Einde inhoudsopgave
Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht (IVOR nr. 89) 2012/3.6.1
3.6.1 Het ontwerp Meijers
A.J.M. Klein Wassink, datum 14-05-2012
- Datum
14-05-2012
- Auteur
A.J.M. Klein Wassink
- JCDI
JCDI:ADS593851:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Toelichting Ontwerp Meijers p. 16.
Toelichting Ontwerp Meijers p. 126.
Uit zijn Algemeene leer van het burgerlijk recht, deel I, volgt dat Meijers zijn denkbeelden over de rechtshandeling ontleende aan het Duitse recht. Zie over de ontwikkeling van het begrip rechtshandeling Lokin 2000, p. 37 ev.
Toelichting Ontwerp Meijers p. 126.
Dat in het Nederlandse recht in principe geen verband wordt gelegd tussen de geldigheid van een besluit en een daarop gebaseerde vertegenwoordigingshandeling in het kader van de uitvoering van een besluit, is van later datum en is het gevolg van de implementatie van de eerste EG-richtlijn.
In 1954 werd in het kader van de herziening van het Burgerlijk Wetboek een ontwerp voor boek 2 BW gepubliceerd. Inhoudelijk en systematisch volgde Meijers de opzet van het WvK. Volgens het ontwerp Meijers zouden in boek 2 BW voorschriften voor alle rechtspersonen bijeengebracht worden en niet meer zoals in het WvK het geval was, alleen voor de nv. Onderwerpen die voor alle rechtspersonen op dezelfde manier geregeld konden worden, werden opgenomen in de algemene bepalingen. Voorbeelden van onderwerpen die in de algemene bepalingen konden worden opgenomen waren de gelijkstelling van de rechtspersoon met een natuurlijke persoon, art. 4, de regeling over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten, art. 8 en 9 en de ontbinding van de rechtspersoon, art.11.1
In de toelichting bij zijn voorstel schreef Meijers naar aanleiding van art. 46a WvK:
`De regeling van de gevolgen van gebrekkige besluiten van de algemene vergadering van een vereniging of naamloze vennootschap is in ons tegenwoordige recht zeer onvoldoende. Het enige voorschrift dat de wet dienaangaande geeft, is art 46a WvK. voor de naamloze vennootschap en met dit voorschrift is niemand tevreden.'
Meijers stelde daarom een algemene regeling voor de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten voor, die zou gelden voor alle in boek 2 BW geregelde rechtspersonen. Meijers baseerde zijn voorstel op de gedachte dat de beoordeling van de geldigheid van een besluit vanuit twee kanten benaderd diende te worden. Vanuit die gedachtegang redenerend schreef Meijers in de toelichting:
`Iedere regeling dient rekening te houden met de twee kanten van waaruit men een besluit van een algemene vergadering kan beschouwen; men kan acht slaan op de interne vorming van het besluit door de verklaring van vele personen; men kan echter ook letten op de externe werking van het besluit als een rechtshandeling, die ten aanzien van derden gevolgen heeft. Wat deze laatste werking betreft, behoeven geen bijzondere bepalingen voor gebrekkige besluiten der algemene vergadering te worden gegeven; ... De algemene regels omtrent nietigheid en vernietigbaarheid vinden hier hun gewone toepassing.'2
Met de interne vorming bedoelde Meijers de totstandkoming van het besluit binnen de organisatie van de rechtspersoon. Een besluit kon voor wat betreft zijn interne vorming gebrekkig zijn wegens het niet naleven van een totstandkomingsbepaling, een procedurevoorschrift. Een besluit kon echter ook gebrekkig zijn omdat het voor wat betreft zijn totstandkoming in strijd was met de goede trouw of in strijd was met wettelijke of statutaire bepalingen ter zake van de bevoegdheid van het orgaan dat het besluit genomen had. De rechter zou het besluit moeten kunnen toetsen en zou aan het niet naleven van de voorschriften gevolgen moeten kunnen verbinden. Voor dit soort gebreken in de interne vorming van het besluit heeft Meijers in het ontwerp voor art. 2.1.8 en 2.1.9 een regeling willen geven.
Voor de beoordeling van het besluit vanuit het perspectief van de externe werking van het besluit als rechtshandeling zou geen aparte regeling in boek 2 BW nodig zijn. De verhouding tussen de rechtspersoon en een derde, die tot stand zou komen als gevolg van een door het bestuur verrichte handeling ter uitvoering van het besluit, zou geregeerd worden door de in boek 3 BW opgenomen algemene regels over rechtshandelingen.3 Meijers gaf in de toelichting het volgende voorbeeld om te laten zien dat vastlegging in boek 2 BW niet nodig was.4 Voor iemand die een arbeidsovereenkomst met de vennootschap had, zou het in geval van ontslag in strijd met een opzeggingstermijn niet uitmaken of dat ontslag door de rechtspersoon of een persoon van vlees en bloed was gegeven. Het ontslag zou als rechtshandeling in strijd met de wet zijn en daarvoor zouden de regels van boek 3 BW moeten gelden. Daarbij komt, maar dat staat niet uitdrukkelijk in de toelichting, dat degene die ontslagen was, gesteld dat het niet om een bestuurder ging, niets zou hebben aan de vernietiging van het besluit tot ontslag.5