Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/16.8.4.2:16.8.4.2 De hoofdgerechtigde wordt deelgenoot in de mandelige zaak
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/16.8.4.2
16.8.4.2 De hoofdgerechtigde wordt deelgenoot in de mandelige zaak
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS489693:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Verstappen 1993, p. 283.
Zoals wij hiervoor reeds zagen wordt het niet opnemen in de titel ‘mandeligheid’ van een bepaling gelijk art. 5:84 lid 2, door Verstappen aangegrepen als argument om, behoudens ten aanzien van opstalrechten, te concluderen dat combinaties van mandeligheid en beperkte rechten niet mogelijk zijn.
Davids 1994, p. 5.
Holtman 1993B, p. 284.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Verstappen meent dat bij het einde van het beperkte recht de hoofdgerechtigde deelgenoot in de mandelige zaak zal worden. Zijn motivering luidt aldus:
‘het aandeel in de mandelige zaak draagt een afhankelijk karakter: de gerechtigde tot het erf dat voorheen bezwaard is geweest met het beperkte recht, zal er nog nut van kunnen hebben. Bij het eindigen van het beperkte recht herstelt het hoofdrecht zich in volle omvang. De bevoegdheden die de beperkt gerechtigde heeft zijn afgeleid uit het eigendomsrecht. Eindigt het beperkte recht, dan komen die bevoegdheden weer toe aan de eigenaar. Als tijdens het bestaan van het beperkte recht een aandeel in een mandelige onroerende zaak als afhankelijk kwalitatief recht gekoppeld is aan het beperkt recht (…) dan is er het meest voor te zeggen om bij het eindigen van het beperkte recht het aandeel van rechtswege de eigenaar/hoofdgerechtigde te laten toekomen, gelijk deze ook weer de bevoegdheid tot gebruik van de onroerende zaak verkrijgt. Dit is volkomen in overeenstemming met het karakter van de gerechtigheid in een mandelige onroerende zaak: het aandeel strekt tot nut van degene die van het erfwaaraan het aandeel afhankelijk is gemaakt, gebruik maakt.’1
Voorts besteedt Verstappen nog enige aandacht aan art. 5:84 lid 2. Hij wenst hieruit te concluderen dat het tijdelijke karakter van beperkte rechten geen belemmering is voor het toestaan van de hiervoor genoemde combinaties van mandeligheid en beperkte rechten.2
Met betrekking tot deze door Verstappen voorgestane oplossing merkt Davids op dat er onvoldoende aanknopingspunten in de wet zijn om deze te rechtvaardigen.3 Holtman keert zich eveneens tegen deze oplossing. Volgens hem verzet art. 3:82 zich daartegen.
Ook analoge toepassing van deze bepaling is, volgens Holtman, uit den boze.4