Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.3.4:6.3.4 Alternatieve scenario’s
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.3.4
6.3.4 Alternatieve scenario’s
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200805:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Regelmatig blijkt tijdens de interviews met rechters dat advocaten niet alleen worden beschouwd als essentieel voor het evenwicht in het strafproces; evenzeer wordt er rekening mee gehouden (net als door officieren van justitie) dat zij ‘alternatieve scenario’s verzinnen’.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het voorgaande werd duidelijk dat een deel van de rechters gaat twijfelen over de bewijsconstructie in strafzaken, ook als er geen ‘redelijk alternatief scenario’ (vgl. Van Koppen, 2011: 52) is aangedragen of wordt gesuggereerd door het dossier. Rechters lijken verdeeld over de vraag in hoeverre zij zelf initiatief moeten nemen de door het OM gepresenteerde bewijsconstructie te onderzoeken en waar mogelijk in twijfel te trekken, wanneer de verdachte dit niet doet of zwijgt. Er is zoals eerder vermeld tussen rechters onderling verschil van opvatting over de vraag in hoeverre zij zelf oog moeten hebben voor mogelijke alternatieve scenario’s. Een rechter meent deze zelf te kunnen introduceren:
‘Ik vind dat je voor de hand liggende [scenario’s] best zelf mag introduceren. Bijvoorbeeld als vader en moeder zwijgen over de mishandeling van hun kind. Dan mag je best als mogelijkheid introduceren dat het de ander is geweest [in plaats van degene die het OM heeft beschuldigd] (...) Uiteindelijk moet je als het wettige bewijs er is, ook zelf overtuigd zijn.’
Er zijn rechters die bij voorkeur uitgaan van de rol van ‘neutrale beslisser’ en een beperkte onderzoeksrol. In deze opvatting wordt uitgegaan van een evenwichtige rolverdeling, waarbij officier en eventueel advocaat elk een ander belang vertegenwoordigen en de rechter niet alleen onpartijdig is, maar ook tot op zekere hoogte passief. Volgens deze opvatting is het in beginsel aan de officier om aan de rechter duidelijk te maken wanneer een verklaring van de verdachte niet zou kloppen. En alleen als een verdachte niet of in de ogen van de rechter slecht wordt verdedigd door een advocaat, kan deze van zijn neutrale rol afwijken, maar het liefst wil de rechter niet ‘mee procederen’ met de verdachte.
‘Ik heb gemerkt dat [rechters soms zelf een scenario inbrengen]. Daar hou ik helemaal niet van. In het bestuursrecht wil de burger iets van de overheid, waardoor op de burger een verantwoordelijkheid rust om zaken aan te voeren. Toen ik weer strafrechter werd verwonderde ik me erover dat de verdachte vaak zo lang achterover mag leunen. Hij heeft toch ook iets uit te leggen? Daar worstel ik wel mee, want het is een verdachte die iets overkomt van de overheid en hij hoeft nergens aan mee te werken, maar wanneer komt het omslagmoment? Wanneer mag je veronderstellen dat wanneer verdachte niet zegt dat het anders was of wat hij daar [bij de plaats delict] deed, dat hij kwaaie bedoelingen had? Ik merk dat dit omslagpunt bij mij eerder ligt dan bij [in mijn ogen] klassieke strafrechtsjuristen. (…) Ik zeg eerder: als [verdachte] dit niet aanvoert, dan ga ik er ook geen rekening mee houden. Bijvoorbeeld zo’n alternatief scenario, als hij mij niet vraagt om dat te onderzoeken, dan ga ik daar geen rekening mee houden.’
Is de verklaring die een verdachte heeft afgelegd geloofwaardig? Welke van de verklaringen die een verdachte bij de politie en tijdens het strafproces heeft afgelegd zijn juist? Volgens geïnterviewde rechters worden dergelijke vragen verschillend beoordeeld. Sommigen van hen menen dat door verdachten aangedragen alternatieve scenario’s door collega-rechters vaker en eerder als ongeloofwaardig van de hand gewezen kunnen worden. Andere rechters herkennen zich hierin niet. Zo wordt door rechters opgemerkt ‘wel te weten wat er in de wereld te koop is’, over ‘gezond verstand’ te beschikken en niet ‘zomaar een lulkoek verhaal’ van de verdachte te geloven. Een alternatief scenario dat niet ‘reëel’ overkomt zou volgens deze rechters normaalgesproken als ongeloofwaardig worden bestempeld. In de opvattingen van rechters over dit onderwerp komt regelmatig een common sense of intuïtief element naar voren, zoals in het volgende citaat de ook door andere rechters genoemde term ‘mensenwerk’:
‘Wij hadden laatst zo’n zaak: overvallers. Sporen van het slachtoffer op een jas van de verdachte. Die jas was ook van hem, maar hij verklaarde bekend te staan als een verklikker: “Die jas is van mij gejat! Ik ben hem al een tijdje kwijt, niet meer gezien. Die hebben ze expres gebruikt om mij te naaien.” Iedereen denkt in eerste instantie: dat is onzin. Verdere aanknopingspunten heb je niet. Maar als je een tijdje luistert: zou het echt zo zijn? En uiteindelijk denk je: hup, weg ermee. Maar soms kan het wel en dat is een beetje het punt. Dan weet de verdachte je te overtuigen. Dat is mensenwerk.’
Hoewel officieren van justitie klagen dat rechters overdreven voorzichtig omgaan met alternatieve scenario’s (zie vorige hoofdstuk), sluit dit niet aan bij de opvattingen van veel rechters hierover. Zo meent een rechter dat de ‘geloofwaardigheidstoets’ van de verklaring van de verdachte soms wordt gebaseerd op een inschatting, met een aanzienlijk risico op fouten.
‘Ik word allergisch van de eis dat ik de geloofwaardigheid van de verdachte moet beoordelen, want dat is volgens mij een ontzettend grote valkuil voor rechters. Wij zijn geen gedragsdeskundigen, moeten we niet willen zijn en zaken waarin dit is gebeurd, daar zijn ook ongelukken in voorgekomen. Een voorbeeld is de Schiedammer Parkmoord waarin door deelnemers aan het proces is gezegd: “Het bewijs rammelt misschien, maar de houding op zitting, hebben toch tot overtuiging van schuld geleid.” Is het dan een soort intuïtie die meeweegt? (…) Het is veiliger om je te baseren op objectieve gegevens, zoals het moment waarop iets is verklaard, een goed element volgens mij. Waarom zegt [verdachte] dit? Hoe verhoudt zich dat tot eerdere verklaringen die hij heeft afgelegd? Geeft hij een verklaring voor afwijkingen? Dat zijn objectieve elementen die je kan toetsen.’
In overeenstemming met een deel van de officieren van justitie zijn er ook rechters die menen dat sommige collega-rechters tijdens de zitting onvoldoende doen om de geloofwaardigheid van een door de verdachte aangedragen alternatief scenario te toetsen. Dit zou niet alleen tot onnodige aanhouding voor nader onderzoek leiden, ook zou dit soms tot ‘onbegrijpelijke vrijspraken’ leiden. Vragen die worden opgeroepen door de tegenstelling tussen het beschikbare strafdossier en de verklaring van de verdachte, behoren volgens deze rechters op zijn minst aan de verdachte te worden voorgelegd, voordat de rechter een volgend besluit neemt. Zo kan van de verdachte die een alternatief scenario inbrengt worden verlangd eerst de ontstane tegenstelling te verklaren.
‘Ik vind in zijn algemeenheid dat wij weleens te gemakkelijk het scenario van verdachte of advocaat voor zoete koek aannemen. [Dan] wordt niet uitgesloten dat het zo is en dan wordt de verdachte ook vrijgesproken. Je moet daar kritisch op doorvragen, zeker als het in een laat stadium wordt aangevoerd. Als dat niet gebeurt en ik zit daarbij, dan heb ik daar ook kritiek op naar collega’s toe. (…) Het komt bijvoorbeeld voor dat ik als politierechter de verdachte confronteer met zijn lulverhaal, al mag ik niet laten weten wat ik ervan vind. (…) Meestal kleed ik het in door bijvoorbeeld te zeggen “Meneer, ik weet niet wat ik ervan moet vinden, maar ik zie daar mensen achter u, en ik heb de indruk dat zij het niet geloven. Dan leg ik het ergens anders. (…) De zittingsrechter in wat grote zaken kan reageren [op een aangedragen scenario] en vragen: “Hoe is dat dan gegaan? Vertelt u eens hoe het kan dat zes mensen u op de hoek hebben gezien, dat niemand heeft gezien dat u weer bent vertrokken en dat het slachtoffer u herkent?” Als het waar is wat de verdachte heeft beweerd, dan komt hij er wel uit. Dan weet hij wat er is gebeurd en heeft hij er een verhaal voor.’
Interessant is hoe deze rechter tot zijn opvatting komt dat het de plicht is van de zittingsrechter om ‘door te vragen’ wanneer een verdachte een verklaring heeft gegeven. Over de verdachte te denken als iemand die tijdens het strafproces in de eerste plaats beschermd moet worden (volgens het ideaal van due process), lijkt door hem vandaag de dag als naïef te worden beschouwd.
‘Als je niet bereid bent [door te vragen], dan vind ik in de strafrechtspleging anno nu, dat het OM en de politie, de slachtoffers terecht kunnen denken: de rechter lijkt het allemaal zomaar te accepteren wat hier wordt gezegd [door de verdachte].’
Volgens andere rechters zou angst om bevooroordeeld te lijken of gewraakt te worden een rol spelen bij rechters die beperkt vragen stellen over wat een verdachte tegenover de rechter verklaart.
Over de interpretatie van het ‘tijdstip van verklaren’ dat de verdachte kiest en het moment waarop de advocaat komt met ‘onderzoekswensen’, bestaan uiteenlopende opvattingen onder de geïnterviewde rechters. De verschillende opvattingen die hierover beschreven zijn in het vorige hoofdstuk over officieren van justitie, kunnen ook onder rechters worden aangetroffen. Sommige rechters vinden zonder meer dat wanneer een verdachte een later tijdstip kiest om een alternatief scenario in te brengen, dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid daarvan.
‘Heeft hij het aan het begin al gezegd, of heeft de verdachte altijd gezwegen en komt het helemaal aan het eind als de puzzel al ligt? In dat geval is het [alternatieve scenario] veel minder geloofwaardig. Dat weeg je mee.’
Een rechter acht de betrouwbaarheid van de eerste verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd in beginsel betrouwbaarder dan een latere verklaring ten overstaan van de rechter.
‘Als iemand heeft bekend bij de politie en dat later intrekt en bij de rechter gaat ontkennen, dan houden we de verdachte vaak wel aan de eerste verklaring omdat die het kortst [na het gepleegde strafbare feit] was en het meest betrouwbaar lijkt. Dan vul je in dat de latere versie bedoeld is om ergens onderuit te komen.’
Steeds komen verschillen naar voren in opvattingen van rechters over bewijsbeoordeling. Zo ook lijken rechters verschillend aan te kijken tegen falsificatie. Vaak is het bewijs in strafzaken ‘overweldigend’; falsificatie van bewijsmiddelen ligt dan niet voor de hand (Van Koppen, 2011: 12). Ook rechters geven dat aan: ‘[Falsificatie] moet wel noodzakelijk zijn vanwege een juridisch punt. We gaan niet flauw lopen doen.’ Echter, een deel van de rechters wenst bij de beoordeling van bewijs nadrukkelijk uit te gaan van mogelijkheden die er zijn voor het OM het bewijs in het strafdossier systematisch te falsificeren. Een voorbeeld waarin de officier van justitie uit is gegaan van schakelbewijs kan dit duidelijk maken. De rechter verwacht hier dat wanneer gebruikmaking van een koevoet door een inbreker wordt aangevoerd als schakelbewijs, het OM ook onderzoek doet naar de aangetroffen koevoetsporen. In zijn ogen roept dit bewijsmiddel namelijk meteen de vraag op of de koevoet van de verdachte wel bij de aangetroffen sporen hoort. Het feit dat meerdere inbraken met een koevoet zijn gepleegd, is in de ogen van deze rechter onvoldoende om deze ook aan één verdachte toe te schrijven.
‘Bij één woninginbraak is DNA gevonden dat je kan linken aan de verdachte. Hij kan ook gezien zijn. Dan wordt er weleens gezegd door het OM: “We hebben gezien dat het raam op de begane grond is opengebroken [met een koevoet]. Twee of meerdere inbraken hebben in die woonplaats plaatsgevonden en zijn rond hetzelfde tijdstip [en op dezelfde wijze] gepleegd. De verdachte moet al deze inbraken wel gepleegd hebben. Het bewijs voor de bewezen diefstal dient dan ook als bewijs voor de anderen. Daar kijken wij [als rechters] denk ik veel kritischer naar: wat is nou de waarde van het bewijs voor al die andere zaken? Hoeveel diefstallen worden wel niet gepleegd met een koevoet? Hoe uniek is die koevoet? Het is heel iets anders als je kunt zeggen dat die ene koevoet unieke sporen achterlaat!’
Met name in grote onderzoeken, zo geven sommige rechters tijdens de interviews aan, wordt bij de presentatie van het bewijs door het OM systematische falsificatie gemist. Een rechter komt tot deze opvatting in reactie op de onder officieren sterk levende overtuiging dat ‘gefabriceerde’ scenario’s een te grote rol zouden spelen in het strafproces. Deze rechter vindt dat het requisitoir van de officier van justitie in plaats van met een systematisch falsificatietraject soms wordt ingevuld met het presenteren van aanwijzingen en in zijn ogen niet-relevante verdachtmakingen. Vertraging is hiervan volgens hem soms het gevolg, aangezien in dergelijke gevallen de rechtbank genoodzaakt is de zaak aan te houden in afwachting van nader strafrechtelijk onderzoek.
‘Het kan best kloppen dat de activiteit van verdachten vaak is gericht op dingetjes in elkaar zetten [fabriceren van een scenario]. Maar de falsificatie door het OM is vaak toch niet sterk genoeg om hier [onmiddellijk] tegenin te kunnen gaan. Eerder wordt [door de officier] gezegd: “De verdachte zit op het terras met de zeer bekende crimineel X.” Ik ben niet gediend van dat soort verhaaltjes. Ik wil een technisch goed dossier hebben. Als je hier in [stad] een tijdje in grote zaken hebt gezeten, weet je wel dat meneer X vaak zus of zo deed. Je hebt hem misschien al een keer voor het hekje gehad. Als op zitting door een raadsman- of vrouw vragen worden gesteld, wordt er al gauw honend gereageerd [door de officier]: “Natuurlijk hebben we onderzocht of het zogenaamde alibi zou kunnen kloppen.” Maar dat wordt vaak iets te gemakkelijk weggepraat, terwijl je daar als rechtbank eigenlijk meer [falsificatie] zou willen zien. Ik heb het over te verwachten verweren of vragen van raadslieden in grotere zaken. Je hebt technisch bewijs, maar je moet het ook overtuigend bij de rechtbank brengen.’
Een rechter beschrijft hoe het OM voor de rechtbank regelmatig aannemelijk probeert te maken dat een verdachte die ‘laat verklaart’ niet betrouwbaar zou zijn. Maar een objectieve maatstaf, zo lijkt hij zich pas tijdens het interview te realiseren, is dat niet:
‘Als [een verdachte] laat verklaart, doordat hij heel berekenend is, werkt dat vaak in zijn nadeel. Dit gevoel wordt er vaak aan gekoppeld door een officier: “Meneer heeft bij de politie en bij de RC van zijn zwijgrecht gebruik gemaakt. Toen is het hele dossier ontvangen door de raadsman en nu komt opeens het verhaal dat de auto een cadeau was van moeder. Maar die moeder is nergens te bekennen.” Ik ben op het punt dat ik dat [zwijgen van de verdachte] als berekenend zie, terwijl ik nu denk, een Aha-erlebnis, het kan soms best wel zo zijn. Dat parkeer je wel vaak weg, zeker in kleinere zaken. (...) Vaak wil ik er niet aan om deze reden: [de verdachte heeft] alle tijd gehad en nu kom je op zitting opeens met een nieuw scenario.’
De tegenovergestelde opvatting, waarin het late tijdstip waarop de verdachte met een verklaring komt niet relevant wordt geacht en zwijgrecht een meer absolute betekenis heeft, komt tijdens de interviews ook naar voren (op het zwijgrecht wordt apart ingegaan in 6.3.5). Een rechter:
‘Een late verklaring hoeft geen afbreuk te doen [aan de geloofwaardigheid daarvan]. Want wat hoor je dan vaak en daar kan ik geen speld tussen krijgen: “Mijn advocaat adviseerde me om me op mijn zwijgrecht te beroepen.” Een doorgewinterde crimineel hoeft niet met dat verhaal aan te komen. Maar van iemand die voor het eerst bij de politie terecht komt, snap ik het: ’s ochtends om zes uur, met veel geweld uit huis gehaald. Die zit daar bibberend en moet gaan vertellen. Als er dan een advocaat komt die adviseert om te zwijgen omdat hij nog niet weet wat ze hebben, dan doe je dat als verdachte. De advocaat is de enige die op dat moment kan helpen. (…) Je moet naar de inhoud kijken, het late tijdstip zegt niet zoveel.’
Sommige rechters lijken juist te willen afrekenen met het beeld dat ze naïef zijn ten aanzien van mogelijk leugenachtige verklaringen van verdachten en van (door advocaten) ‘geconstrueerde scenario’s’.1 Over rechters die onrealistisch aandoende verklaringen ‘voor zoete koek’ zouden aannemen, wordt hard geoordeeld:
‘Ik ben niet zo’n scenariodenker. Ik blijf gewoon kijken naar wat er gewoon ligt aan bewijs. Gisteren nog! Een man met 58 pagina’s strafblad, die werd op honderd meter van een winkel waar net is ingebroken aangetroffen met een kassalade en dan komt het verhaal: “Ik had gezien dat twee anderen hadden ingebroken. Ik heb toen de kassalade gevonden en die wilde ik naar de politie brengen.” Ja, het kan. Alles kan. Maar het is geen serieus verhaal. Het kan zijn dat een collega van mij denkt dat zoiets niet buiten redelijke twijfel uitgesloten kan worden. Dan ben je mooi in de aap gelogeerd als officier. Ik ga pas door de knieën als ik een heel reëel verhaal krijg. Vrijwel alle scenario’s die [verdachten] aandragen zijn uit de “alles kan”-fabriek.’
Rechters geven tijdens de interviews regelmatig aan eisen te stellen aan de ‘onderbouwing’ van het door een verdachte aangedragen alternatieve scenario en aan (als onderdeel hiervan) ‘aanknopingspunten’ voor nader strafrechtelijk onderzoek.
‘Een verdachte hoeft zichzelf niet te belasten, dat is zijn recht. Als hij ervoor kiest in een laat stadium toch met een verklaring te komen, dan heb je de plicht daar serieus naar te kijken. Het wordt erg beïnvloed door een advocaat die aan zijn kant staat en zegt: “Het is niet alleen mijn cliënt, maar ik heb ook het verzoek om getuigen 1, 2 en 3 te horen om dit scenario te onderbouwen. U zult merken dat ze dat zullen doen.”’
Een deel van de rechters wil voorkomen dat de verdachte het strafproces onnodig vertraagt. Alternatieve scenario’s die lastig of praktisch gezien niet te onderzoeken zijn, zeggen zij daarom niet geloofwaardig te achten.
‘Het gaat [bijvoorbeeld] vaak over telefoongebruik, waarbij de verdachte zegt: “Die telefoon is van mij, maar toen die inbraak werd gepleegd, had ik mijn telefoon uitgeleend aan een buurmeisje.” Wie is dat dan? Volgens de verdachte een zekere Fatima. Achternaam onbekend. Ze woont in de flat tegenover. Maar welk nummer dan? Dat weet zo’n verdachte dan ook niet. (...) De advocaat gaat er flink overheen dat dit aannemelijk is. (...) Maar hoe minder controleerbare informatie wordt gegeven, des te ongeloofwaardiger het alternatieve scenario. Ik ben daar kritisch in en kan me in de raadkamer geen grote verschillen van mening herinneren op dit punt. Het zou kunnen, maar is het ook aannemelijk? De Hoge Raad heeft ook wel aangereikt hoe je alternatieve scenario’s moet toetsen. Ik sta daar niet erg voor open.’
‘We krijgen de laatste jaren steeds meer, als er al veel belastend materiaal ligt, dat een verdachte aanknopingspunten moet bieden. Maar niet genoeg misschien. “Dat DNA op mijn vest, ja ik zal wel tegen iemand in de stad zijn aangelopen.” (…) Ik durf je wel op een briefje te geven dat er geen rechter is die [in een dergelijk scenario] meegaat. (…) Wij eisen een goede onderbouwing van de verdachte, die onderzocht kan worden. We willen precies horen wat er gebeurd is. Gebeurt dat niet dan blijft het bewijs in het dossier overeind staan.’
Soms ook zijn rechters van opvatting dat de eis aan de verdachte om aanknopingspunten voor nader onderzoek aan te leveren, niet is te rechtvaardigen. Dit zou volgens een rechter bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer een zaak te lang is blijven liggen en van de verdachte niet meer kan worden verwacht aan te geven hoe zijn alternatieve scenario onderzocht kan worden.
‘Het ligt eraan hoe aannemelijk dat scenario is en waar het aan ligt dat er geen aanknopingspunten zijn. Als een zaak lang is blijven liggen, dan kan je na vijf jaar het alternatieve scenario vaak niet meer goed onderzoeken. Dat ligt dan niet aan de verdachte. Het is geen kwestie die je in cijfers kan uitdrukken.’