Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/6.3.2
6.3.2 Specialiteit als middel tegen oververzekering
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS414673:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Rapport au conseil des cinq-cents, in: Guichard 1810, I, p. 263; Laurent 1878 XXX, nr. 497.
Art. 4 jo. art. 17 sub 5. Het legale pandrecht bleef toekomstige goederen omvatten. Zie: art. 4.
Rapport au conseil des cinq-cents, in: Guichard 1810, I, p. 240. Het begrip ‘specialiteit’ werd door bepaalde auteurs ook gebruikt om aan te geven dat de hoogte van vordering waarvoor het pandrecht werd gevestigd – de verzekerde vordering – specifiek in de pandakte werd aangeduid. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt onder het begrip specialiteitsbeginsel primair verstaan dat onroerende zaken afzonderlijk in de pandakte moesten worden aangeduid. Het specialiteitsbeginsel was geen Franse vondst. Steden als Brussel en Antwerpen kenden immers slechts speciale pandrechten op onroerende zaken (§5.4.1) en in Pruisen gold vanaf 1783 de zogenaamde Hypothekenordnung die was gebaseerd op de beginselen van publiciteit en specialiteit. Zie: artt. 159, 165 en 167 van deze Ordnung. In het hertogdom Österreich (unter der Enns) gold de Landtafel van 24 november 1758 die was gebaseerd op publiciteit en specialiteit. Zie: art. 10 van deze wet.
Rapport au conseil des cinq-cents, in: Guichard 1810, I, p. 262 e.v.
Rapport au conseil des cinq-cents, in: Guichard 1810, I, p. 264; Lebrun, Opinions, rapports et choix d'écrits politiques 1829, p. 378; Sagnac 1898, p. 206. Volgens Blum had Lebron al in 1766 stukken geschreven waarin hij de invoering van het specialiteitsbeginsel bepleitte. Zie: Blum 1913, p. 114.
Art. 26 bepaalde dat een overdracht van onroerende zaken niet aan derden kon worden tegengeworpen zolang niet was ingeschreven. Zie ook: Besson 1891, p. 95.
Rapport au conseil des cinq-cents, in: Guichard 1810, I, p. 261. Rapport au conseil des cinq-cents, in: Guichard 1810, I, p. 271: ‘Sans doute quelques créanciers seront dans la nécessité de s’inscrire sur tous les biens de leurs débiteurs et la condition de ceux-ce ne sera pas améliorée, au moins, elle n’empirera pas; les choses, à leur égard, seront ce qu’elles sont aujourd’hui et pour l’avenir; et pour tous les autres, et pour le plus grand nombre, le bien s’operera.’
Rapport au conseil des cinq-cents, in: Guichard 1810, I, p. 265 e.v.
Rapport au conseil des cinq-cents, in: Guichard 1810, I, p. 266. Vgl. Laurent 1878 XXX, nr. 514-5.
Rapport au conseil des cinq-cents, in: Guichard 1810, I, p. 266.
Odier 1840, p. 77.
Speciale pandrechten werden immers van oudsher (althans door de Romanistische literatuur) gevestigd door een beschikkingsbevoegde schuldenaar op een afzonderlijke zaak. Zie: §2.3.2 en §3.3.2.1. Zo schreef Negusantius: Prima itaque differentia est, quia ad essentiam specialis hypothecae requiritur quod tempore obligationis contractae res sit in bonis debitoris; ita quod non sufficeret si illa res post obligationem contractem supervenerit in dominio, seu quasi debitoris. Negusantius 1549 Pars II, membrum I, nr. 1.
Rapport au conseil des cinq-cents, in: Guichard 1810, I, p. 240.
Publiciteit van pandrechten nam volgens de wetgever niet het bezwaar weg dat zekerheidsgerechtigde schuldeisers vaak oververzekerd waren.1 Een schuldeiser met een generaal pandrecht had voor zijn verzekerde vordering het gehele vermogen – althans alle onroerende zaken – van de schuldenaar als onderpand. Mocht het op executie van het pandrecht aankomen, dan hoefde de zekerheidsgerechtigde slechts een beperkt deel van de activa te executeren. De schuldenaar had echter de mogelijkheid verloren om activa onbezwaard aan een andere schuldeiser te verpanden, ondanks het gegeven dat de schuldeiser met het eerste pandrecht voldoende onderpand had. Hoewel de ingeschreven pandaktes een omschrijving van de verzekerde vordering bevatten, was het voor latere schuldeisers niet mogelijk om vast te stellen of de verzekerde vordering reeds (gedeeltelijk) was voldaan en wat de waarde van het onderpand was. Hierdoor liep de schuldenaar het risico dat latere schuldeisers niet bereid waren of slechts bereid waren om onder minder aantrekkelijke voorwaarden krediet te verschaffen.
De wetgever bepaalde daarom dat de ingeschreven pandakte een specifieke aanduiding van de verpande zaak moest bevatten.2 Dit noemden de opstellers het principe van specialiteit.3 Hiermee beoogden zij schuldeisers niet meer onderpand te geven dan noodzakelijk was voor de verzekerde vordering.4 Latere schuldeisers konden in het register vaststellen welke schuldeisers al eerder een pandrecht op bepaalde onroerende zaken hadden gevestigd en voor welke verzekerde vorderingen.5 Vervolgens konden zij een nog niet bezwaarde zaak aan zich laten verpanden voor hun vordering. Daarnaast konden derde-verkrijgers vaststellen of zij een onbezwaarde zaak verkregen.6 Een schuldenaar kon weliswaar al zijn onroerende zaken verpanden, maar daarvoor diende hij elke afzonderlijke zaak in de pandakte aan te duiden.7
De wetgever was er zich van bewust dat alleen een afzonderlijke aanduiding van het pandobject niet voldoende was om oververzekering tegen te gaan.8 Het vereiste van een specifieke aanduiding sloot in theorie de mogelijkheid niet uit dat een schuldenaar een nog te verkrijgen onroerende zaak bij voorbaat bezwaarde met een speciaal pandrecht onder voorwaarde van verkrijging. Indien partijen een concrete zaak konden aanwijzen in de pandakte, zouden zij deze akte in het juiste register kunnen inschrijven. Het specialiteitsbeginsel stond hier weliswaar niet aan in de weg, maar voor derde-verkrijgers en latere zekerheidsgerechtigden zou dit bezwaarlijk zijn. Zij zouden in het register vele jaren terug moeten kijken om vast te stellen of er ooit een speciaal pandrecht bij voorbaat was gevestigd. De wetgever vond dit onpraktisch en stelde de bescherming van deze derden centraal door de vestiging bij voorbaat uit te sluiten. Daardoor hoefden belanghebbenden in het register slechts terug te kijken tot het moment waarop de schuldenaar een onroerende zaak had verkregen. Vóór die tijd ingeschreven pandakten brachten immers geen pandrecht op de zaak tot stand. Behalve dat de vestiging bij voorbaat afbreuk zou doen aan het doel van publiciteit en specialiteit vond de wetgever haar onwenselijk: ‘Il est d’ailleurs impolitique et peut-être immoral de permettre à un fils d’engager à l’avance la succession de son père, de détruire ainse ses ressources présentes et futures.’9 Ten slotte vond de wetgever dat de publiciteit zich verzette tegen de inschrijving van een bij voorbaat gevestigd pandrecht. De wet stelde als vereiste dat de pandakte moest worden ingeschreven in de plaats waar de onroerende zaak was gelegen en de wetgever vond dat een toekomstige zaak (nog) geen ‘zetel’ had.10 Odier schreef: ‘Cette loi excluait l’hypothèque des biens à venir, par cela seul qu’ils ne pouvaient être désignés.’11
Hoewel de wetgever het begrip specialiteit gebruikte in de zin van een specifieke aanduiding van het zekerheidsobject, heeft het begrip door de bovenstaande beperkingen ook een andere, ruimere betekenis gekregen. De mogelijkheid om alle bestaande en alle toekomstige zaken (bij voorbaat) te bezwaren was het wezenskenmerk van het generale pandrecht. Door deze mogelijkheid af te schaffen, heeft de wetgever er bewust voor gekozen om slechts speciale pandrechten op onroerende zaken toe te staan.12 Door deze keuze kan het specialiteitsbeginsel ook worden opgevat als de erkenning van uitsluitend speciale pandrechten op goederen van de schuldenaar. In het vervolg noem ik dit het specialiteitsbeginsel in ruime zin. Bij de totstandkoming van de Loi du 11 Brumaire an VII reserveerde de wetgever het begrip specialiteit voor het vereiste dat de pandakte een afzonderlijke aanduiding van het pandobject moest bevatten13 en om die reden noem ik dit het specialiteitsbeginsel in enge zin. Beide benaderingen van specialiteit strekken tot ondersteuning van publiciteit met het achterliggende doel om oververzekering tegen te gaan. Indien het speciale pandrecht niet kenbaar zou zijn uit het register, kon een latere schuldeiser niet vaststellen of bepaalde zaken onbezwaard waren. De toepassing van het specialiteitsbeginsel teneinde oververzekering te voorkomen kan dus alleen aan de orde zijn als er ook sprake is van kenbaarheid.