Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/137
137 Worden bestuurders ‘overbetaald’?
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS371396:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Daarbij wordt in het bijzonder gewezen op de exorbitante stijging van de inkomsten van topbestuurders ten opzichte van de inkomsten van de gemiddelde werknemer. In 1970 was de verhouding tussen beide in de VS nog 1 op 25. In 1980 was deze ratio verdubbeld naar 1 op 50. In 1990 was deze ratio wederom verdubbeld naar 1:100. In 2000 bedroeg deze ratio zelfs 1 op 500. Door de verschillende crises is deze ratio gezakt en stond deze rond 2009 op 1 op 250. Sindsdien stijgt de ratio weer (in 2011 stond deze op 1 op 380). Zie Dorff 2014, p. 19.
Bebchuk en Fried geven aan dat de daadwerkelijke schade vele malen groter is dan de teveel betaalde euro’s die worden ontvangen door de bestuurder, zie Bebchuk & Fried 2004, p. 9.
Bebchuk & Grinstein 2005, p. 283-303. Zie ook Dorff 2014, p. 19/20.
Vanuit vennootschapsrechtelijk perspectief is in het bijzonder van belang de vraag wie de vennootschap vertegenwoordigt, op welke wijze de vennootschap wordt vertegenwoordigd en op welke wijze hierover verantwoording wordt afgelegd.
Hijma e.a. 2010, p. 14. Naast de contractsvrijheid spelen tevens de vormvrijheid (he consensualisme) en de verbindende kracht van de overeenkomst een rol. Indien twe partijen rechtmatig – dus zonder dat er sprake is van bijvoorbeeld dwaling of bedrog tot een overeenkomst komen, dan moeten zij op grond van het adagium ‘pacta sunt ser vanda’ in beginsel de gesloten overeenkomst nakomen.
Smith 1776. Zie ook Crystal 1991a; Mortiary 2009, p. 2.
De omarming van de pay-for-performancebenadering heeft gezorgd voor een nieuwe kijk op de wijze waarop een bestuurder dient te worden bezoldigd. In dezelfde periode is ook een toename in de omvang van de bezoldiging van bestuurders zichtbaar. Over deze toename is veel te doen. De kritiek op de bezoldiging van bestuurders beperkt zich niet tot de structuur van de bezoldiging, maar strekt zich ook – of juist uit – tot de hoogte van de ontvangen bezoldiging en de toename van de bezoldiging van bestuurders ten opzichte van de rest van de onderneming. In dit tweede deel van het onderzoek naar de schaduwzijde van het bezoldigingsvraagstuk staat daarom de hoogte van de bezoldiging van bestuurders centraal.
De wetenschappelijke discussie over de hoogte van de bezoldiging van bestuurders draait om de vraag of bestuurders te veel betaald krijgen – of ze ‘overpaid’ zijn – of niet. Te veel betalen voor een bestuurder kan vanuit verschillende gezichtspunten problematisch zijn. De kritiek die in de samenleving veel wordt gehoord, is dat de hoge beloningen van bestuurders alle proporties te buiten gaan en zorgen voor een ongelijkheid binnen onze samenleving die onwenselijk is. Het gaat in dit geval dus om een onrechtvaardige verdeling van inkomsten binnen de samenleving in brede zin.1 Vanuit het perspectief van de vennootschap is het (structureel) overbetalen van bestuurders problematisch vanwege de onrechtvaardige verdeling van waarde die eigenlijk de vennootschap c.q. de aandeelhouder toekomt, maar nu wegvloeit naar de bestuurder. De waarde die bestuurders te veel ontvangen zou anders immers ten goede komen aan de bedrijfsvoering en dus ten behoeve van de onderneming kunnen worden ingezet. Uiteindelijk zou deze waarde ten goede komen aan de aandeelhouders. Elke euro die een bestuurder te veel ontvangt is er dus in potentie een minder voor de aandeelhouder.2
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen heeft een steeds groter drukkend effect op de jaarlijkse winst van een onderneming. In 1993 bedroeg de bezoldiging van de top vijf bestuurders in de VS gemiddeld 5% van de winst van de onderneming. Van iedere $20 winst ging dus $1 naar deze vijf bestuurders. In 2003 verdween gemiddeld 10% van de winst naar de top vijf bestuurders.3
Vanuit vennootschapsrechtelijk oogpunt is niet zozeer de hoogte van de bezoldiging op zichzelf van belang, maar de wijze waarop de aan de bezoldiging ten grondslag liggende overeenkomst tot stand is gekomen.4 De bezoldiging van bestuurders wordt vormgegeven in een overeenkomst waar de contractsvrijheid van partijen vooropstaat. De bestuurder is vrij te bepalen voor hoeveel hij zijn diensten verkoopt en de vennootschap mag zelf bepalen hoeveel zij wil betalen voor de diensten van de bestuurder.5 Indien de bestuurder en de vennootschap na onderhandeling en op vrijwillige basis een bezoldiging overeenkomen, dan wordt de hoogte van deze bezoldiging in beginsel als juist geacht. Het vrije markt denken en in het bijzonder de werking van de markt voor bestuurders speelt daarbij een belangrijke rol. Zolang er sprake is van efficiënte marktwerking zullen onafhankelijke en geïnformeerde partijen die op armlengte onderhandelen door de ‘invisible hand’ tot een economische efficiënte overeenkomst komen.6 Een bestuurder is dus overbetaald als hij meer ontvangt dan hij op grond van op armlengte gevoerde onderhandelingen met een geïnformeerde onafhankelijke raad van commissarissen ontvangen zou hebben.
In dit deelonderzoek vindt eerst een analyse plaats van de heersende theorieën die betrekking hebben op de hoogte van de bezoldiging van bestuurders. Vervolgens zal aan de hand van een institutionele analyse worden onderzocht hoe de hoogte van de bezoldiging van bestuurders in de praktijk wordt vastgesteld. Is de ontwikkeling van de bezoldigingsniveaus van bestuurders een resultante van marktwerking of een uitvloeisel van een verstoorde markt? De conclusies die volgen zullen als opmaat dienen voor het beantwoorden van de vraag of, en zo ja hoe, het vennootschapsrecht een oplossing kan bieden voor de gesignaleerde onregelmatigheden. Deze laatste vraag zal, tezamen met een bespreking van de status quo, in het derde deel aan bod komen.