nemen). Het bestuur en iedere bestuurder is immers op grond van art. 2:130 BW, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit, onbeperkt en onvoorwaardelijk vertegenwoordigingsbevoegd. Is statutair bepaald, dat bepaalde besluiten onderworpen zijn aan de goedkeuring van de raad van commissarissen, dan heeft een dergelijk bestuursbesluit in beginsel geen rechtskracht indien deze goedkeuring ontbreekt. Het bestuursbesluit is nietig wegens strijd met de statuten. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur wordt daardoor echter niet aangetast. Hetzelfde geldt indien de wet bepaalt dat het ontbreken van goedkeuring de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuur of bestuurders niet aantast.5 Het vorengaande betekent dat de rechtskracht van het vertegenwoordigend handelen van het bestuur niet wordt aangetast omdat goedkeuring van het besluit ontbreekt. Aan art. 2:16 lid 2 BW wordt niet toegekomen.6 Is het bestaan van een geldig besluit daarentegen vereist voor de geldigheid van een externe rechtshandeling welk vereiste voortvloeit uit de wet, dan wordt daardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur wel aangetast.7 In een dergelijk geval is art. 2:16 lid 2 BW dus wel van toepassing.8
Assink is een striktere benadering toegedaan, waardoor art. 2:16 lid 2 BW eerder in zicht komt.9 Is het besluit zelf nietig op de voet van art. 2:14 lid 1 BW, dan ontbreekt volgens Assink de daarmee corresponderende rechtshandeling en daarmee de vertegenwoordigingshandeling. Aan art. 2:16 lid 2 BW wordt dan toegekomen. De nietigheid van het besluit kan aan de betrokkene worden tegengeworpen indien deze het gebrek dat aan het besluit kleefde kende of behoorde te kennen. Volgens hem moet dezelfde regel gelden wanneer een bestuursbesluit is genomen ondanks het ontbreken van een door de wet of de statuten van de rechtspersoon voorgeschreven voorafgaand machtigings-/goedkeuringsbesluit door een ander orgaan van de rechtspersoon, zoals de algemene vergadering dan wel de raad van commissarissen. Hoewel in de literatuur wordt betoogd dat in een dergelijk geval het bestuursbesluit weliswaar nietig is, maar dat tegelijkertijd het ontbreken van het machtigings-/goedkeuringsbesluit de geldigheid van het bestuursbesluit als externe rechtshandeling onverlet laat en dus aan art. 2:16 lid 2 BW niet wordt toegekomen, ziet dit betoog volgens Assink er aan voorbij dat, ook al is het bestuur op zichzelf vertegenwoordigingsbevoegd, een bevoegd verrichte externe rechtshandeling (en daarmee de vertegenwoordigingshandeling) onder omstandigheden toch nietig of vernietigbaar kan zijn. Assink stelt dat toepassing van art. 2:14 lid 1-2 BW in dat geval niet zozeer de vertegenwoordigingsbevoegdheid aantast, als wel de geldigheid van die – op zichzelf dus bevoegd – verrichte externe rechtshandeling. Het is zijns inziens van tweeën één; (i) ofwel het bestuursbesluit is nietig en de daarin vervatte externe rechtshandeling (de vertegenwoordigingshandeling) ontbreekt, (ii) ofwel het bestuursbesluit is niet nietig en de daarin vervatte externe rechtshandeling (de vertegenwoordigingshandeling) is intact. Hij ageert derhalve tegen het aanbrengen van een onderscheid tussen enerzijds het nietige bestuursbesluit (zijnde een rechtshandeling, omdat deze anders niet nietig kan zijn) en anderzijds de geldige externe rechtshandeling (de vertegenwoordigingshandeling) als onderdeel van dat nietige bestuursbesluit. Assink ziet een wezenlijk verschil in het geval er sprake is van vertegenwoordiging bij besluit en vertegenwoordiging buiten besluit. Alleen in dat laatste geval spitst de analyse zich geheel toe op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de desbetreffende bestuurders, die niet wordt aangetast door het ontbreken van de ter zake statutair vereiste goedkeuring van een ander orgaan van de rechtspersoon. De slotsom is dan dat, indien het bestuur ervoor kiest de rechtspersoon – op zichzelf bevoegd – te vertegenwoordigen door middel van een bestuursbesluit als rechtshandeling met tevens direct externe werking, de mogelijkheid van eventuele aantasting van die rechtshandeling op de voet van art. 2:14 – 16 BW binnenboord wordt gehaald. Vertegenwoordigt het bestuur de rechtspersoon niet door middel van een bestuursbesluit als rechtshandeling met tevens direct externe werking, dan doet deze mogelijkheid zich logischerwijze niet voor.10
Hoe verhoudt vorenstaande zich met het vaststellen van de bezoldiging bij direct extern werkend besluit welk besluit nietig blijkt te zijn? Op grond van art. 2:135 BW is niet het bestuur vertegenwoordigingsbevoegd, maar de algemene vergadering of op grond van de statuten de raad van commissarissen. Wordt de bezoldiging vastgesteld bij besluit dan dient, conform de overweging van Van Schilfgaarde, het vertegenwoordigingsaspect te overheersen. Is het bezoldigingsbesluit nietig omdat deze is genomen door een onbevoegd orgaan, dan is art. 2:16 lid 2 BW van toepassing.